Historische Vereniging
Soest/Soesterberg

035-602 38 78
info@hvsoest.nl


RETO


Historische Vereniging Soest/Soesterberg is een ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling) instelling.
ANBI instelling

Geschiedenis Soesterberg

Geschiedenis Soesterberg
Soesterberg is een relatief jong dorp maar heeft een rijke geschiedenis. Soesterberg dankt zijn ontstaan aan de aanleg van de Amersfoortschestraat in het midden van de 17e eeuw. Deze nieuwe “Wegh der Weegen“ van Amersfoort naar Utrecht zou verkaveld worden voor de vestiging van buitenplaatsen. Daarvoor was het een onbewoonde gemeenschappelijke heide, die alleen werd gebruikt door schaapherders, bijenhouders en plaggenstekers. 

 

 

 

De Amersfoorder Bergh
Soesterberg ligt op de Utrechtse Heuvelrug. Een glooiend gebied dat is ontstaan tijdens het Pleistoceen, zo'n 10.000 jaar geleden. In die periode waren er enkele ijstijden. Grote ijsmassa's schoven zand en keien op vanuit Scandinavië. Het ijs smolt weg en het meegebrachte materiaal bleef liggen en vormde de Utrechtse Heuvelrug. In de loop der eeuwen is door erosie het gebied meer geëgaliseerd. Van oudsher werd het gebied aangeduid als Amersfoorder Bergh. Deze heide was vrijwel onbewoond gebied. Er zijn wel sporen van menselijke aanwezigheid gevonden die ver teruggaan, dat waren rondtrekkende jagers-verzamelaars. Vele grafheuvels getuigen van aanwezigheid in de bronstijd. Maar van vaste bewoning was toen nog geen sprake. Er ontstaan vele eeuwen later enkele wegen in de vorm van diepe karrensporen over de heide. Aan de noordzijde is dat het Heezer Spoor, aan de zuidzijde het Zeister Spoor, samenkomend richting Amersfoort. Dat zou zo blijven tot 1650.

Aanleg Wegh der Weegen
Soesterberg dankt zijn bestaan aan de aanleg van de Amersfoortsestraat in 1650. Deze kaarsrechte weg, lopend vanaf de galgenberg in Amersfoort naar de Gildpoort bij de Biltstraat in Utrecht, is ontworpen door de Amersfoorter Jacob van Campen. Deze beroemde architect en kunstenaar (ook bekend van het paleis op de Dam) wilde met één grote ingreep het toen nog woeste heidelandschap herscheppen in een brede rechte laan met aan weerszijden fraaie buitenplaatsen voor de stedelijke elite. Met het project in de gouden eeuw werd ingespeeld op het verwachte einde van de Tachtigjarige Oorlog. Vooral op het platteland zou de veiligheid verbeteren en de economie een opleving doormaken. Om de weg te financieren werden aan weerszijden van de 60 meter brede weg kavels van 100 bij 50 roeden (376 bij 188 meter) uitgegeven. De afgifte van deze kavels was gratis, maar de eigenaar werd wel belast met de aanleg en het onderhoud van zijn deel van de weg. Ieder vak is gescheiden door een zogenaamde sortie, het Franse woord voor uitgang. De sorties werden van wallen met beplanting voorzien, om verzanding tegen te gaan, en diende als toegang naar de erachter gelegen gemene heidevelden voor de schaapherders met hun kudden en de plaggenstekers. In het midden van elke vak is een zichtlijn naar de overtuin aan de andere zijde van de weg.
 


Op het Soester gedeelte aan de Amersfoortsestraat ontstaan vier buitenplaatsen/hofsteden: Sterrenberg, Moerbessenberg, Bloemheuvel en de Oude Tempel. Aan de Zeister kant worden vijf buitenplaatsen gerealiseerd: Dijnselburg, tapstede Huys ter Heijde, Zandbergen, Heybergen en Beukbergen. Richting Amersfoort blijven de kavels leeg. Na het rampjaar 1672 komen de ontwikkelingen stil te liggen. De oorspronkelijk opzet met landgoederen is uiteindelijk nooit helemaal van de grond gekomen, maar de structuur van de weg en sorties zijn nog altijd duidelijk herkenbaar. Rond de doorgaande weg en de sorties komen van lieverlede ook huisjes voor arbeiders, werkzaam op de buitenplaatsen en zo ontstaat het dorp Den Bergh of, vanuit Soest gezien, Aghter den Bergh. Deze naam is ontleend aan het Soester Hoogt (Bergh), later ook wel aangeduid als “De Bult”. 
Het aantal inwoners bedraagt in 1786 welgeteld 116. Nog steeds slechts wat daggelders, schaapherders, bijenhouders en een enkele bezembinder en spinster. Ook werden er keien gedolven op de heide, verkocht als grenssteen of stootsteen, ter bescherming van de gevels tegen karrenwielen. In 1661 werd een grote kei gevonden ter hoogte van het huidig restaurant Spitsheuvel (toen pisheuvel of waterheuvel genaamd) en naar Amersfoort gesleept. Eigenlijk was het verhaal van de kei een uit de hand gelopen grap. De jonkheer en dichter Everard Meyster was namelijk met een paar vrienden een kroegweddenschap aangegaan: hij zou de Amersfoorters zo ver krijgen om de reusachtige steen de stad in te slepen. Deze beroemde Amersfoortse kei werd op de Varkensmarkt tentoongesteld. Sindsdien is Amersfoort de Keistad en worden de bewoners aangeduid als keientrekkers, een bijnaam die ze niet graag meer horen.

Soesterberg in het militaire landschap
De zanderige en droge gronden van de Veluwe en in het bijzonder die van de Utrechts Heuvelrug waren uitstekend geschikt als militair oefenterrein. Soesterberg ligt midden in die omgeving met een rijk, historisch militair verleden. Het dankt zijn ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw voor een deel aan de komst van de militairen. 
De militaire interesse voor de Heuvelrug betekende na de aanleg van de buitenplaatsen de tweede nieuwe functie voor dit woeste gebied. Weliswaar hebben voor 1800 al militairen op de heide bij Zeist gekampeerd, maar dat betrof bijzondere omstandigheden. Want in 1629 werden er al troepen gelegerd om te strijden tegen de Spaanse bezetters. En dat deden zij met succes toen in augustus van dat jaar Amersfoort op de Spanjaarden werd heroverd. Ook in het Rampjaar 1672 werd een deel van de heide gebruikt voor een kampement van gemobiliseerde soldaten. Helaas konden die niet voorkomen dat Amersfoort door de Fransen werd bezet. De Fransen rukten vanuit het oosten op naar Amsterdam maar zij stuitten op de Hollandse waterlinie. In september 1787 verzamelden zich weer een troepenmacht op de Leusderheide. Het ging om 3.500 man prinsgezinden onder leiding van stadhouder Willem V in afwachting van de oprukkende Pruisen. Nabij Zeist sloeg het prinsgezinde leger een kamp op, ongeveer 1,5 kilometer ten noordwesten van de dorpskern. Daarna kwamen er op verschillende plaatsen nog meer militaire kampen op de heide tussen Amersfoort en Zeist, met Soesterberg als middelpunt.
In de Franse tijd (1795-1813) werd er nabij Soesterberg een groot militair kamp ingericht. Generaal De Marmont koos in het voorjaar van 1804 als ideale plek de grote kale heidevlakte tussen Zeist en Woudenberg, het achterland van Soesterberg. Het was er droog en schoon, en proefboringen lieten zien dat er al op 12 meter diep prima drinkwater was. In het Camp d’ Utrecht werden eerst 3 à 4 duizend man gelegerd, later verdubbeld en uiteindelijk werden er 18.000 militairen gehuisvest, de helft van het totale leger, en 3.000 paarden. In 1804 kocht De Marmont Henschoten, en liet op het westelijke deel de Marmontberg bouwen, later de “Pyramide van Austerlitz” genaamd.

Het jaar daarop kocht hij land ten zuiden van het kamp en stichtte hierop een gemeenschap, die hij aanvankelijk Napoleon noemde en na 2 december 1805 herdoopte in Austerlitz. De toen nog zandweg Amersfoortschestraat was voor de Fransen van militair belang voor het verplaatsen van manschappen en materieel en werd daarom in 1808 bestraat en heet vanaf dan Amersfoortschestraatweg.
Waterputten waren op de heide noodzakelijk om te kunnen leven en overleven, zowel voor de vaste bewoners als voor de militaire manschappen met hun paarden. Er is nog een bekende grote waterput vlakbij Soesterberg: de Kozakkenput. Het ontstaan van deze waterput wordt nog al eens toegeschreven aan de Franse tijd. Dat is een misvatting. De naam Kozakkenput ontstaat pas na het vertrek van de Franse troepen in 1813 en de komst van de troepen van koning Willem l. De Kozakken waren een onderdeel van dat leger. Het Camp d’ Utrecht was wellicht door de Franse troepen niet zo schoon achter gelaten. De Kozakken sloegen hun bivak daarom iets verder op en sloegen een grote waterput voor hun paarden, die sinds die tijd de Kozakkenput wordt genoemd. In de Franse tijd werd er ook een kortere postroute in gebruik genomen, in Soesterberg ook Postweg genaamd, en in Austerlitz nog steeds de Oude Postweg. Dat was een zandweg, die na het vertrek van de Fransen zijn betekenis verloor. Het verhaal dat het in 1850 gebouwde Huis ten Halve in Soesterberg een pleisterplaats was voor de postkoetsen tussen Amsterdam en Arnhem is een mythe.

Van andere heidegebieden is ook bekend dat er tot het einde van de 19e eeuw uit zoden en plaggen kleine huisjes en hutten werden opgebouwd. Deze hutten staan tevens symbool voor de periode van grote armoede die er in de beginjaren op Den Bergh is geweest. Een dergelijk bouwsel bestond meestal uit houten planken, waarvan de kieren werden dicht gestopt met allerlei voorhanden zijnde materialen zoals mos. Het dak was gefabriceerd van afgestoken heideplaggen.
De nok werd gevormd door plaggen van bosbessenstruiken.

Een dergelijke hut bestond vaak uit één ruimte voor man, vrouw en de vaak vele kinderen. Soms diende de ruimte ook voor de geit. Er werd op sprokkelhout gestookt, zonder schoorsteen, een rookgat in de punt van het dak. Geen ramen, alleen een deur, dus een donkere en zwarte ongezonde ruimte. De hygiëne was veelal ver te zoeken. De gezondheidstoestand was in die jaren slecht, de kindersterfte hoog en de algemene levensverwachting laag. Deze plaggenhutten hebben ook in Soesterberg gestaan. Helaas zijn daar geen afbeeldingen van bewaard gebleven. Wel een voorbeeld van een soortgelijke keuterboerderij op de Drentsche Heide.

 

 

Direct na het vertrek van de Fransen in 1813 begon koning Willem l met het opbouwen van een nieuw leger. Het Utrechtse Heuvelgebied kreeg daarmee zijn militaire functie al snel weer terug. Op de heide bij Zeist werd in 1818 een groot terrein ingericht voor het houden van grote oefeningen, naar het voorbeeld van het Franse Camp d’ Utrecht. Het was geen permanent kamp, maar een terrein dat alleen in de zomer werd gebruikt voor oefeningen. Wel met een vaste infrastructuur rond waterputten waar dan een groot tentenkampement werd opgezet. Het Kamp bij Zeist lag hoofdzakelijk op grondgebied van Soesterberg, nu aangeduid als het Oude Kamp bij het Zeisterspoor. De aanwezigheid van de grote hoeveelheden militairen, de toestromende drommen publiek, zijn zeker van invloed geweest op de ontwikkeling van Soesterberg. Hoogtepunt was het jaarlijkse defilé bij het bezoek van de koning en de viering van zijn verjaardag. 

De kermisachtige toestanden rond deze oefeningen namen echter in de loop van de 19e eeuw af. Het nieuwe Kamp van Zeist kreeg een meer permanent karakter en kwam direct tegen het dorp Soesterberg aan te liggen, deels op Soesterbergs grondgebied, deels op dat van Zeist, terwijl een deel van oefenterrein zich uitstrekte tot Amersfoort en Leusden. Met de ingang aan de Kampweg, in die tijd ook wel Koningsweg genoemd vanwege het jaarlijkse Koninklijke bezoek. Tijdens WO l (1914-1918) was Nederland neutraal, maar er waren veel Belgische vluchtelingen die onder meer in het Kamp van Zeist werden gehuisvest (12.000 militairen) en Albertsdorp (hun vrouwen en kinderen) aan de Amersfoortsestraat. In de tweede wereldoorlog was het kamp bezet door de Duitsers, na de oorlog in gebruik bij de Koninklijke Luchtmacht. Dat zou tot 2008 duren, daarna heeft het zijn militaire functie verloren.

Ontwikkeling Soesterberg in de 19e eeuw
De bevolking begint in de 19e eeuw langzaam te groeien. Het aantal inwoners bedroeg rond 1700 nog ongeveer 75, rond 1800 was dat opgelopen tot 150, in 1847 welgeteld 247en rond 1900 gegroeid tot ruim 400. Door deze toename steeg ook de behoefte aan voorzieningen. Rond 1850 waren er drie tapsteden, waaronder Huis ten Halve en De Zwaan, en later ook enkele hotels en pensions (Huize Eikenhorst en Rots- en Dennenlust). Dankzij de grote steun en invloed van de familie Bosch van Drakestein, eigenaar van de buitenplaats Sterrenberg, werd er in 1836 een schooltje gesticht. Daarvoor werd er door onbevoegde tuinbazen van Sterrenberg en Zandbergen in hun vrije tijd les gegeven. De eerste aangestelde hoofdonderwijzer is L.T. Moesveld. 

In een Koninklijk Besluit van 1837 wordt toestemming verleend voor het oprichten van een katholieke parochie in Soesterberg, dat wordt vanaf dat moment de officiële naam van het dorp. De eerste aangestelde pastoor Rademaker weet in 1838 de RK kerk te realiseren. Zowel voor de school als de kerk werden alle bewoners aan de Amersfoortschestraatweg tot het verzorgingsgebied gerekend. In 1860 kwam er in Huis ter Heide voor ditzelfde verzorgingsgebied een eerste Hervormde kerk. Een van de initiatiefnemers was de Soesterbergse onderwijzer Moesveld.

 

 

 

 

Tussen Soest en Den Bergh bestonden in de beginjaren alleen slecht begaanbare zandpaden langs “De Bult”. Eerst in 1820 werd er een Nieuwe Weg aangelegd, maar die kwam al snel in verval. In 1852 werd de weg opnieuw aangelegd, op aandringen van pastoor Rademaker, nog steeds grotendeels onverhard en na 20 jaar weer in vervallen staat. Vanaf 1854 wordt er tol geheven ter bekostiging van het onderhoud van de weg. In 1880 kwam er een derde poging, maar het zou nog tot 1902 duren voordat de weg in zijn geheel werd bestraat. In de jaren 30 werd, in het kader van een werkgelegenheidsproject, de weg verbeterd, de klinkers werden vervangen door betonnen platen.
De weg kruiste de landingsbaan, stoplichten regelden het verkeer. Door het toenemende verkeer werd dat te gevaarlijk.
In 1953 werd het tracé verlegd van de Veldmaarschalk Montgomeryweg naar de andere zijde van De Bult, de nieuwe Van Weerden Poelmanweg.

Jhr. mr. Jacob Philip Albert Leonard Ram liet in 1860 aan deze weg landgoed de Paltz bouwen. In 1860 werd de “Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij (NCS)” opgericht. Zij verkregen de concessie voor de aanleg van een spoorlijn van Utrecht naar Zwolle. De keuze voor het station bij Soesterberg was niet alleen ingegeven door de goedkope grond, maar ook vanwege de ligging ten opzichte van het Kamp van Zeist. Een groot voordeel was ook dat grote hoeveelheden zand en grind, die nodig waren voor de baanvakken, aangevoerd konden worden vanuit de Soester Duinen en de uitlopers van de “Soesterberg”. Met de opening van het station verdwenen de postkoetsen en diligences uit het straatbeeld. Station Soesterberg werd in 1898 omgedoopt in Soestduinen.

Rond 1880 ontstond het plan om een nieuwe waterleiding aan te leggen op de Soesterbergse heide, nu Soestduinen. De gekozen locatie in Soestduinen was zeer gunstig: er was op niet al te grote diepte zuiver water aanwezig, er was voldoende zand voor de filterbassins, er was een spoorlijn in de buurt voor de aanvoer van kolen voor de pompmachine, en er was een heuvel van 57 meter hoogte (‘De Stompert’) waar een reservoir voor voldoende druk op de leidingen naar Utrecht aangelegd kon worden.
 

 

 


Bakermat van de luchtvaart
In de 20e eeuw komt de ontwikkeling van Soesterberg in een stroomversnelling. In 1907 wordt er een smalspoor voor de genie aangelegd, een aftapping bij Huis ter Heide naar de legerplaats Kamp van Zeist. In 1914 gevolgd door een tweede smalspoor, maar nu van een gemotoriseerde tram van station Zeist naar station Amersfoort. Van belang voor de ontwikkeling van het toerisme. Maar de grote doorbraak komt van de luchtvaartpioniers. In 1910 begonnen de pioniers Lugard & Verwey op de Soesterbergs heide de Nederlandse Maatschappij Luchtvaart. Op 2e paasdag 1911 de eerste geslaagde proefvlucht van Frits Koolhoven. 

De vliegheide was ook een tussenstop in het eerste grote luchtvaartevenement, de allereerste Europese rondvlucht in juni 1911. Dat was toen nog een meerdaagse vlucht. Start en finish waren in Parijs. In Soesterberg werd de aankomst op 21 juni gadegeslagen door maar liefst 21.000 enthousiaste toeschouwers. De status van Soesterberg als vliegdorp was vanaf dat moment gevestigd. De lokale horeca pikte daar een graantje van mee en er kwam een bloeiperiode voor het dorp. Na het faillissement van de pioniers werd in 1913 de militaire Luchtvaartafdeling (LVA) opgericht. Soesterberg werd daarmee de bakermat van de vlieghistorie in Nederland. Er kwam nieuwe en meer werkgelegenheid, niet alleen vliegers vestigden zich in Soesterberg maar ook technici, grondpersoneel, burgerpersoneel en toeleveringsbedrijven. Hiermee werd de basis gelegd voor een snellere groei van het dorp, van ca. 400 inwoners rond 1900 tot ruim 6.000 tijdens de laatste eeuwwisseling. De vliegfeesten en open Luchtmacht dagen werden zeer druk bezocht. Trekpleister was het aan de vliegbasis gelegen Theehuis Soesterdal, tijdens WO ll door de Duitsers afgebroken.

Na WO II wordt de vliegbasis Soesterberg aangemerkt als NATObasis en vanaf 1954 worden hier Amerikanen gestationeerd (Camp New Amsterdam) met hun families. Na de val van de Berlijnse muur neemt de dreiging van de Koude Oorlog af en in 1994 vertrekken de Amerikanen uit Soesterberg. Later zijn op de vliegbasis nog helikopters gestationeerd geweest tot de uiteindelijke sluiting in 2008. In het zelfde jaar als ook Kamp van Zeist zijn militaire functie heeft verloren.

Het wordt stil in het dorp, de groei stagneert. Door de steeds strengere eisen aan de geluidhinder van de vliegbasis hebben de ontwikkelingen jaren lang stil gelegen. Vanuit een masterplan wordt nu gewerkt om de opgelopen achterstand in te halen. Er komen nieuwe wijken. Een van de nieuwe trekpleisters is het Nationaal Militaire Museum gevestigd op de voormalige vliegbasis. 

 

 

Voor meer informatie over de geschiedenis van Soesterberg: jmdemos@kpnmail.nl