Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

De tolboom op de Veenhuizerweg

Kees Floor

Lange tijd wordt tol geheven aan de Veenhuizerweg, maar door een nieuwe sluiproute dreigt tolgaard De Bruijn inkomsten mis te lopen. Daarom plaatst hij een tolboom op de weg, tot groot ongenoegen van de mensen die geld hadden gestoken in de verharding van de weg. Kees Floor beschrijft in dit artikel de gang van zaken rond de tolboom aan de Veenhuizerweg.

Verkeer dat vanuit Soest over verharde wegen richting Den Dolder ging, kon vanaf 1827 gebruik maken van de straatweg van Soestdijk naar De Bilt (afb. 1, rood). Om de aanleg van die weg en het onderhoud ervan te kunnen bekostigen, werd tolgeld geheven. Er waren drie tollen. Een daarvan, de Veenhuizer tol, lag destijds op het grondgebied van Baarn tegen de grens met Soest en wel "aan het einde van het domein Soestdijk bij de Veenbrug" (afb. 2, pag. 54). Na een grenswijziging in de jaren negentig van de vorige eeuw "verhuisde" het tolhuis van Baarn (Praamgracht 29, later Biltseweg 25) naar Soest (Jachthuislaan 70).

Toltarieven
De bedragen die men moest betalen bij het passeren van de tol, lagen, zoals gebruikelijk, vast in een Koninklijk Besluit. Een voorbeeld van een lijst met tarieven, in dit geval uit 1876, is weergegeven in afbeelding 3 op pagina 55. In onze ogen zijn de verschuldigde bedragen misschien niet zo hoog, maar destijds ervoer men ze als een last. Tolheffing heeft zich overigens nooit in enige populariteit mogen verheugen, ongeacht de gehanteerde tarieven.
Voetgangers konden bij de tol doorlopen zonder te betalen; voor fietsers gold later hetzelfde. De motorrijders en automobilisten van het eerste uur bleven tot 1900 eveneens buiten schot.

De opbrengst van de tolgelden werd vanaf 1874 alleen nog maar verpacht; eerder werkten de commissarissen (directie) van de straatweg veelal met tolgaarders in eigen dienst. In 1898 pachtte timmerman Marinus Cornelis de Bruijn uit Overschie de tol voor een periode van drie jaar; de pachtsom bedroeg 1765 gulden per jaar. De Bruijn was ook pachter van de rijkstollen bij het Huis ter Heide en bij Schaerweijde te Zeist.


Afb.1 Uitsnede uit de provinciekaart van Utrecht, 1850, samengesteld en getekend door A.A. Nunnink onder toezicht van J.H. Kips.
De afbeelding toont onder andere het noordelijk deel van de straatweg van Soestdijk naar De Bilt (rood gemarkeerd), met ten zuiden van de bochten de Veenhuizer tol.
De aansluiting met de Veenhuizerweg (groen gemarkeerd) ligt net ten oosten van de tolboom.
Bron: Beeldbank Regionaal Historisch Centrum Rijnstreek en Lopikerwaard, A1176.

Veenhuizerweg
In datzelfde jaar liet bankier Adolphe Boissevain, eigenaar van Prins Hendriksoord in Den Dolder, samen met een aantal particulieren, de Veenhuizerweg verharden (figuur 1, groen). Deze weg begon in Soest (thans Koninginnelaan) en kwam even ten noorden van de Veenhuizer tol uit op de straatweg van Soestdijk naar De Bilt. De werkzaamheden werden betaald uit eigen zak, maar met de gemeente Soest werd overeengekomen dat die het onderhoud van de weg voor haar rekening zou nemen. Verder sprak men af dat de gemeente geen tol zou heffen voor het gebruik van de weg. De weg bood inwoners van Soest voortaan een kortere, verharde route richting Utrecht.


Afb.2 Tolhuis aan de Veenhuizer tol aan de straatweg van Soestdijk naar de Bi/t,
kijkend richting De Bilt met links de Veenhuizerweg en rechts de Hessenweg (onverhard). 
Datering 1910-1920.
Bron: Beeldbank Archief Eemland, foto.nr. 1370.0019.

Gederfde inkomsten
Verkeer uit de richting Soestdijk dat net voor de Veenhuizer tol linksaf zou slaan de Veenhuizerweg in, maakte wél gebruik van de straatweg van Soestdijk naar De Bih, maar hoefde het tolhek van de Veenhuizer tol niet te passeren. Daardoor dreigde tolpachter De Bruijn minder omzet te kunnen halen dan waar hij aanvankelijk op gerekend had. Hij diende bij de directie van de straatweg dan ook een verzoek in om langs de weg een bord Tolrecht te plaatsen, vanuit Soestdijk gezien voor de aftakking van de Veenhuizerweg. Het bestuur stemde daarmee in. Om het verkeer ook staande te kunnen houden teneinde de tolgelden in te kunnen vorderen, plaatste De Bruijn een tolboom over de Veenhuizerweg.

Bezwaar
Boissevain was het met deze gang van zaken niet eens. Die ging immers in tegen de afspraken die hij met de gemeente Soest gemaakt had. Het geld dat hij in de verharding van de Veenhuizerweg had gestoken, was natuurlijk niet bedoeld om de portemonnee van de tolpachter te spekken.

Hij deed dan ook verontwaardigd zijn beklag bij de commissarissen van de straatweg. Die zaten met de zaak in hun maag. Enerzijds was het innen van tolgeld uitsluitend toegestaan bij het passeren van de officiële tolboom, dus niet bij het passeren van het bord Tolrecht. Anderzijds was de pachter bij het uitbrengen van zijn bod op de pacht van de opbrengst van de tolgelden mogelijk niet op de hoogte geweest van de nieuwe 'sluiproute' of had hij in de veronderstelling verkeerd dat aan beide tolbomen tolgeld geïnd mocht worden.

De commissarissen stuurden aan op een compromis, waarbij De Bruijn een billijke vergoeding zou krijgen. Zelf dacht de tolpachter aan een vermindering van de pachtsom van 400 gulden per jaar, maar dat vonden de commissarissen buiten alle proporties. Afgesproken werd dat De Bruijn zou bijhouden om wat voor bedragen het in de praktijk ging. De tolheffing aan de Veenhuizerweg werd echter tijdens de driejarige pachtperiode niet beëindigd en De Bruijn kreeg geen korting op de pachtsom.

Einde tolheffing
Nadat Koningin Wilhelmina in november 1900 de toestemming voor het innen van tolgeld weer met drie jaar had verlengd, werden de opbrengsten van de tolgelden voor eenzelfde termijn verpacht. Ditmaal was als nieuwe voorwaarde opgenomen dat de pachter geen tolgelden mocht (doen) innen van verkeer dat gebruik maakte van de Veenhuizerweg. De pacht werd opnieuw gegund aan De Bruijn; hij had 1625 gulden per jaar geboden in plaats van de 1765 gulden die hij de voorgaande pachtperiode had betaald. Mogelijk onbewust gaf hij daarmee te kennen dat de door hem destijds gevraagde vergoeding van 400 gulden voor het beëindigen van de tolheffing voor het verkeer over de Veenhuizerweg aan de hoge kant was geweest. Per 1 januari 1901 was de Veenhuizerweg tolvrij. Het verkeer dat gebruik maakte van de straatweg van Soestdijk naar De Bilt moest bij het passeren van de Veenhuizer tol echter nog betalen tot en met 1928.


Afb. 3 Toltarieven uit 1876 van de straatweg van Soestdijk naar De Bilt.
Bron: Het Utrechts Archief, toegang 15 inv.nr. 115, scan 21.

Bronnen
• Het Utrechts Archief, toegang 15, inv.nrs. 104, 115, 117 en 124.
• Amersfoortse Courant, 1 maart 1897, p3.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto