Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Menu

De brinken van Soest

Jaap Groeneveld

Tot de 'brinken' behoorde niet alleen de weg maar ook de weidegrond tot aan de huisplaats toe. Lange Brinkweg

Deel 1: Historische achtergronden

Bij een nog lopende inventarisatie van brinken en brinkverwijzin gen op en rond de Utrechtse Heuvelrug - waartoe ook Het Gooi mag worden gerekend - duiken verschillende vormen van brinken op. Veel mensen denken dat brinken centraal gelegen dorpspleinen zijn. Veelal is dat tegenwoordig wel zo, maar inmiddels is onder kenners wel bekend dat de dorpsbrinken oorspronkelijk gemeenschappelijke weiden voor het verzamelen van vee aan de rand van nederzettingen waren. Veel dorpen hadden meerdere brinken.

In Het Gooi zijn de Brink van Muiderberg en die van Laren waardevolle stukken cultuur-historisch erfgoed, die veel overeenkomst vertonen met Drentse brinken met hun bomen. Laren kent eigenlijk een brinkencomplex, want daar zijn meerdere brinken, zoals dat ook in Hilversum het geval was. In Soest leeft deLangeindse Brink nog voort in de namen Lange en Korte Brinkweg. Deze brink had, evenals de Korteindse Brink, een heel andere verschijningsvorm. Dit artikel over deze brinken is vooral te beschouwen als een literatuurstudie, maar bronnenmateriaal wordt ook gebruikt.[!]

Oriëntatie
Achtergronden van brinken
Aan het begrip brink zitten twee hoofdaspecten: een etymologisch aspect dat voor heel Noordwest-Europa geldt, en een functioneel aspect dat in Nederland betrekking heeft op de zandgronden en stroomruggen boven de grote rivieren. Etymologisch wordt het woord in verband gebracht met brinko dat 'heuvelhelling' of 'heuveltop' zou betekenen. De Engelse, Duitse en Scandinavische talen kennen ook het woord brink. In het Engels bijvoorbeeld 'at thebrink of war' (op de rand van oorlog), terwijl 'the villagegreen' qua functie het dichtst bij onze centrale dorpsbrink komt, maar qua karakter toch heel anders is. Het Duitse Brink is de 'grasrand rond een akker', terwijl onze brink daar Thie wordt genoemd (vergelijk tie in Oost-Nederland als vergaderplaats) of Anger als het centrale grasveld in planmatige Angerdeirfer. Het Zweedse brink betekent '(steile) oever', waarin ook een randfunctie is te herkennen.

Aan de functionele kant zien we enerzijds het algemeen ingeburgerde hedendaagse begrip als 'centraal met bomen beplant dorpsplein of grasveld'. Er zijn echter vele voorbeelden van brinken in Drenthe die enkele eeuwen geleden nog aan de dorpsrand lagen. In kleine dorpen is dat nog steeds het geval. Verder zijn er weiden die brink worden genoemd, vooral langs (soms verdwenen) stroompjes.[2] In de Gelderse Vallei wordt het achtererf van de boerderij of het hele boerenerf soms brink genoemd, bijvoorbeeld in de uitdrukking 'even de brink aanharken'.[3] 

Geesin Drenthe is een mooi voorbeeld waarbij verschillende soorten brinken voorkomen. Er waren drie dorpsbrinken aan de rand van het langgerekte oude dorp. Verder waren er vijf weiden langs het begin van een stroompje, die de Rijken- en Keuterbrinken werden genoemd; drie voor de rijke boeren en om en om daartussen twee voor de keuters, die hun vee inschaarden op de voor hen bestemde brinken. Zie afbeelding 2.

Aanvankelijk zouden verspreid liggende boerderijen op de zandgronden in de periode eindigend tussen 500 en 900 na Chr. een eigen omheind deel van het erf als boerderijbrink hebben gehad. Het vee werd er verzameld voor de nacht en er werd mogelijk mest verzameld voor de nog beperkte huisakker.[4] Tussen 800 en 1200 na Chr. schoven de aanvankelijk zwervende nederzettingen op naar een lagere en vaste locatie tussen de hoger gelegen essen of engen en broekbossen in de beekdalen die gaandeweg weidegronden werden voor de runderen. De dorpen werden deels flankesdorpen, zoals Soest er ook een is. Met de toenemende intensivering van de landbouw, die mogelijk werd dankzij meer veeteelt voor de mestproductie, ging meer samengewerkt worden in het ontginnen van de omgeving. Het vee werd geweid op gemeenschappelijke gronden en gemeenschappelijke brinken ontstonden op de dorpsranden om het vee in te scharen of tijdelijk te verzamelen.[5] 

Een andere theorie over het ontstaan van brinken is dat het deels met bomen beplante boerenerf diffuus overliep in de gemeenschappelijke ruimte. De achterzijde van de boerderij is het domein van de boer, met de grote schuurdeuren gewoonlijk op de brink gericht. Zo zou de naam van het boerenerf of de met bomen omzoomde rand ervan overgegaan kunnen zijn op die van de gemeenschappelijke ruimte.[6]' Zie afbeelding 3.

Brinken als gemeenschappelijke dorpsruimte in het algemeen hebben vaak een driehoekige vorm. Ze worden onterecht wel Frankische driehoeken genoemd. Onterecht slaat op 'Frankisch', omdat ooit verondersteld werd dat de dorpsbrinken in de vroege middeleeuwen (Frankische Tijd) zijn ontstaan, maar ze blijken uit de Karolingische Tijd te dateren.[7] Het is evident gemakkelijker vee in een hoek samen te drijven, zoals in een trechter. De driehoek had gewoonlijk aanvankelijk een naar buiten gerichte open zijde met aansluitende veedrift(en) en twee zijden waarlangs de boerderijen stonden. Veedriften waren door regelmatig gebruik brede zandige banen, waarlangs het vee werd gedreven naar de heide of de weidegronden. Met de groei van de nederzetting raakte ook de derde zijde bebouwd en ontstond wat we nu kennen: de centrale dorpsbrink, die vaak kleiner werd door de bouw van een kerk, een school en/of een rechthuis erop. De brink was meestal beplant met opgaande bomen, vaak eiken, die voorzagen in balken voor de gebinten van de boerderijen en eikels voor de varkens.

De belangrijkste literatuur over Soest
Over Soest is door een aantal auteurs min of meer uitvoerig geschreven. Van lterson schreef in 1932 over de marke-organisaties en gaf daarbij gedetailleerde verwijzingen.[8] In 1970 beschreef Gottschalkde historisch-geografische ontwikkeling van Soest, waarbij ze ook op de brink inging. [9] Helaas moeten we constateren dat zij niet goed op de hoogte was van de lokale historie, waardoor ze in haar 'testcase' verwarring heeft veroorzaakt. Natuurlijk is er in de afgelopen 45 jaar zoveel meer bekend geworden. Gottschalkkende blijkbaar alleen de Langeindse Brink als 'de brink'.

De gebroeders Hilhorst, die we in het vervolg zullen aanduiden met Hilhorst, besloten op grond van onderzoek een nieuwe publicatie over Soest te laten verschijnen, die als een degelijk resultaat de vroegste geschiedenis van de achtste tot de zeventiende eeuw beschrijft als die van een ontginningsdorp. In het bijzonder komt de ontginningsvolgorde aan de orde waarop we later terug komen. Zij hebben het ook over 'de brinken' in plaats van 'de brink.'[10] 

Derks gaat in op de zeventiende en achttiende eeuw en hij beschrijft de brinken samenvattend, analoog aan de resultaten van Hilhorst. Hij onderscheidt de Langeindse Brink en de Korteindse Brink. [11] Dat onderscheid heeft eerder nauwelijks aandacht gehad, met uitzondering van Lägers e.a..[12] In 1684 werd in verband met het onderhoud van de wegen echter al gerefereerd aan de Korteindse Brink.[13] We ontkomen niet aan het ambivalente gebruik van 'brink' en 'brinken'. Oorspronkelijk werden de verschillende delen als één gemeenschappelijk geheel beschouwd, als speciaal onderdeel van alle gemeenschappelijke grond, tot er in 1649 sprake is van 'dorpsbrinken', verdeeld in achttien aaneengesloten blokken waartoe ook wegen behoorden.[14]

De geografie van het dorp Soest
We beperken ons tot het dorp Soest en laten dus de oude buurtschappen De Birkt, Hees, Soesterberg, Soesterveen en Veenhuizen buiten beschouwing. We nemen de situatie op het kadastrale minuutplan van 1832 als uitgangspunt (afbeelding 4). Het dorp Soest was toen een lintdorp, dat ongeveer op de 5 meter hoogtelijn tegen de noordoostelijke en zuidoostelijke hellingen van de langgerekte stuwwal - met de toppen Engenberg en Lazarusberg - lag gevleid. Oorspronkelijk was deze heuvel tot bij de 5 meter hoogtelijn omgeven door venen, die vooral verdwenen door turfwinning, maar ook door ontginning en daarmee gepaard gaande oxidatie van het veen. Op deze grens was het gunstig om boerderijen te vestigen tussen de lagere, nattere gronden voor het weiden van vee en de hogere en drogere gronden voor akkerbouw, de Eng. In 1832 lagen naar de Eem toe de wei- en hooilanden. Aan de oost- en noordzijde lag in 1832 nog hoogveen dat verder uitgegraven en ontgonnen werd. In het zuidoosten lagen de Soester heide en de stuifzanden van Soestduinen.

De Oude Kerk en de kleine concentratie van bebouwing daaromheen vormden als Kerkbuurt, met onder andere een klein raadhuis, pastorie en kosterswoning, het dorpscentrum. Verder waren er enkele herbergen en woonde er een aantal ambachtslieden. Een aantal wegen kwam hier samen.[15] Van een dorpsplein bij de kerk was niet of nauwelijks sprake; de Eng begon pal voor de ingang van de kerk. Aan de Korte Melmweg was ook een concentratie met cafés wegens het turfvervoer van het veen naar de Grote Melm.

De 21 hoeven van Soest
Ten zuidwesten van de Oude Kerk lag het zogenaamde Korte End en ten noorden ervan het Lange End. Daarvan wordt het gedeelte tot de Grote Melmweg ook wel als Middelwijk aangeduid, terwijl dan het restant ten noorden van de Grote Melmweg Lange End wordt genoemd. De boerderijen stonden ongeveer op de 5 meter hoogtelijn. Hilhorst toont aan dat de oorspronkelijke zeven hoeven aan het Korte End het oudste gedeelte van Soest vormen en in 1006 door de bisschop van Utrecht aan het klooster Hohorst (Heiligenberg) werden geschonken; vanaf 1050 behoorden ze toe aan de Paulusabdij te Utrecht. Hilhorst vermoedt echter dat de oudste hoeven van Soest en die van Hees al dateren uit de tijd van de schenking van 777 door Karel de Grote aan de bisschop van Utrecht op grond van het feit dat er tienden werden geheven. Tienden waren al in 747 ingesteld door de Frankische koning Pippijn de Korte.[16] 

Landsheren en grootgrondbezitters, zoals de bisschop van Utrecht en graaf Wichman, streefden georganiseerde ontginningen na, waarbij een gestructureerde nederzettingsopzet ontstond. Gangbare en op dat moment zinvolle landbouwpraktijk zal overgenomen zijn of misschien op punten tegelijk verbeterd en daarna gaandeweg geëvolueerd zijn. In deze context van georganiseerde ontginning moet Soest zijn ontstaan langs twee opeenvolgende ontginningsassen. Soest komt dan ook niet overeen met esdorpen waarin ogenschijnlijk de boerderijen willekeurig zijn rondgestrooid.

Het Korte End heeft een ontginningsas met een noordoostzuidwestelijke oriëntatie met boerderijen aan de Korteindse Brink, nu de Ferdinand Huycklaan. Derks vermoedt dat de oude hoeven aanvankelijk aan de noordwestzijde van deze brink waren gelegen, dus bij de akkers op de Eng.17De verkaveling loopt parallel aan de Neerweg (nu Peter van den Breemerweg)tot aan het oude gerecht De Birkt met de Birktse Wetering als grens. Het gebied tussen deze wetering en de Eemweg, ten oosten van de Neerweg, is op enig moment ontgonnen en verdeeld (verhoefslaagd) ten gunste van de Korteindse hoeven met een verkaveling haaks op de oude verkaveling en gericht op de Eem. Oorspronkelijk liep aan de voorzijde van de oude hoeven op het Korte End ook een kerkpad waarvan de resten omstreeks 1860 werden opgeruimd.18

Oorspronkelijk waren er veertien hoeven aan het Lange End, gerekend vanaf de kerk, waarvan er volgens Hilhorst dertien zijn gesticht door graaf Wichman van Namaland, nadat deze tussen 950 en 970 de grond had verkregen van de bisschop, als tegenprestatie voor de bescherming die Wichman in Deventer aan de bisschop bood tijdens de invallen van de Noormannen. Zes ervan hoorden in 1401 tot het bezit van het Stift van Elten en zeven uiteindelijk weer tot het bezit van de bisschop. De meest noordelijke (veertiende) hoeve, de Vranckenhoeve, zou één van de verspreide bisschoppelijk bezittingen zijn geweest, hoewel de gebroeders Hilhorst dat betwijfelen. Er is volgens hen in Soest geen vroonhoeve of uithof aangetoond, zoalsGottschalknog meende; zij zag ten onrechte de eerste hoeve bij de kerk daarvoor aan.

De boerderijen van het Lange End stonden met de voorgevel aan de oostkant van het Kerkpad. Achter de boerderijen langs liep een karrespoor over de Langeindse Brink, dat tot weg evolueerde en als Brinkweg bekend stond in de achttiende eeuw. Op 30 november 1911 werden bij raadsbesluit de straatnamen Korte en Lange Brinkweg vastgesteld. Let wel, de Korte Brinkweg loopt langs het meest noordelijk deel van het Lange End ten noorden van het lokaalspoor en heeft dus niets te maken met het zuidelijk gelegen Korte End.

Rond de heuvel lag in 1832 op de grens van veen en hoger akkerland een ring van meer of minder brede gemeentegronden, die aan de oostzijde fungeerden als weiden (dorpsbrinken) en aan de westzijde als veedriftachtige heidestroken die tot de meent werden gerekend. Opmerkelijke is dat de Langeindse Brink aan de noordzijde op een trechter of Y lijkt; de westelijke tak langs de Korte Brinkweg, de oostelijke langs de Grote Melmweg. Aangenomen mag worden dat deze brink op de driesprong in de tijd van Wichman is ontstaan. Deze ruimte doet denken aan een terrein waar vee verzameld kon worden op de rand van de wildernis van De Beek, voordat deze werd ontgonnen.

Langs de Korte Brinkweg was nauwelijks sprake van een brink, eerder een veedrift om uit te komen bij Het Hart (omgeving Koninginnelaan), die van oorsprong een meent was. De Korte Brinkweg komt sinds mensenheugenis uit op de huidige Burgemeester Grothestraat, de voormalige Rijksstraatweg. Ten noorden van de Korte Brinkweg en de Grote Melmweg lag het gebied De Beek, dat vermoedelijk zijn naam ontleent aan de voorloper van het Oude Grachtje, oorspronkelijk een veenstroompje dat afwaterde op de Eem. Ten oosten van De Beek lagen de Langeindse Maten, die aanvankelijk gemeenschappelijk eigendom zouden zijn geweest van de hoeven op het Lange End.[19]

Literatuur
• G.J.M. Derks, '1 Historisch Geografische schets van Soest' (p. 14-35) en '3.3 DeSoester Brink' (p. 55-57), in: G.J.M. Derks en W.A. Heurneman, Soest in de zeventiende en achttiende eeuw, Soest/Soesterberg 2010.
• M.K.E. Gottschalk, 'Historisch-geografische ontwikkelingen in en om Soest', in: Jaarboek Oud-Utrecht 1970, met separate kaart.
• J.H.M. Hilhorst en J.G.M. Hilhorst, Soest, Hees en DeBirkt van de achtste tot de zeventiende eeuw, Hilversum 2001.
• E. Houting, K.R. de Poel en J. van der Vaart (red.), Brinkenboek - een verkenning van de brinken in Drenthe, Assen 1981.
• E. Houting, K.R. de Poel, H. Vrijer, Brinken in beeld; langs esdorpen in Drenthe, Groningen 2007.
• W. van Iterson, De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in de provincie Utrecht, Deel I, Inleiding - Markeverhoudingen in het Overkwartier en Eemland, (2 banden), Leiden 1932.
• H. Lägers en M. Kruidenier, Soest- Geschiedenis en Architectuur, Zeist/Utrecht 2006.
• T. Spek, Het Drentse esdorpenlandschap - Een historisch-geografische studie, dissertatie, 3 banden, Utrecht 2004.
• J.A.J. Vervloet, 'Zandlandschap', in: S. Barends e.a. (red.), Het Nederlandse landschap - Een historisch-geografische benadering, tiende herziene druk, Utrecht 2010, p. 132-161.

Noten
• 1. Dit artikel is eerder geplaatst in Tussen Vecht en Eem, 33 (2015)3, p. 175-183. Enkele kleine correcties zijn hierin verwerkt.
• 2. Houting e.a. (1981), p.5-9, geldt tevens voor algemene achtergrond van brinken, aangevuld met enkele geannoteerde toevoegingen op basis van Spek, Vervloet en de auteur zelf.
• 3. Eigen onderzoek. Enkele gesprekken met eigenaren van boerderijen in de omgeving van Woudenberg en Scherpenzeel.
• 4. Vervloet, p. 136.
• 5. Spek, o.a. p. 101 (met verwijzing naar de mobiliteitstheorie van Waterbolk) en hoofdstukken betreffende de periode 800-1300 na Chr..
• 6. Houting e.a. (1981), p. 5-9.
• 7. nLwikipedia.org/wiki/Brinkidorpsplein). Dit strookt met het ontstaan van de huidige esdorpen in de Karolingische Tijd en met name de periode 800-1300 volgens Spek; zie noot 5.
• 8. Van Iterson, 'De mark van Soest', p. 540-607.
• 9.Gottschalk, p. 103-132.
• 10. Hilhorst, in het bijzonder de secties 'Het gebruik van de dorpsbrink' en 'Andere buurzaken', p. 160-167.
• 11. Derks, p. 55-57.
• 12. Lëgers e.a., p. 54, noemen de Korteindse Brink slechts terloops. Hun beschrijving is gebaseerd op destijds bestaande literatuur, waaronder Gottschalks artikel, dat hier wordt aangevochten.
• 13. Gemeente Archief Soest (GAS), Oud Archief, inv. nr. 51, Rotcedule van 1684.
• 14. GAS, Oud Archief, inv. nr. 49, Conditiën voor verpachting van 1649.
• 15. Derks, p. 21-22.
• 16. Hilhorst, p. 79. De schenking van 777 aan de bisschop van Utrecht omvatte de villa Leusden en vier foreesten aan beide zijden van de Eem.
• 17. Commentaar Derks.
• 18. Derks, p. 20.
• 19. Hilhorst, p. 48.

 

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto