Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

VERSPREIDING VAN GRAFHEUVELS UIT HET NEOLITHICUM EN DE BRONSTIJD TUSSEN AUSTERLITZ EN SOEST

G. van den Beemt

Door de activiteiten van enkele amateur archeologen [1], is de archeologische kennis van de Utrechtse Heuvelrug tussen Maarn en Soest sterk gegroeid.
Vanaf september 1977 tot de zomer van 1979 is bovengenoemde groep bezig geweest met de systematische veldverkenning als onderdeel van de archeologische streekbeschrijving [2]. Dat wil zeggen, dat bossen, heidevelden, zandverstuivingen, akkers en weilanden in het bovengenoemde gebied systematisch werden afgelopen. Voornamelijk werd gelet op de aanwezigheid van grafheuvels [3], eventuele archeologische vondsten en de opbouw van ons huidige landschap. Onderzocht werd of verkleuringen in akkers, hoogten en/of laagten in het terrein werden beïnvloed of veroorzaakt door de natuur of de mens.
Als voorbeeld dienen de talloze uitgegraven grindaders in de boswachterij Austerlitz en aan de zuidzijde van de Leusderheide. Daar is door exploitatie van het daarin grote hoeveelheid aanwezige grind, een landschap ontstaan van lange kleinschalige hoogten en laagten.
Ondanks zeer interessante geologische waarnemingen in ontgrondingen (t.b.v. zandwinning), werden er maar een paar kleine scherfjes gevonden van prehistorisch aardewerk, terwijl in de naaste omgeving tal van grafheuvels werden ontdekt.

De meeste grafheuvels zijn vrij laag, slechts ca. 1 meter tot 1,30 meter hoog en hebben een diameter van ca. 12 meter. Vele heuvels vertonen in het middelpunt, op het hoogste gedeelte, ingravingen die waarschijnlijk zijn veroorzaakt door vroegere "schatgravers". De opbouw van de grafheuvels bestaat voornamelijk uit vuil zwartbruin tot schoon zand. Soms wordt de indruk gewekt met een plaggenstructuur te maken te hebben.
In een van de ontdekte heuvels werd met de grondboor de echtheid gecontroleerd. Bij het boren werd - hoe triest het ook is - een prehistorische bijzetting geraakt. Gruis van de pot (beker?) werd in het grondmonster naar boven gehaald.
Uit deze en eerder ontdekte grafheuvels blijkt, dat de meeste zijn gelegen tussen de 15 en 30 meter hoogtelijnen t.o.v. het NAP.

Voorts wijst het grote aantal heuvels erop, dat de Utrechtse Heuvelrug intensief door de prehistorische mens moet zijn gebruikt. Over de tijd waarin dit precies heeft plaatsgevonden kan men niet al te veel zeggen. Het grootste deel van de heuvels is vrij laag met vrij schoon zand opgeworpen. Een en ander zou verband kunnen houden met het nog niet ontbost zijn van de bossen in het neolithicum. Pas in de bronstijd zien we dat de toenmalige bewoners op vrij grote schaal de bossen in brand staken, om op deze wijze vruchtbare landbouwgrond te kunnen verkrijgen. Al ras ontstonden na de eventuele prehistorische beakkering, heidevelden.

In de hoge grafheuvels (kenmerkend voor de bronstijd), zien we dat deze niet meer met vrij schoon bruinig zand zijn opgeworpen maar met vuil, zwart/bruinig humeus zand, afgewisseld met schoon zand. Men krijgt hier duidelijk de indruk met plaggenstructuur te maken te hebben. Een fenomeen dat vaak in bronstijd-grafheuvels is waargenomen. Bijna alle tot nu toe gevonden grafheuvels zijn gelegen op de zuidzijde van de stuwwal. Het zal ook voor de prehistorische mens aantrekkelijker zijn geweest om aan de warme, luwe kant te wonen, dan op de noordelijke koude stuwwalzijde.
Hoe en waar de nederzettingen zich hebben bevonden is niet geheel duidelijk, omdat daar nog niet zo veel van terug is gevonden. Door de huidige bebossing is het moeilijk om oppervlaktevondsten te ontdekken. Pas bij ontsluiting van het bos, bijvoorbeeld voor de aanleg van een weg of gaspijp en na het rooien en ploegen van de bospercelen is er kans dat er vondsten kunnen worden gedaan. De nederzettingen moeten overigens niet worden gezocht in de omgeving van de grafheuvels. De doden werden het liefst zo ver mogelijk van de gemeenschap begraven.
De meest ideale plaats om te wonen, te leven en te werken, moet zijn geweest aan de zuidrand van de stuwwal op de overgang van droog naar nat. Daar was immers water waarvan men afhankelijk was. Ook was daar de meest geschikte plek om het vee te laten grazen en akkers aan te leggen.

Tijdens de inventarisatie is met behulp van oude en moderne kaarten in combinatie met de nu bekende grafheuvels getracht, de loop van oude wegen te bepalen.
Het resultaat is nog te summier om hierover tot publicatie over te gaan [4] 
Thans zijn er door de systematische veldverkenning 25 nieuwe grafheuvels ontdekt. Daar de inventarisatie niet is afgerond, met name op Soester grondgebied, zullen er zeer zeker nog meer nieuwe grafheuvels ontdekt worden.

Noten:
[1] Hennie Broek-Soest, Hans Bijl-Soest, Guda van Laar-Amersfoort, Riny Trost-Soest en Fred van den Beemt-Amersfoort
[2] Klok, R.H.J.; Taak en Methode van de zgn. archeologische Streekbeschrijving; Westerheem 23, 1974, pp. 148-166 en 195-213
[3] Deze grafheuvels, ook wel tumuli genoemd, hebben in de dodenbezorging in de prehistorie een belangrijke rol gespeeld. De meeste heuvels dateren uit het laat Neolithicum en de volgende periode, de Bronstijd. Een grafheuvel is opgeworpen over een dode die in het centrum in een kuil of op het maaiveld is begraven. Een greppel of een omlopende krans van palen markeerde het grafmonument. In het Neolithicum 2000-1600 v. Chr. komt bijna alleen lijkbegraving voor. De dode werd op één der zijden gelegd en met opgetrokken knieën (zgn. hurkhouding) in het graf gelegd. Reeds vroeg in de bronstijd 1600-1400 v. Chr. doet de crematie zijn intrede. De resten van de dode werden van de brandstapel verzameld en in een urn of een doek in een grafkuil geplaatst of in een bestaande grafheuvel bijgezet. 12 In het laat Neolithicum 1700-1600 v. Chr. en in de vroege bronstijd was het gebruikelijk de dode voorwerpen in het graf mee te geven, die hem in zijn leven omringd hadden, zoals gebruiksvoorwerpen, wapens en sieraden. Dit alles voor het "leven" na de dood, het hiernamaals.
[4] In een later stadium van de archeologische streekbeschrijving zullen een groot aantal vragen t.a.v. de inventarisatie van grafheuvels beantwoord moeten worden, bijvoorbeeld:
a. op wat voor hoogten in het terrein t.o.v. het NAP worden de grafheuvels aangetroffen?
b. op wat voor geomcrfologische [5] en geologische gronden zijn de grafheuvels gelegen?
c. is er een relatie te vinden tussen losse neolithische- en bronstijdvondsten en de grafheuvels?
d. zijn aan de hand van de grafheuvels wegen uit de prehistorie te reconstrueren?
[5] Geomorfologie is de wetenschap die het reliëf van de aardoppervlakte bestudeert. De geomorfologie houdt zich bezig met de aan de oppervlakte optredende geologische processen.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto