Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

Het verhaal van de familie Schimmel

Paul Verhoeven

Eind jaren veertig kocht Anton Schimmel het boerenbedrijf op de Dorresteinweg te Soest. Het was nog een traditioneel agrarisch bedrijf met wat rundvee, varkens, kippen en kleinschalige akkerbouw op de Soester Eng.
Anton en Alie Schimmel-Brouwer stichtten een gezin met zeven kinderen.
Tot 1970 exploiteerde hij samen met zijn vrouw de boerderij. Daarna werd het onroerend goed aangekocht door de gemeente Soest in verband met hun plannen voor een recreatieplas.

De buurt en de belevenissen geven een beeld van de leefomstandigheden in de vijftiger en zestiger jaren in het buitengebied van Soest. Het boerenbestaan was ontdaan van alle charme en de nostalgie die er tegenwoordig aanhangt.

De tekst is geschreven op basis van de herinneringen van de familie Schimmel.

Onze jeugdjaren op de Dorresteinweg
Onze ouders kochten in 1948 een boerderij in het "Veen". Dat perceel ligt aan de achterkant van het huidige tuincentrum Vaarderhoogt. De vorige eigenaar, Van den Broek, had een gemengd bedrijf. Wij hadden melkvee, kippen, varkens en op een stuk land op de Eng ook wat akkerbouw. Het was hard werken in het Soesterveen, op een arme en natte grond waarop voornamelijk gras groeide. Een deel van het gebied was erg nat. Vooral een terrein dat nabij de huidige Boerenstreek lag. Daar liepen de pinken en was verder vooral in gebruik als hooiland. Vaak was het niet mogelijk om daar met paard en wagen te komen. Dat weiland was zo drassig, dat ons paard Corrie er ooit tot aan haar buik in wegzakte.
Tot 1962 was het adres van onze boerderij nog Wieksloterweg WZ 7, hoewel er een pad was dat uitkwam op de Dorresteinweg, net na de bocht bij het tegenwoordige tuincentrum Vaarderhoogt. Dat een en ander nogal verwarrend was, blijkt wel uit de notulen van de gemeenteraad. Op vrijwel dezelfde plek kon je wonen op de Kostverlorenweg, de Wieksloterweg of de Dorresteinweg.

Het huis had een mansardedak en één-steens muren. Vanwege de vochtigheid was de binnenmuur tot halverwege bekleed met zeil. Op de zolder kon je de wind niet alleen horen maar ook voelen. In de winter vroor het binnen bijna net zo hard als buiten. Regelmatig bevroor de elektrische waterpomp, die dan voor reparatie terug moest naar de fabriek in Duitsland.
Het duurde maanden voor die pomp terug was en in tussentijd moesten we water halen in de schuur, waar nog een handpomp stond. Dat was gesjouw met die zware melkbussen.

We hadden geen gasaansluiting en koken en water verwarmen gebeurde met butagas. Regelmatig moesten er butagasflessen gehaald worden bij Gait Verwoerd op de hoek Dorresteinweg en Wieksloterweg. Gedurende de hele dag stond een ketel warm water op voor de afwas, schoonmaak en wassen van kleding. Een wasmachine hadden we niet. Zo'n apparaat was in die tijd een ongekende luxe. De was werd nog met de hand gedaan. We waren al blij dat er een centrifuge was.

Hoewel de woning zo zijn gebreken had, was de omgeving perfect om de jeugdjaren door te brengen. Als kinderen hadden we veel vrijheid en alle mogelijkheden om te spelen op de boerderij. Nog steeds is een voorjaarswandeling in die buurt een feest van herkenning en herinneringen aan de schoonheid van de omgeving van onze jeugd.

In de winter konden we op de sloten schaatsen en het Pluismeer was niet ver weg. De strengste winter was in 1963 toen het normale toegangspad door de vele sneeuw onbegaanbaar werd. Om naar de weg te komen moesten we over een pad naar de Wieksloterweg. Het was voor ons als kinderen een heerlijke tijd met veel sneeuw voor het bouwen van ijshutten en overal schaatsijs. Het leven een werken op een boerderij is druk en vrije dagen bestaan niet. Gelukkig kwamen de leveranciers aan huis, zoals de kruidenier, die toen nog eerst het boekje met de bestelling kwam ophalen en later de artikelen bezorgde. In die tijd was dat heel gebruikelijk. Ook de bakker kwam aan de deur. Tot onze schrik belandde die eens met zijn bakkerskar in de sloot. Het brood was nat maar de bakker mankeerde gelukkig niets. Onze visboer had als gewoonte altijd tegen dezelfde struik te pissen. Hij kwam met zijn bakfiets vanuit Spakenburg naar Soest, aan zijn kar hing een petroleumlamp en de aangeboden koffie werd eerst op de schotel gegoten om het af te laten koelen. Ook de verkoper van huishoudelijke artikelen kwam langs. Op een keer kwam hij volgens onze hond te dicht bij moeder, waarna hij toehapte in de broek van Van den Broek. In de schoolvakanties haalden we vers brood bij Westerveld op de Wieksloterweg. Daar rook het zo heerlijk naar versgebakken brood. Al onderweg naar huis begonnen we te knabbelen aan het verse brood.

Op de boerderij werden de koeien nog met de hand gemolken en werden veel werkzaamheden op het land nog handmatig gedaan. Zoals het op de ouderwetse wijze maaien van het gras, soms zelfs met de zeis als de grond te nat was. Ook het keren van het hooi en het laden op de hooikar was handwerk. Voor het vervoer beschikte onze vader over een paard met wagen, waarmee het looi naar de boerderij werd gereden.

Tijdens een zomer ontstond er broei in de hooi-opslag en brak een brand uit. Echt spannend om dat mee te maken, met zo'n brandweerauto op het erf. Wij mochten het huis niet uit en bij onze boerderij stonden wel klasgenoten die op de brand waren afgekomen. De brandweer was druk met blussen en het uit elkaar trekken van de hooistapel. Later merkten we dat het hooi nog warm was en gemakkelijk weer in brand raakte. Vader was niet heel blij met de vindingrijkheid van zijn kinderen op dat gebied.

Zo af en toe moest met de zeug een bezoek worden gebracht aan de berenboer, die toevallig ook Schimmel heette. Er werd een touw aan de achterpoot van de uitverkoren zeug gebonden en vervolgens gingen we lopend naar de berenboer voor het dekken van de zeug. Als kind gingen we nog wel eens mee, echt een belevenis zo'n uitje.

Op de Dorresteinweg woonde een man die wij kenden als Wout. Zijn huis was onbewoonbaar verklaard en niet aangesloten op het elektra- en waternet. Hij woonde naast een kleine zand- of grindwinningsput, die wij het 'gat van Woutje' noemde. De rendabiliteit van de zandput is onbekend, maar het was wel een fijne speelplek. Later zou er ook nog tijdelijk een kunstenaar in het huis van Wout hebben gewoond. Op de grond is later het tuincentrum Vaarderhoogt gekomen. De bodem is daar wat hoger dan de rest van het veen. Achter het Vaarderhoogt ligt wat vroeger de Lange Wal werd genoemd en waar in 1925 nog veen werd aangetroffen door de onderzoekers van de Natuurkundige Vereniging.

Het was gebruikelijk om de visite een borrel te schenken. Een van de vaste bezoekers bleef onverwacht weg. Later kwam een ander die een neut geschonken kreeg. Deze proestte het uit en riep dat de jenever wel heel erg naar water smaakte. Als goede katholieken hadden we wijwater in huis.
Voor het zegenen van het vee en het gebruik om alvorens een kruisteken te maken eerst de vingers in wijwater te doen. Helaas was een jeneverfles als voorraadfles voor het gewijde water gebruikt. Volgens de visite was een wonder uitgebleven en smaakte het nog steeds gewoon naar water.

Een keer per jaar moesten de sloten schoongemaakt worden. Tot in de zestiger jaren werd er bij het schoonmaken nog paling uit de sloot gehaald. Dus wat nu heel duur is, zwom toen nog in de sloten van het Soesterveen. Hans Kruiswijk bevestigde dat in zijn lezing voor de HVS in december 2018. Hij meldde dat de sloten vervuild zijn geraakt omdat water uit de bebouwde kom op het veen werd geloosd. Met name bij de aanleg van de bestrating van de Klaarwaterweg is een afvoer gemaakt naar het veengebied.

Voor de omheining van de weilanden werden rechte stammen van bomen gebruikt als palen. Deze kochten we jaarlijks van de eigenaar van Pijnenburg. Voor het verduurzamen van die palen werden ze gedurende een jaar in de sloot bewaard. Palen die lang (minimaal 9 maanden tot 3 jaar) in de sloot hebben gelegen, gaan daarna heel lang mee; dat heet het wateren van het hout.

