Jan de Mos en Rene van Hal
Aan het begin van de 19e eeuw werden de eerste verharde wegen in Soest en Soesterberg aangelegd. Een kostbare aangelegenheid, waar zowel de overheid als private partijen veel geld in staken. Om dat geld terug te verdienen en het onderhoud van de wegen te financieren werd al snel tol geheven. In dit artikel vertellen Jan de Mos en René van Hal meer over de geschiedenis van deze tolwegen en de bijbehorende tolhuisjes.
Tot in de 19e eeuw kende Soest eigenlijk alleen maar onverharde wegen. De doorgaande hessenwegen verkeerden vaak in slechte staat. Pas in de tijd van de Bataafse Republiek (1795 — 1801) kwamen de plannen om het wegennet in Nederland te verbeteren. In deze tijd werd een stelsel van rijksstraatwegen aangelegd, de. routes impériales, die door het Franse Rijk werden gefinancierd. De Fransen deden dit niet alleen uit economisch oogpunt om de welvaart te bevorderen, maar ook uit strategische, militaire overwegingen. Over de wegen konden ze namelijk sneller troepen verplaatsen. Een voorbeeld van zo'n rijksweg is de oude weg van Amersfoort naar Utrecht dwars door Soesterberg, die rond 1800 werd bestraat. De Franse troepen waren destijds nabij gelegerd inAusterlitz.Deze rijkswegen werden na de bestrating aangeduid als rijksstraatwegen.
Publiek project, privaat initiatief
Na de onafhankelijkheid in 1813 ging het net opgerichte Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op last van koning Willem I door met de verbetering van het landelijk wegennet. Later pakten ook de provincies dit op. Gebrek aan overheidsgeld bood particulieren de gelegenheid eveneens een rol te spelen bij de aanleg van wegen. Een vroege vorm van publiek-private samenwerking. Private investeerders zorgden ook voor bestrating van de weg van Naarden naar Amersfoort door Soest (1815), gevolgd door de weg van Soestdijk naar De Bilt (1826) en als laatste de weg van Soest naar Soesterberg (1854). Alle drie de wegen werden aangelegd op instigatie van en groep notabelen van buitenplaatsen uit Baarn en omgeving.
Voorzitter van dit gezelschap was Jhr. mr. Joan Huydecoper van Maarsseveen (1769-1836). Huydecoper bekleedde na de Franse tijd vele openbare functies. Zo was hij vice-maire van Amsterdam en mededirecteur van de pas opgerichte Nederlandsche Bank. Tot zijn dood bekleedde hij tevens de nevenfunctie van president van de commissie der zandpaden tussen de steden Amsterdam, Weesp, Muiden en Naarden. Hij was in die functie verantwoordelijk voor het storten van grof puin, dekzand en steigeraarde op het lokale wegennet. Hij woonde in Amsterdam, maar kocht in 1797 voor f 85.000, - kasteel Groeneveld van Pieter Cornelis Hasselaer in Baarn. Hij had dus ervaring in de financiële wereld en met het verharden van wegen.
Per koninklijk besluit kreeg een gezelschap onder leiding van Huydecoper in 1815 toestemming voor de aanleg van de weg Naarden-Amersfoort en het uitschrijven van een lening voor de financiering daarvan, waaraan alleen particulieren konden deelnemen. Uit de deelnemers aan de geldlening werd een commissie gekozen, bestaande uit vier commissarissen met wisselende functies, maar meestal waren er een president, een secretaris, een administrateur en een thesaurier. De notulen van deze commissie zijn pas aanwezig vanaf 1836, na het overlijden van de eerste president Huydecoper.
Tolheffing
Voor het onderhoud van deze wegen en de aflossing van de lening werd tol (gabel) geheven. Om de tol te kunnen heffen werd een wegversperring gemaakt met een tolboom met daarnaast een huis voor de tolbaas (tolgaarder). Soest kende in de 19e eeuw vier tollen. Twee op de weg Naarden-Amersfoort, op Soestdijk en DeBirk(beide van 1815 tot 1901), een op de weg van Soestdijk naar Baarn, de Veenhuizertol (van 1826 tot 1928) en een op de weg van Soest naar Soesterberg (van 1854 tot 1916). De tolheffing aan drukke doorgaande wegen werd bij openbare inschrijving verpacht en gegund aan de hoogste bieder, telkens voor een periode van drie jaar. Bij minder drukke zijwegen was verpachting niet lonend en werd de tolwachter aangesteld door de wegbeheerder.
In een instructie voor de tolpachter uit die tijd lezen we dat deze zich stipt moest houden aan het per koninklijk besluit vastgestelde toltarief. Tol werd betaald per dier (muilezel, paard, rund), kudde schapen, honden- of handkar, kruiwagen, paard en wagen enzovoort. Het tolgeld voor de diligences (postkoetsen) en de wagens van de grote bodediensten werd niet door de tolgaarder geïnd. Deze vervoerders betaalden hun tol rechtstreeks aan de straatwegonderneming op grond van een met de commissarissen overeengekomen contract. Voetgangers waren vrij van tol en veel later de fietsers ook. Het tarief en de vrijstellingen stonden vermeld op een groot bord bij ieder tolhuis.
Voorbeeld bord met toltarieven
Vrijstelling kregen de paarden (koetsen) van de koning en zijn familie. Ook de commissarissen van de weg en hun verwanten hoefden geen tol te betalen. Ontheffing werd ook verleend aan militairen tijdens de uitoefening van hun dienst, de rijks- en gemeenteveldwachter en de brievenposterij. Op sommige trajecten hoefden niet dubbel te worden betaald bij elke tol; een afgegeven kaartje diende daarvoor als bewijs. Aanwonende bouwlieden hoefden als zij op dezelfde werkdag naar de markt gingen ook maar één keer te betalen.
Bier en sterke drank
De instructie voor de tolgaarder vermeldde dat een register moest worden bijhouden waarin ieder passerend rijtuig moest worden genoteerd. De weggebruikers mochten daarin ook eventuele klachten over het tolgeld of de toestand van de straatweg vermelden. De tolgaarder werd bovendien verplicht om na iedere passsage de tolboom weer te sluiten. Hij (of een plaatsvervanger) moest altijd paraat zijn om oponthoud bij de tolboom te voorkomen. In de avond en nacht moest er bij het tolhuis een lantaarn branden. Verder werd van hem verwacht dat hij zich 'vriendelijk, eerlijk en braaf' opstelde naar de weggebruikers. Voorts moest hij het tolhuis netjes bewonen. Als er problemen waren, kon hij rekenen op bescherming door de openbare macht.
Aanvankelijk was het de tolgaarder toegestaan om koffie te schenken en bier en sterke drank te tappen. Hij moest dan wel over de nodige vergunningen beschikken. Dat bleek niet altijd een gelukkige combinatie, vooral als de tolgaarder zelf ook een glaasje meedronk.
In 1899 werd een wetsontwerp ingediend tot afschaffing van de tolrechten: 'Welke de Staat heeft voor het gebruik van wegen, kanalen, havens, sluizen en bruggen.' Deze afschaffing is ingegaan op 1 mei 1900. Op de privaat gefinancierde wegen volgden de afschaffing pas nadat de investeringen waren terugverdiend, dan wel na overname door rijk, provincie of gemeente.
De straatweg van Naarden naar Amersfoort
Bij koninklijk besluit van 15 oktober 1815 nr. 24 werd toestemming verkregen voor de aanleg van de straatweg van Naarden naar Amersfoort. Ook werd een lening voor de financiering uitgeschreven. Het doel van deze straatweg was de ontsluiting van het gebied tussen Naarden en Amersfoort en een betere verbinding met Amsterdam en met Arnhem, Deventer en Duitsland. De bestrating volgde min of meer het traject van de oude Naarder Postweg: Naarden - Laren - Eemnes - posthuis Groeneveld - Soestdijk - Soest - Amersfoort. De kosten voor de aanleg, begroot op bijna 200.000 gulden, werden verkregen uit een particuliere lening.
Advertentie verpachting Tollen
De weg had in totaal zes tollen, te weten: '1 buiten Naarden, tegenover de herberg Jan Tabak; 2 op de Gemeene Steeg, te Eemnes Buitendijks; 3 bij het huis Groeneveld; 4 de Domeintol te Soestdijk; 5 op de Birkseweg te Soest en 6 op de Soesterweg te Amersfoort.' In 1820 was het al noodzakelijk om reparaties aan de tollen te verrichten: 'Het doen van eenige reparatien en vernieuwingen aan de gabellen, staande op den grooten weg no. 4, begrepen tusschen de steden Naarden en Amersfoort. Deze aanbestedingen zullen geschieden bij inschrijving en opbod.' Dat laatste gebeurde in de dorpslogementen. In Soestdijk was dat eerst in het logement De Lindeboom, en na sluiting in 1859 in het logement van Ubbink, vanaf 1899 beter bekend als hotel Trier.
De straatweg van Naarden naar Huizen, in het verlengde van deze route, werd door dezelfde initiatiefnemers na ruim 20 jaar gerealiseerd in 1837.
Een jaar nadat de tolheffing op de rijksstraatwegen werd beëindigd, werd ook de tol op deze route opgeheven. Op 1 mei 1901 nam het Rijk de exploitatie van de weg en de zijwegen over en werden de tollen opgeheven. De commissarissen bleven het beheer uitoefenen tot de gehele geldlening was afgelost. Hiervoor kreeg men een jaarlijkse bijdrage van het Rijk. Op 10 november 1930 droegen de commissarissen het bestuur over aan het Rijk. Later werden delen van de weg overgedragen aan de provincies en gemeenten. De oude Amsterdamsche Rijksstraatweg' in Soest loopt nu over de Vredehofstraat, Burgemeester Grothestraat, Van Weedestraat, Steenhoffstraat, Middelwijkstraat, Torenstraat, Kerkstraat, Birkstraat (deels N221) en gaat in Amersfoort tenslotte weer over in de Amsterdamseweg.
De Domeintol te Soestdijk
De Domeintol was de 4e tol op de straatweg van Naarden naar Amersfoort en stond op een strategische plek: de tolboom was geplaatst op de brug over het Oude Grachtje. De woning van de tolgaarder stond aan de westzijde van de Soestdijk, op de hoek van de latere Jachthuislaan, schuin tegenover herberg De Lindeboom van de familie Schimmel (gesloten in 1859 en gesloopt 1881). De domeintol op Soestdijk is een van de oudste van Soest, samen met de oude tol op de Neerweg. De tol op deze plek dateert al uit de 17e eeuw (zie 'Soest in de 17e en 18e eeuw', blz. 57 e.v.).
In 1692 is er een herziening van het reglement uit 1602: 'Een Renovatie van de Ordonnantie Op den Tol, wegens den Tolboom in Soestdijck, dato den ijen Julij 1602.' Deze bestaande oude tol werd door de commissarissen van de straatweg in 1815 overgenomen en opgeknapt en in 1826 geheel afgelost (toen bewoond door tolgaarder Leersum). In het kadaster uit 1832 stond het als eigendom van Commissarissen weg van Naarden naar Amersfoort. Rechts ten zuiden van De Lindeboom woonde timmerman Gerrit Ubbink, getrouwd met Rijkje van Leersum. Hun zoon Hendrik zou in 1859 het logement van Van Leersum overnemen, ten noorden van De Lindeboom (vanaf 1899 hotel Trier, Praamgracht 13, in 1964 gesloopt, nu Oranjeparkflat). Tegenover het logement Van Leersum stond de Villa Buitenzorg, in 1824 eigendom van Jan HendrikHackmanAsschenberg, een rentenier uit Amsterdam. In 1835 verwerft Z.K.H. de Prins van Oranje, de latere koning WillemII, het in eigendom. Van 1877 tot 1881 werd Buitenzorg bewoond door de gemeente- en hofarts Sytze Greidanus en van 1881 tot 1897 doorMr. Constant Jacob Willem Loten van Doelen Grothe, burgemeester van Soest (1881-1914). De laatste bewoner van het koningshuis was H.K.H.-prinses Irene met haar kinderen. Vanaf 1992 is het een kantoorpand.

Kaart kadaster 1832 (Bron HISGIS)
Tolhuis op de Birk, 1890 (Bron Archief Eemland)
De tol te Soestdijk werd in de beginjaren verpacht voor ƒ 800,- per jaar. In 1826 was dat aan Van Leersum, uitbater van het logement van Leersum. In 1839 was de tolgaarder Heinrich (Hendrik)Wetzel(1809-1874), getrouwd met Anna Margaretha Beijer. In latere jaren werden soms meerdere tollen door een persoon gepacht. In 1861 was Johannes Verwoerd de tolgaarder, hij was tevens brievengaarder. De tol had toen als nevenfunctie postkantoor van de per diligence aangevoerde post. In 1876 was de weduwe Geertruida van Boeijen-Ubbink de tolgaardster, dochter van Gerrit Ubbink, uitbater van het in 1859 gesloten logement De Lindeboom.
Ten zuiden van de tol werd in 1834 de buitenplaats Vredehof gebouwd, in 1857 gekocht door Jhr. Everard Willem van Weede als zomerverblijf. Dochter Renée Henriette van Weede trouwde in 1887 met burgemeester Loten van Doelen Grothe. Na het overlijden van zijn schoonvader in 1897 betrok het echtpaar de Vredehof. Nadat de weg op 1 mei 1901 was overgedragen aan het Rijk en de tol was opgeheven werd het tolhuis verkocht. Koper in datzelfde jaar was Loten van Doelen Grothe. Hij zat dicht bij het vuur, want hij was commissaris -administrateur 'van den straatweg Naarden-Amersfoort'. Hij liet het oude tolhuis direct slopen om met het aangrenzende terrein zijn buiten Vredehof te vergroten en een nieuwe oprit te realiseren. "Daardoor zal de fraaie villa nog meer tot haar recht komen."
Advertentie nieuwe tolgaarder Soestdijk, januari 1898

Rijksweg Soestdijk richting Soest, links Hotel Trier, rechts stond het tolhuis, ca 1925
(Bron Archief Eemland)
De vermelding dat het huidige adres van het tolhuis Park Vredehof 11, een Rijksmonument uit 1831, een voormalig jachthuis annex tolhuis is, klopt dus niet. Het historische rietgedekte "Jagthuis" is in 1834 gebouwd in opdracht van Anna Paulowna, Koningin der Nederlanden, echtgenote van WillemII.Zij liet het pand bouwen voor haar zoon Alexander als boerderij en jachthuis, ter vervanging van het oude Jachthuis tegenover de Veenhuizertol (zie hierna). Van hieruit organiseerde ook prins Willem III zijn jachtpartijen. Oorspronkelijk stond het Jagthuis op de hoek van de Amsterdamsestraatweg-Biltseweg, maar bij een reconstructie van het kruispunt is het pand afgebroken en herbouwd op de huidige plaats. Met de aanbouw van de tweede, zelfstandige woning is een zee van extra leefruimte gecreëerd. Het staat begin 2021 te koop voor € 1.450.000.-

Park Vredehof 11, Jachthuis, Rijksmonument
Foto HVS-archief
De Tol op de Birk
Het andere tolhuis op de straatweg van Naarden naar Amersfoort stond verderop aan de straatweg (de huidige Birkstraat), aan de noordzijde, net voorbij de Maarschalkersteeg(h), schuin rechts tegenover het huidige restaurant De Korte Duinen. De Tol Soestdijk was eigendom van de wegbeheerder, maar de tol op de Birk was eigendom van het departement van Binnenlandse Zaken.

Tolhuis op De Birk, kadasterkaart 1832 (HISGIS)
In 1831 was Peter van den Burg (1800-1865) de tolgaarder op deBirk.Hij was getrouwd met Catharina (Trijntje) van den Hoek. In 1881 was Dirk Dreumer (1840-1891) tolgaarder, getrouwd met Maria Jacoba Rosier.Hij staat vermoedelijk met zijn gezin op bovenstaande foto uit 1890.
Verkoop Tolhuis 5 op de Birk, december 1902

Het Tolhuis op de Birk stond aan de rechterzijde van de ingang naar Birkstraat 111 (eigen foto)
Een jaar na de opheffing van de tol in 1901 werd in december 1902 het voormalig Tolhuis no. 5 met bijbehorende grond door de Dienst Domeinen te koop aangeboden. De nieuwe eigenaar heeft niet veel geluk gehad aan zijn nieuwe bezit. Op 14 november 1903 lezen we: Woensdagavond is de onbewoond staande villa „Eureka", van ouds het Tolhuis, alhier, door onbekende oorzaak afgebrand. Men vermoedt dat hier kwaadwilligheid in het spel is.' In mei 1904 wordt de gedeeltelijk afgebrande villa, dan genaamd "Heuréska", weer te koop aangeboden. Aangeduid als perceel gemeente Soest, sectie C, nummers 166 en 167 gedeeltelijk. Daarna vernemen we niets meer van dit pand, het is uiteindelijk gesloopt. Nu is er op die plek geen bebouwing meer.
De straatweg van Soestdijk naar De Bilt
De straatweg van Soestdijk naar De Bilt is een zijweg van de straatweg Naarden-Amersfoort. Bij het koninklijk besluit van 1 juli 1826, nr. 177 verkregen eerdergenoemde Jhr. Mr.J. Huydecoper van Maarsseveen en Mr.H.A. Laan, beiden woonachtig in Baarn, toestemming om de weg van Soestdijk naar De Bilt te bestraten, waardoor het een straatweg werd. Mr.H.A. Laan (1780-1863) vervulde al in de Franse tijd functies bij het belastingwezen en was later belastinginspecteur. Hij kreeg in 1819 zitting in de Staten van Utrecht en was elf jaar gedeputeerde. Hij zag in zijn steun aan de herzieningsvoorstellen van de grondwet de beste mogelijkheid om het vaderland tot nut te zijn. Laan was buitengewoon lid van de Tweede Kamer die in 1840 over de Grondwetsherziening besliste. Hij had vele nevenfuncties, waaronder commissaris van diverse straatwegen.
Openbare Verkoping Tollen, 12 november 1881
De twee heren vulden elkaar mooi aan: Huydecoper had verstand van het verharden van wegen en Laan van het innen van belastingen. De commissarissen van de beide straatwegen waren deels dezelfde. De vergaderingen en de verpachtingen vonden vaak gezamenlijk plaats. De deelnemers in de geldleningen waren vaak ook dezelfde. Zij het dat in dit geval ook de provincie Utrecht deelnam voor ongeveer 8%.
Inkomsten kwamen ook hier uit de verpachting van tollen, waarvan er drie waren. De eerste stond aan de zuidwestzijde van de kruising Soestdijkseweg — Groenekanseweg (bij landgoed Houdringe de Bilt), Soestdijkseweg Zuid 98. Het tolhuisje uit 1827 is in 1960 naar de overkant van de weg verplaatst. Het tweede tolhuis werd gebouwd aan de Provincialeweg S3, kort voor de afslag Vuurscheweg, tegenover nu Brasserie Le Nordaan de N234 Soestdijkseweg Noord 492 te Bilthoven, aangeduid als tolhuis op de Heide nabij de Bilt. Het derde tolhuis van de Straatweg verrees op enige afstand van het paleis Soestdijk. In de administratie werd het meestal omschreven als de gabel aan de Veenhuizen onder Baarn: later kortweg `de tol Veenhuizen'. Op 1 januari 1929 was de geldlening geheel afgelost en verviel de weg aan de provincie en werd de tol opgeheven. Voor de drie tolhuizen vergoedde de provincie Utrecht f8.000,- en voor het in de weg aanwezige verhardingsmateriaal f 12.000,-.
De Veenhuizer Tol
De Veenhuizer tol lag in bocht van de Praamgracht, destijds vallend onder Soestdijk met oud adres Biltseweg 25 Baarn, huidig adres Jachthuislaan 70 te Soest (in 1999 is een nieuwe grens bepaald tussen Baarn en Soest waardoor dit pand is 'verhuisd'). Op de kadasterkaart uit 1832 is niet aangegeven welk huis de tol betreft. Het moet haast wel de aangeven plek zijn, een huis en erf in eigendom van de rentenier Andries de Wilde, eigenaar van Pijnenburg. Waarschijnlijk werd de grond voor het tolhuis gehuurd.

Kadasterkaart 1832, Veenhuizertol (Bron HISGIS)
Aan de oostzijde daarvan stond de oude hofstede Eyckendal, eigendom van de Prins van Oranje, toen bewoond door de jachtmeester, gebouwd in 1640, maar later afgebroken (vervangen door nieuw Jachthuis bij de Tol Soestdijk). De schuur ten zuiden van de tol is ook afgebroken, daar is in 1840 de villa Eikenhorst gebouwd, huidig adres Jachthuislaan 55. In de later herbouwde huidige boerderij Eyckendal zijn de oude gevelstenen van de oude hofstede opgenomen, nu aan de Jachthuislaan 68, naast de woning staat de Veenhuizertol op nummer 70.
De benaming Veenhuizer Tol heeft te maken met het toen nabij aan de Praamgracht gelegen Veenhuis, waar de turf uit het Soesterveen aan accijns werd onderworpen alvorens ze werd afgevoerd. Jarenlang werd ook gesproken over een buurtschap Veenhuizen. Tot 1931 heette de Koninginnelaan, die daar heen voerde vanaf de Rijksstraatweg (Nieuwerhoek) in Soest, de Veenhuizerstraat. Op verzoek van de bewoners van deze straat is deze naam aangepast. De naam Veenhuizen had een negatieve annotatie en bovendien werd een relatie gelegd met de plaats Veenhuizen in Drenthe, waar landlopers tewerk werden gesteld.

Veenhuizertol, kijkrichting De Bilt, 1905-1915 (Bron Archief Eemland)

Villa Eikenhorst periode 1935-1945, met links de Veenhuizertol (HVS-archief)
De eerste verpachting was in 1829. De tol Veenhuizen (bij Soestdijk) ging naar David Bischop, de kastelein uit Nieuwersluis, voor f 1.510,-. Voor em stonden borg de tapper Cornelis Schot uit den Dolder en de aannemer Christiaan van Lint uit Loenen. In 1877 won Arie Maters (1832- 1904), van beroep logementhouder te Amersfoort en getrouwd met Hendrina Antonia ter Haar, met f3.170,- de pacht van alle drie de tollen op deze weg. In de periode 1905-1915 was er een tolgaarster, de weduwe mevrouw Westeneng (in het midden van de afbeelding op p.32). Op de andere afbeelding, hierboven, uit 1935-1945 staat rechts de villa Eikenhorst en links over de vijver van de Praamgracht het oude tolhuis. Nadat de tol met ingang van 1929 was opgeheven zijn de weg en het tolhuis overgegaan naar de provincie, die het later weer heeft verkocht. In de jaren 60 van de vorige eeuw werd het tolhuis bewoond door W de Waard, rijksrechercheur. Het witgepleisterde pand onder zadeldak tussen topgevels is sinds 1967 een Rijksmonument (monumentnummer*: 8545).
Overneming van de weg, 27 september 1928

Veenhuizertol anno 2021, eigen foto
De Nieuwe weg van Soest naar Soesterberg
De weg van Soest naar het in het buitengebied gelegen Soesterberg is lang stiefmoederlijk bedeeld. Het traject is een aantal malen verlegd, steeds door middel van eenvoudige zandwegen door bos en heide, die door slecht onderhoud alweer snel onbegaanbaar werden. Het klagen van de in 1837 aangestelde pastoor Rademaker bleef ook vruchteloos. Geld en prioriteit bij het gemeentebestuur ontbraken.
Daar kwam in 1851 verandering in, ook hier door particulier initiatief. Een commissie onder leiding van de eerdergenoemde Mr.H.A. Laan uit Baarn pakte de bestrating op (Huydecoper was al overleden). Dit deed hij samen met Mr.E van der Poll en baron van Ittersen. Van der Poll (1780-1853) was oud Tweede Kamerlid en tot 1850 commissaris van de Koning in Utrecht. In een nevenfunctie was hij vanaf 1839 voorzitter van de commissie van beheer en toezicht op de droogmaking van de Haarlemmermeer.
De Nieuwe weg van Soest naar Soesterberg, uitsnede Atlas Kuiper, 1865 (Archief Eemland)
De commissie kreeg per koninklijk besluit in 1852 toestemming om de Nieuwe weg naar Soesterberg aan te leggen. De aanleg van de straatweg werd bekostigd door de verkoop van aandelen aan particuliere beleggers. Er werden 72 aandelen van f 250,- uitgegeven, zodat in totaal f 18.000,- werd opgehaald. De provincie verleende een subsidie van f1.000,- en de gemeente Soest stelde genereus de grond ter beschikking met de heideplaggen en zwarte aarde. Bovendien werd een concessie verstrekt tot het heffen van tol aan `eenen tolboom op dier weg'. De Nieuwe weg liep vanaf de Kerkebuurt in Soest, langs deBunten de molen de Vlijt, het Wittemansveen, over de Bergjes en het Soester Hoogt, om uit te komen op de Schoolweg, een sortie tussen de buitenplaats De Sterrenberg en de hofstede Moerbessenberg.
Op 20 maart 1852 was de Nieuwe weg klaar, op de beplantingen na. Maar de geraamde kosten waren ver overtroffen. Men kwam geld te kort en voor een bedrag van f 7.000,- moesten er nieuwe aandelen worden uitgegeven, waarmee de totale investering opliep tot f 25.000,-. De oorzaken van de overschrijding waren divers. De prijsstijging van de klinkers was een van de oorzaken, maar als belangrijkste reden werd genoemd dat men bij de planvorming het belang van de straatweg provinciaal weinig beduidend vond. Er was daarom aanvankelijk gekozen voor een bestrating van slechts 2,5 meter breed, maar men kwam daar bij de realisatie op terug en maakte hem 3,5 meter breed. Ook was in de begroting niet voorzien in de tolmanswoning en de noodzakelijke beplanting om verzanding tegen te gaan. Of het geld op was, of de prioriteit buiten Soest was komen te vervallen, blijft onduidelijk, maar het traject over de heide naar Soesterberg bleef ondanks de goede voornemens deels onbestraat. Wel is later sprake van een grindweg (bepuining), dus half verhard.
Twee decennia later bleek de weg van Soesterberg naar het station van het in 1863 aangelegde spoor alweer in een zo deplorabele staat te verkeren dat die niet meer fatsoenlijk bereden kon worden. Het geïnde tolgeld was onvoldoende voor het onderhoud van de weg. Soest richtte zich tot de Gedeputeerde Staten met de klachten, maar die lieten in 1877 weten het als een lokaal probleem te zien. De erven van mr. H.A. Laan zagen er ook geen brood meer in en droegen op 14 januari 1879 de concessie over aan de gemeente.
De toestand werd zo onhoudbaar dat er initiatieven vanuit de bevolking kwamen om financieel bij te dragen aan de verbetering van de weg. De belangrijkste initiatiefnemer was jonkheer Rutgers van Rozenburg, eigenaar van het fraaie landgoed 'De Paltz' gelegen aan deze slechte weg. Hij stelde geld beschikbaar voor de `bepuining' en (her)bestrating van de weg. In 1880 werden de verbeteringen afgerond. De geschiedenis herhaalde zich nog een paar keer. De route liep via de Soesterbergschestraat ZZ in Soesterberg lange tijd over de vliegbasis naar de huidige Veldmaarschalk Montgomeryweg. Dat werd te gevaarlijk en toen is in 1953 de route omgelegd naar de andere zijde van 'de Bult' over de Van Weerden Poelmanweg. Nu is dat de provinciale weg N413.
De Tol op het Wittemansveen
Een ander tolhuis aan de Nieuwe weg werd geplaatst halverwege het traject bij het Wittemansveen, destijds Soesterbergschestraat 50. Het eerste tolhuis was een eenvoudig huisje van 5,50 bij 7,75 meter voorzien van een pomp, een bedstee, een lantaarnpaal, tolbomen en een tariefbord. Vanaf 15 mei 1854 werd tol geheven. De eerste tolgaarder in dienst van de wegbeheerder was Gerrit van Isselt (1808-1875), geboren te Muiden, zoon van Jan van Isselt en Cornelia de Haan, getrouwd met Cornelia Bosch (1820-1881), geboren te Eemnes, dochter van Tijmen Hendriksz Bosch en Neeltje Gerritse van den Brink. Gerrit was niet alleen tolgaarder, maar ook kroeghouder en tuinman. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien, en de kosten van de tol te verminderen, kreeg hij een stuk grond toegewezen: 'Uit oorzaak dat op dit Veentje voor den later aanwezigen tolwachter de gelegenheid zal zijn tuin en landbouw uit te oefenen en derhalve niet geheel van den tol zijn bestaan zal hoeven zoeken.'
Toltarieven op de weg van Soest naar Soesterberg, 1854 (Bron: GAS)
---
Kleine tolstrijd
Na de opening van het tolstation op deze weg in 1863 vonden Soesters het oneerlijk dat zij tol moesten betalen om daar gebruik van te kunnen maken en Soesterbergers niet. Zij wilden daarom een tweede tol om dat recht te zetten. Dit kleingeestige plan werd door de Raad gelukkig niet overgenomen.
----
Na het overlijden van Gerrit van Isselt werd als zijn opvolger aangesteld: Jan Plekkepoel (1843-1897), geboren te Soest, zoon van 'Theunis Plekkepoel en Maria Roest, getrouwd met Maria Kok (1841-1889), dochter van Anthonius Kok en Haduwé Kolder. Toen de concessie in 1879 door de wegbeheerder werd overgedragen kwam hij in dienst van de gemeente. In 1889 brandde het tolhuis af en werd op ongeveer dezelfde plek vervangen door een nieuw dubbel woonhuis, nu Soesterbergsestraat 160-162. Dat staat er nog steeds.
De laatste tolgaarder was de zoon van Jan Plekkepoel, Gerrit Plekkepoel (1878-1941). Hij trouwde in 1912 te Breukelen-Nijenrode met Cornelia Koppers, dochter van Pieter Anthonie Koppers en Bartje Hoefsloot. Jan was niet alleen tolgaarder, maar zorgde voor een deel ook voor onderhoudswerkzaamheden aan de weg. In 1911 besloten Burgemeester en Wethouders het volgende: 'Om met ingang van 1 Januari a.s. de jaarwedde te verhoogen met f 25,- en te bepalen op f 175,-, alsmede om van de meerdere ontvangsten aan tolgelden dan f 500,- per jaar aan adressant 10 pct. provisie toe te kennen, in plaats van zooals thans bepaald is van hetgeen meer ontvangen wordt dan f 600,-.' De tol naar Soest werd per 1 januari 1916 opgeheven. Na uitvoerige discussies in de Raad werd in het koninklijk besluit van 30 Juni 1916 n°. 17 besloten, ingevolge de nieuwe Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913, aan G. Plekkepoel, tolgaarder te Soest, pensioen te verlenen van f 51 per jaar. Gerrit Plekkepoel, landbouwer, bleef wonen in het voormalig tolhuis Soesterbergsestraat 160.

Voormalig tolhuis aan de Soesterbergsestraat, 2021, eigen foto
Ook op weg van Utrecht naar Amersfoort, waar Soesterberg aan ligt, werden in 1834 vier tollen geplaatst: nummer 1 bij de Holle Bildt, nummer 2 bij de tapstede Huis ter Heide, nummer 3 op de Waterheuvel en nummer 4 nabij de stad Amersfoort bij de Slijkpoort, op de hoek van huidige Utrechtseweg en de Stadsring (toen een gracht). Het tolhuis annex logement op de Waterheuvel krijgt later de naam van Spitsheuvel, nu een restaurant. Deze rijkstollen werden in 1901 opgeheven.
Bronnen
• Concessionarissen en commissies van beheer van straatwegen te Utrecht, www.archieven.nl;
• Soest in de 17e en 18e eeuw, Derks en Heurneman;
• Kadasterkaart 1832, HISGIS;
• Gemeentearchief Soest (Eemland), De Nieuwe weg van Soest naar Soesterberg;
• Infrastructuur en ontwikkeling van Eemnes 1815-1940, Jaap Groeneveld, Historische Kring Eemnes, file:///D:/Downloads/HKE-2012-02_3.pdf;
• Vrienden van Het Gooi, De aanleg van de straatweg Naarden-Huizen en Verpachting van Tollen, Henk Schaftenaar, De Omroeper, september 2008, jaargang 21, nr. 3;
• De Biltse Grift, De Tolweg naar Soestdijk, Frans Nas, oktober 1994;
• Soesterberg en directe omgeving tot de 20e eeuw, Jan de Mos, 2013;
• Historische kranten, diverse archieven.

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.