In de vijftiger jaren werd eens per jaar nog een varken geslacht bij de boerderij. Dat zelf slachten was later verboden.

Onze school was voor de meisjes de Theresiaschool en de jongens gingen naar de Mariaschool. Tot in de zestiger jaren was een aparte school voor meisjes en jongens nog heel gewoon. Een van de onderwijzeressen was Paula van Alphen, tevens dirigent van bekende kinderkoren. Een keer mocht een van de meisjes mee naar de KRO-studio in Hilversum voor de opname van kerstliedjes. Helaas klonk haar stem wat te enthousiast en mocht ze niet meezingen. Het was wel een mooie belevenis, die je je hele leven bijblijft.

Het wonen op de Dorresteinweg had als nadeel dat klasgenootjes het wel ver weg vonden en dus maar weinig mee wilden naar de boerderij. De keer dat wel iemand meeging was het geen succes omdat de kinderen het boerenleven niet gewend waren. Pardoes viel een kind in de mestvaalt en zij mocht daarna niet meer op de boerderij spelen van haar moeder.

Tussen de middag gingen we naar huis voor de boterham. We herinneren ons nog heel goed de tune voor mededelingen voor land- en tuinbouw, waarvoor we stil moesten zijn. En als kind had je toch zoveel te vertellen na een ochtend op school. Maar ja,GaitJan Kruutmoes ofwel de boertjes van buuten was in de zestiger jaren een erg populair radioprogramma tussen de middag.

Wie waren onze buren?
Het huis naast het onze had als adres Kostverlorenweg 11. Daar woonde de familie Hilhorst, ook bekend als Piet van Piet van Riek. Hij was naast veehouder ook actief als veehandelaar. Het gebeurde nog wel eens dat zijn vee losliep. Piet nam het minder nauw met de etiquette. Een van de mooiste verhalen was dat een ruzie tussen de kinderen hem stoorde tijdens het middagdutje. Al roepende kwam Piet uit zijn bed gesprongen en rende het weiland in, alwaar een forse koeienvlaai hem belemmerde in zijn loop en hij afdroop om zich te verschonen.

Aan de andere zijde woonde op het adres Wieksloterweg WZ 9 (later Dorresteinweg 78) het kinderloze echtpaar Belt in een klein boerderijtje; eigenlijk meer een daggelderswoning. Hun huis bestond uit een kamer en keuken met aansluitend de stal, waar plek was voor maar 4 koeien. De heer en mevrouw Belt woonden in nogal primitieve omstandigheden. Er was geen elektra en gas. Het nieuws werd gevolgd op een transistorradio, die direct na het nieuwsbulletin weer uitgezet werd. Het water haalden ze uit een put. Zo kwam het nog wel eens voor dat ze in droge zomers zonder water kwamen te zitten. Buurvrouw Belt was dan toch wel verbaasd, want ze had nog zo zuinig gedaan met water. Hoe kon het dan toch op zijn?
Ze waren erg zuinig met nieuwe spullen. Een nieuwe portemonnee werd in de kast gelegd, want gebruiken was zonde. Ook huishoudtextiel werd zo lang mogelijk opgeslagen, eerst maar het oude en versleten goed gebruiken.
Een vroeg begrip van 'weggooien is zonde'.
Dagelijks brachten wij de krant naar de buren. Het ergste was als buurvouw Belt op de 'doos' zat en vanaf haar zitplaats ons riep: "kom gerust maar dichterbij hoor". Dat deden we dus liever niet. Onze beloning voor de krant was de eigen gemaakte boterbabbelaar. De goede raad was steevast om er niet op te kauwen, zuigen moest je dat snoepgoed.

Een opvallend figuur was luie Willempje met zijn bakfiets. Hij zat in de bak en zijn vrouw fietste. Zij werkten als handelaar in oud ijzer. Ook als je niet thuis was, haalden ze het ijzer op uit de tuin. Dat kon toen nog allemaal.

In de vijftiger en zestiger jaren was het niet gebruikelijk dat ieder gezin een tv had. Samen met een grote groep kinderen keken we af en toe tv bij een van de buren. Onze fietsenmaker zat wat verder weg. Een band plakken kon toen nog erg lang duren. Gelet op de afstand tussen ons huis en de school was dat niet echt fijn. Dan maar achterop bij een zus of je broer.

In de buurt waren er nogal wat anekdotische gebeurtenissen. Een buurman zag zijn gebit in de gierput vallen, spoelde het gebit even af en stak het toen weer in zijn mond. Het opbouwen van een muur duurde bij een buurtgenoot erg lang. Wat hij 's-morgens opbouwde werd 's-avonds door zijn zoon omver geduwd. En dat bleef maar doorgaan.

De hond van Van Vulpen had een reputatie: veel kinderen hebben wel eens kennis gemaakt met een beet van die hond. En sommigen zelfs wel vaker dan eens.

Voor kleine boodschappen konden we terecht bij Gart, die naam was zo ingeburgerd dat we zijn echte naam niet kenden. Kaas kochten we bij markthandelaar Van Schie, die op de Wieksloterweg woonde.

In de jaren 50 was de woningnood groot. Van Doorn verhuurde woonruimte, onder andere aan een Griek met zijn Nederlandse vrouw. Het houten huisje stond helemaal achter op het erf en was niet op de riolering aangesloten.
De uitwerpselen werden opgevangen in een gierput, die op een gegeven moment geleegd moest worden door Van Doorn. De inhoud werd vervolgens verspreid over het weiland en zo kwam het dat het land bezaaid kwam te liggen met (gebruikte) condooms. Van Doorn heeft daarna nooit meer de gierput willen legen.

Van de tijdschriftenbezorger kregen we soms een tijdschrift. Zo maakten we kennis met de stripfiguren in de Sjors, Eppo, Donald Duck en wat voor titels er toen nog meer waren.

De Dorresteinweg werd verder bevolkt door een schilder/sleper/autohandel, voddenhandelaar, schillenboer, melkrijder en een atheïstische buurman die kok was en in zijn vrije tijd ook werkte als imker.

Begin jaren zestig ontstond er brand in de voddenopslag van Metzukat. Na de brand werden de vodden uitgespreid op de weilanden in de omgeving om de brandlucht eruit te krijgen.

In de zestiger jaren was het nog gebruikelijk dat er nauwelijks verlichting was in het buitengebied. Ook de Dorresteinweg was nog echt donker. Zo kon het gebeuren dat twee buurjongens pardoes op elkaar botsten met de fiets, omdat ze beiden geen licht aanhadden. Ze kwamen zonder kleerscheuren vanaf. Hun verontwaardiging over de onoplettendheid van de ander was voor de omwonenden duidelijk te horen.

Het einde van het boerenbedrijf door gemeenteplannen
In de zestiger jaren ontstond de behoefte aan ruimte voor woningbouw, hetgeen onder meer resulteerde in de plannen voor Overhees en de Boerenstreek. Voor de realisatie van de woongebieden waren ingrijpende grondwerken nodig. Het plan was toen om "werk met werk te maken". Het benodigde zand voor ophoging van de woongebieden en de ontwatering wilde men combineren door in het gebied van het Soesterveen dat gehandhaafd zou worden, een recreatieproject te realiseren in de vorm van een grote waterplas die zou ontstaan na de zandwinning. Globaal ging dat om het gebied begrensd door de Biltseweg, Koningsweg, Dorresteinweg en Wieksloterweg. In het plan waren behalve de recreatieplas met aangrenzende voorzieningen, ook een sportpark van circa 10 ha en een begraafplaats opgenomen.
Vooruitlopend op het realiseren van deze plannen werden de in het gebied gevestigde bedrijven opgekocht door de gemeente Soest. Daarmee kwam er een einde aan het agrarische bedrijf van veel agrariërs. In 1968 was alle grond ter plaatse in handen van de gemeente.

Ook onze boerderij werd verkocht en diende daarna nog als oefenterrein voor de brandweer. De brandweermensen mochten de schuur niet betreden omdat deze te bouwvallig werd bevonden.

Bij raadsbesluit van 19 maart 1970 werd het bestemmingsplan Wieksloterweg vastgesteld. De provincie dreigde onthouding van de goedkeuring omdat men vraagtekens zette bij de economische uitvoerbaarheid. De raad van Soest trok bij besluit op 18 februari 1971 het plan weer in. Vanuit de gemeente is tot in tachtiger jaren diverse malen gestudeerd op de aanleg van recreatieve voorzieningen in het gebied. Ook in de jaren negentig kwam Gemeentebelangen Groen Soest met het idee om de plas alsnog te realiseren, maar vond daarvoor geen andere partijen die het idee wilde ondersteunen. Overigens is er inmiddels wel op beperkte schaal een natuurgebiedje gerealiseerd.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto