Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

Bespiegelingen over de familie Hilhorst aan de hand van familiewapens

Reinier Hilhorst

In de publicatie `Bespiegelingen over de familie Hilhorst aan de hand van familiewapens'in Van Zoys tot Soest 31e jrg nr 3 is in de tekst de verwijzing naar de voetnoten abusievelijk niet opgenomen, tevens zijn een paar tekstpassages weggevallen. Reden waarom dit artikel opnieuw wordt geplaatst. (red.)

Inleiding
Medio jaren negentig vorige eeuw werd de latente interesse voor genealogie in mij wakker geschud toen tijdens een familiebijeenkomst het gesprek kwam op een wapen van het geslacht Hilhorst uit 1477. Ik had nooit eerder van het bestaan gehoord en besloot een en ander eens uit te gaan zoeken. Een eerste verkenning leverde direct verrassende resultaten op, namelijk dat het niet bij één wapen is gebleven maar dat het om een hele reeks gaat en bovendien, dat de sporen ook nog eens verder terug gaan in de tijd! Het heraldisch onderzoek werd spoedig uitgebreid naar andere Eemlandse families. Daarna ben ik heraldiek met obligaat bronnenonderzoek gaan combineren om zo een beter en betrouwbaarder beeld te krijgen van de familieverbanden tussen de verschillende 'aanzienlijke geslachten 'uit Amersfoort en omgeving.
Menigeen heeft mij de afgelopen jaren met raad en daad bijgestaan. Met name wil ik Jos G.M Hilhorst, Gérard Derks, Ton Hartman en Dick van Wageningen bedanken voor hun directe en indirecte betrokkenheid in de aanloop naar dit exposé.
In de navolgende uiteenzetting behandel ik de diverse wapens van defamineHilhorst, met hier en daar een eenvoudige toelichting. Een uitgebreide stamreeks zult u niet aantreffen omdat bij de oude stam niet altijd duidelijk is hoe de filiatie tussen de verschillende takken precies in elkaar steekt.

Hillenhorst
Op enig moment, vermoedelijk halverwege de 14eeeuw, is een familie Van Hil(len)horst neergestreken in de contreien van Soest. Aangenomen mag worden dat de familienaam is ontleend aan het landgoed en de hofstede Hillenhorst. Dit eeuwenoude goed is gesitueerd op de grens van Amersfoort en Stoutenburg, tegenwoordig Koedijkerweg nr. 30, niet ver verwijderd van het voormalige kasteel Stoutenburg. De geschiedenis van tgoet van Hilhorst gaat vermoedelijk terug tot de Karolingische tijd [1].
De betekenis van de naam wordt verklaard uit de kenmerken van het domein. `Hil' is synoniem voor hoogte en 'horst' betekent bosrijk landschap. De contouren van het oorspronkelijke grondgebied, ca 41 ha groot, zijn tot op de dag van vandaag grotendeels onveranderd gebleven en zijn verifieerbaar op oude plattegronden zoals die van J. van Diepenem uit 1637[2]. Volgens Jos G.M. Hilhorst was de oudst bekende bewoner van de Hillenhorst waarschijnlijk zekere Rycout. Dat zou blijken uit een rekening van Amoud van Usselstein betreffende de afdracht van keurmede voor de periode 1334- 36[3]. Keurmede was een soort successierecht. De waarde van het beste stuk uit de nalatenschap van Rycouts wijff van Hilhorst, de overleden echtgenote van Ricout, werd getaxeerd en aangeslagen op 1£ 10 schellingen. Dit bedrag moest worden betaald aan de bisschop die toen tevens de landsheer was. Of deze Ricout de stamvader is van of dat hij enige relatie heeft met de familie Hilhorst blijft (nog) in nevelen gehuld.
Hoe het ook zij, de oude stam van het geslacht Hilhorst neemt voorlopig een aanvang met Gerrit (van Hilhorst), geboren ca 1325. Van hem is met zekerheid een viertal zonen bekend: Gerrit Gerritsz, Jan Gerritsz (ca 1350-ca 1420), Gijsbert Gerritsz (ca 1355-ca 1411) en Arnout Gerritsz (ca 1370- na 1437[4]). Een vijfde zoon, Rutger Gerritsz van Hilhorst (t voor 1410?), houden we voorlopig pro memorie.

Het heraldisch vertrekpunt
In de kring van genealogisch geïnteresseerde nazaten circuleert hardnekkig het idee dat het wapen van Aernt van Hilhorst uit 1478 als HET familiewapen Hilhorst moet worden beschouwd. Dat is een misvatting die nodig moet worden bijgesteld. Het gros van de nu levende leden met de naam Hilhorst stamt sowieso niet (in rechte lijn) af van deze Aemt maar van een andere tak, die van Meijns Hilhorst. Formeel gezien mogen zij dus geen aanspraak maken op zijn beeldmerk. Bovendien is dit niet de enige uitvoering. Er waren binnen het geslacht Hilhorst meerdere autonome wapens, of varianten daarop. Wapens met en zonder vrijkwartier maar ook met verschillende wapenfiguren.
Wat is een vrijkwartier? Een vrijkwartier behoort tot de zogeheten herautstukken. Dat zijn patronen die het veld van het wapenschild verdelen door middel van rechte lijnen. Een wapen met een vrijkwartier heeft een veld dat is verdeeld in twee ongelijke delen: een deel beslaat ruwweg een kwart van het veld - het vrijkwartier - het andere deel beslaat de overige driekwart. Een klein (formaat) vrijkwartier wordt schildhoek genoemd. Een wapen wordt altijd beschreven vanuit de positie van de wapendrager, alsofje achter het schild staat. Van de beschouwer uit gezien is links dus rechts. Het vrijkwartier staat vrijwel altijd in de rechterbovenhoek. Dat geldt ook voor het wapen van Aemt Hilhorst, dus met een vrijkwartier 'heraldisch' rechts.
Het oudste authentieke exemplaar is vooralsnog het zegel van Gherijt van Hilhorst, bevestigd aan een charter uit 1395[5]. Hij bezegelde deze oorkonde als een van de schepenen van Soest. In latere jaren zou (een) Gerrit van Hilhorst nog een aantal keren als schepen, als tijnsgenoot van de Sint Paulusabdij en als schout van respectievelijk Soest en Zeldrecht optreden. Tot aan 1416; het jaar van zijn verhuizing naar Amersfoort.

Rutger van Hogerhorst
Historisch gezien zou feitelijk Rutgher van Hogherhorst, schepen in 1376 en 1382, als eerste drager van dit wapen genoemd moeten worden. Hij voerde een wapen dat nagenoeg gelijk was aan dat van Gerrit van Hilhorst en dus als een vroeger voorbeeld kan worden beschouwd. Rutger en Gerrit hebben dus een gemeenschappelijke factor: namelijk hun blazoen. De wapenschilden tonen ieder twee lelies vergezeld van, heraldisch rechts, een vrijkwartier beladen met een schuinkruis bestaande uit vijf aanstotende 'ruiten'. Een schuinkruis wordt in het algemeen ook wel Andreaskruis genoemd.[6] 
Omdat een wapen in principe voorbehouden was aan leden van één specifiek geslacht moeten beide lieden haast wel op een of andere manier gelieerd zijn aan elkaar, ongeacht het verschil in achternaam[7]. Het toe-eigenen van een wapen van een ander geslacht of van een familie met dezelfde naam is in principe onrechtmatig. In eerste instantie is overdracht voorbehouden aan de oudste zoon, jongere telgen of aan een andere aantoonbare directe bloedverwant.
Wanneer we ons louter baseren op de beeltenis in het wapen van Rutger van Hogerhorst dan lijkt verwantschap met Gerrit en zijn nakomelingen evident. Maar ook in zijn achternaam ligt een subtiele tweeledige verwijzing besloten. Is dit toeval? Hogerhorst heeft dezelfde betekenis als Hilhorst. Maar de naam verwijstóóknaar Hogerhorst; een versterkt huis met een rechthoekige omgrachting dat rond 1157 is gebouwd op een strategisch gelegen zandheuvel ten oosten van de Eem tegenover Soest [8]. In 1528 is het door de Gelderse troepen onder aanvoering van Maarten van Rossum tijdens een strooptocht verwoest waarbij en passant ook Soest het moest ontgelden en een aantal huizen in de as werd gelegd. Hogerhorst werd later herbouwd, doch sinds de afbraak van de "heerenhuijsinge" in 1759 resteert thans alleen nog de bestaande gelijknamige boerderij [9]. Waarschijnlijk heeft Rutger het oorspronkelijke huis enige tijd bewoond want in de tekst van een charter [10] uit 1376 wordt hij letterlijk vander Hoogherhorst genoemd, oftewel 'afkomstig van'. Dit goed viel niet onder de jurisdictie van het gerecht Soest. Hij moet dit klaarblijkelijk vóór 1376 van de hand hebben gedaan want in dat jaar maakte hij deel uit van de schepenbank van Soest, en als schepen diende hij inwoner te zijn van de stad of van het gerecht waar hij zijn ambt vervulde. Zolang er geen andere oudere exemplaren opduiken zullen we het wapen van Rutger van Hogerhorst en Gerrit van Hilhorst maar beschouwen als het oorspronkelijk wapen van het geslacht Hilhorst.

Het wapen Hilhorst in zijn algemeenheid en in het bijzonder
Van Rootselaar schrijft over Eemlandse familiewapens: Zoo voeren de oude geslachten der Heeren van Amersfoort, Wede,Bothvan der Eem (..) Lilaar, Van Westrenen, Zoes (..) Poyt, Hilhorst enz., meestal zes of drie, ook wel twee leliën, in hun wapen [11]
Volgens Hans Nagtegaal, voormalig projectleider van de Heraldische Databank bij het CBG en een autoriteit op het gebied van heraldiek, zijn de wapens van Rutger van Hogerhorst en Gerrit Hilhorst door het vrijkwartier uniek in hun soort. Voor zover hij kon inschatten waren dit vrijwel de enige [12] exemplaren in de regio Eemland met deze specifieke kenmerken. Na raadpleging van eigen onderzoekgegevens kan ik het wapen van Gherwyn Volqwyn Ricoutsz uit (1391 en) 1404[13] daar nog aan toevoegen[14]. 
Op zich komt een zogeheten `wapenbreuk [15] in de vorm van een vrijkwartier al zelden voor, maar Nagtegaal stelt dat het dáárom zo bijzonder is omdat ONDER het vrijkwartier een ander symbool schuil lijkt te gaan! Bij sommige exemplaren is dit letterlijk verbeeld en komt een deel van een lelieblad als een soort rudimentair overblijfsel onder het vrijkwartier te voorschijn[16]. Met andere woorden, het vrijkwartier verhult in onze situatie één lelie. Oorspronkelijk zal het 'stamwapen' uit drie lelies hebben bestaan. Heraldicus René Vroomen is van mening dat het vrijkwartier een middel is dat OF refereert aan een belangrijk bezit of domein, OF om extra aandacht te vestigen op de voorname(re) afkomst van de echtgenote van de wapendrager. In het laatste geval een soort hoofse etiquette. Denk aan het romantische beeld van de uitverkoren ridder die tijdens een toernooi de voile van een jonkvrouwe als mascotte aan zijn harnas knoopte. Is het Andreaslcruis in het wapen van Hilhorst wellicht terug te voeren naar de families Van Liesfelt of Van den Voerde? Zij zegelden met een solitair schuinlcruis, samengesteld uit eveneens vijf aanstotende ruiten, al dan niet vergezeld van een breukteken zoals ster, ring of barensteel [17]. Naar mijn weten zijn ze de enige in Eemland eind veertiende begin vijftiende eeuw die in aanmerking komen. Dat er een relatie zou kunnen bestaan met het wapen van de heren van Lokhorst ligt, naar mijn oordeel, wat minder voor de hand maar uitsluiten doen we dit niet. Hun wapenembleem is een schuinkruis van negen(!) ruiten. Soms ook afgebeeld als een uitgeschulpt schuinlcruis.
Hoe dan ook, het wapen met Andreaskruis nodigt uit tot mijmeringen maar zal het zijn geheim ooit prijsgeven?
Overigens, het Centraal Bureau voor Genealogie heeft losse exemplaren en beschrijvingen in haar collecties die refereren aan het zo typerende Hilhorst-wapen met het vrijkwartier.
Zo bevat de daar bewaarde collectie Muschart een schets van een wapen: Twee lelies, linksboven en linksonder en een vrij kwartier beladen met vier(!) in de vorm van een schuinlcruis gerangschikte aanstotende ruiten[18]. Dit wapen wordt door Muschart omschreven als zijnde een losse afdruk zonder enige persoonsaanduiding maar wordt door hem toegeschreven aan mogelijk een Hilhorst en als zodanig genoemd in combinatie met het wapen van Gerrit van Hilhorst.
Ad Hoeijenbos, vrijwilliger bij het CBG, maakte mij voorts opmerkzaam op de Collectie Alfabetische namen (HAL-HIL) waarin een 'onbekende' Hilhorst[19]. De omschrijving van het wapen komt overeen met de schets van Muschart maar de ruiten zijn niet of nauwelijks aanstotend; lijken verbonden door dunne lijnen! Het gaat om één rond zegel met randschrift: Sigillum Hilhorst en één rechthoekig zegel zonder rand.

De oude stam Hilhorst
De persoon Gerrit van Hilhorst werpt veel vragen op. Van wie is hij de zoon? Meestal biedt een patroniem uitkomst, maar lijkt in combinatie met de familienaam Hilhorst niet voor te komen. Ter overweging: Wie is toch die Gherrit Rycoutsz die samen met Gherrit Werrinc in 1378 een pachtbetaling doet aan het Bisdom voor van der voerweyden tot Zoes van den hoymade (.) om 14 £ en Item den anderen campe had Evert die Man ende Gherrit Rijcoutssoen om: 4 £ 15 s.[20]. Onder dezelfde naam kennen we hem in 1382 als schepen te Soest [21]. We komen hem terloops tegen in afschriften van de Paulusabdij als tijnsgenoot in 1397. Later in 1410 treffen we hem nog aan in de administratie van de Paulusabdij op de lijst van veertien hoeven in Soest met een vierdel in de Vlieghesenghershoeve [22]. Hebben we hier van doen met een Hilhorst? Charters met zijn schepenzegel hebben de archieven helaas nog niet prijs willen geven [23]. Harde bewijzen over zijn afkomst ontbreken maar het patroniem `Ricoutsz' zou een fragiele link kunnen zijn naar een mogelijke familierelatie met die Ricout van Hilhorst uit Stoutenburg of misschien de eigenaar van het zegel met dat andere vrijkwartier, Gerwin Volken Ricoutsz. Voldoende aanleiding voor toekomstig onderzoek.
Gerrit van Hilhorst heeft in ieder geval een aantoonbare binding gehad met Stoutenburg en omgeving. In uit 1390 stammende stukken over een grensgeschil rond het goed Emelaar onder Stoutenburg (dus niet Emiclaar op Hoogland!) komen getuigenverklaringen voor die zijn afgelegd door een Gerijt Hilhorst en een Goe [Godevaert] van Hillenhorst [24]. Omdat zij als getuigen zijn opgeroepen moeten zij goed op de hoogte zijn geweest van de situatie aldaar. Dergelijke lieden waren doorgaans op gevorderde leeftijd vanwege hun parate historisch-topografische kennis. Deugdelijke verklaringen afleggen kan alleen indien zij gedurende langere tijd in die omgeving hebben gewoond of er een bepaalde binding mee hebben (gehad), wat het vermoeden over hun afkomst uit Stoutenburg extra versterkt. Een zoon van Godevaart, Gerrit Godensz van Hilhorst, blijkt in 1419 in de stad Amersfoort zijn domicilie te hebben [25].

De tak Gerrit Gerritsz Hilhorst
Gerrit Hilhorst en zijn nakomelingen zijn allemaal te herkennen aan het wapen met het `vrijkwartier'.
Het wapen uit 1395 vinden we weer terug in het zegel van Gerrit van Hilhorst als schout van het buurtschap Nederzeldert [26] aan een akte uit 1415. In datzelfde jaar [27] en in 1416 [28] werd andermaal zijn aanwezigheid bij de rechtsgang vastgelegd als afdruk in was, maar nu in functie als schout van Soest. Het zegel toont, al naar gelang de kwaliteit van de wasafdruk,het schuinkruis van aanstotende ruiten, onderling verbonden door minuscule lijntjes.
In de periode tussen 1395 en 1416 heeft de zegelstempel vaker dienst gedaan want Gerrit trad ook op als tijnsgenoot. Dat blijkt uit een afschrift van een document uit het jaar 1411. Kennelijk bij afwezigheid van de abt van de Paulusabdij heeft hij tezamen met twee andere vertegenwoordigers persoonlijk gezegeld: ende want wi gherrit hilhorst ende jacob goeden soen (..) als tiinsghenotenso hebben wi desen brief mede beseghelt mit ons seghelen int iaer ons heren dusent vierhondert ende elue des manendaghes na sunte Lucien dach [29].
Het blijft evenwel gissen of de Gerrit die schepen van Soest was in 1395, één-en-dezelfde persoon is als de Gerrit Hilhorst, schout van Soest en Zeldrecht rond 1415. Dit dilemma wordt nog meer versterkt door een zinsnede in een akte uit 1413 [30]: verliede wij de jonghe (!) gherijt van hilhorst tot hi behoef ermghert gherijts dochter van hilhorst sijn zuster. De aanduiding 'de jonge' verwijst meestal naar het bestaan van nog een oudere broer namelijk 'Gerrit de oude'. Niet te verwarren met onze senior en junior in de betekenis van vader en zoon.
Het is lastig te doorgronden wie 'wie' is omdat opeenvolgende generaties telkens zonen kennen die Gerrit worden genoemd.
In 1410 staat Gheryt van Hilhorst `van Zoes ' ingeschreven als buitenburger van Utrecht [31] maar het burgerschap wordt hem in 1414 weer ontnomen omdat hij zijn bijdrage voor dat jaar niet heeft voldaan. Op 3 oktober 1416 ontvangt Gerrit een brief van de Paulusabdij waarin staat dat hij vanaf dat moment keurmede vrij is en geen diensten meer verschuldigd is aan het convent. Vermoedelijk had hij deze verklaring nodig om zich in Amersfoort te kunnen vestigen. Enkele dagen later volgt de aankoop van een huis aan de Camp in den Pothof in de stad Amersfoort en kort daarop de vastlegging van een erfpachtovereenkomst van nog eens een aangrenzend huis met hofstede [32]. De panden van Gerrit Gerritsz van Hilhorst met zijn vrouw Lysbeth (en zijn gezin?) bevonden zich overigens in dezelfde wijk waar ook Gerrit Godensz van Hilhorst woonde [33]. Mogelijkerwijs woonden zij daar niet permanent en heeft Gerrit zijn goederen in Soest aangehouden: 's winters zochten zij de beschutting van de stad en 's zomers trokken zij naar de frisse lucht van het platteland? Over hun verder 'doen en laten' in die stad vernemen we niet zo heel erg veel. Wel werd Gerrit in 1419 gevraagd om als 'voogd' op te treden voor Heer Bertout van denH ove,vicaris van Sunte Johans capelle op ten Camp in den Pothof Is de verhuizing de oorzaak dat hij zijn voormalige functies heeft neergelegd? Nadien leidt de zegelstempel vijftig jaar lang een verborgen bestaan.

Gerrit van Hilhorst van Amersfoort
Vermoedelijk is 'Gerrit van Hilhorst van Amersfoort' van een volgende generatie. Uit een aantekening in het Buurspraakboek van Utrecht blijkt dat in 1455 [34] Geryt van Hilhorst van Amerfoirde vrije toegang is verleend tot de stad omdat hij als tinsgenoot 's abts van St. Pouwels in de abdij werd verwacht. Deze Gerrit maakte, net als zijn voorvaderen, deel uit van het administratieve rechtscollege van de abdij en werd als lid geacht aanwezig te zijn bij uitgiften van erfpacht e.d.

Toen zijn grootvader(?) eind 14e eeuw als tijnsgenoot afreisde naar de Paulusabdij werd het straatbeeld van de stad grotendeels bepaald door houten huizen met hier en daar een stenen pand er tussen. Grote projecten in de directe omgeving van het klooster kunnen hem niet zijn ontgaan. De bouw van de prestigieuze Domkerk was in volle gang en in 1395 was begonnen met de aanleg van de Nieuwegracht. De abdij zelf moet ook imponerend zijn geweest. De rijkdom van dit voorname klooster was af te lezen aan de pracht en praal van het gebouwencomplex waarvan enkele restanten de stille getuigen zijn. De kapitelen op de foto's maken tegenwoordig deel uit van de collectie van het Centraal Museum te Utrecht.

In 1466 wordt de zegelstempel 'afgestoft' want dan wordt door de bisschop aan Gerrit van Hilhorst en aan een compagnon het ambt 'schout van Soest' verleend [35]. Een van zijn zegels is te vinden aan een charter van 25 augustus 1466 [36]. Let wel, de wapentekeningen zijn een gestileerde weergave van het origineel. Bij dit wapen lijkt heraldisch links in de bovenhoek nog een klein roosje aangebracht te zijn.
Tot en met 1470 vervulde hij dit schoutambt. In 1471 werd zijn ambt door een ander ingenomen. Was de pachttermijn verstreken of is hij in ongenade gevallen? Enkele jaren later in 1474 volgde nog een proces tegen hem vanwege een onterechte beslaglegging op turf bij de Melm tijdens zijn ambtsperiode als schout [37]. Geryt Hilhorst scepen tot Zoest in 1520, moet een jongere loot aan de tak zijn [38]. Zijn wapenzegel in groene was vertoont gelijkenis met die van respectievelijk Rutger van Hogerhorst 1376, Gerrit van Hilhorst 1395, Gerrit van Hilhorst 1466 en Aernt Hilhorst 1477, máár met een extra roosje in de schildhoek. De traditie wordt voortgezet door Gerrit Hilhorst Gerritsz, schepen van Soest in 1551 [39]. Dit zegel heeft de eeuwen niet ongeschonden getrotseerd. Er is nog een schepenbrief maar de wapenafdruk is vermoedelijk onder invloed van warmte of 'verdrukking' vervormd. Het vrijkwartier, en met name het schuinkruis, heeft het meest te lijden gehad. Het heeft een onduidelijk reliëf en is nog maar net als zodanig te herkennen. Het wapen is niet centraal gepositioneerd maar linksonder in het zegel. Als schildhouder is een adelaar afgebeeld.

Aernt Hilhorst en zoon
Aernt Hilhorst, die ook tot de Amersfoortse tak zal hebben behoord heeft met intervallen tussen 1468 [40] en 1478 [41] gezegeld. Voor of in 1478 is hij in ieder geval weer teruggekeerd naar Soest want hij was toen schepen aldaar. Zijn wapen laat een kleine anomalie zien voor wat betreft de details in het schuinkruis. De heraldicus Steenkamp heeft een tekening met beschrijving van het wapen gemaakt aan de hand van een (verloren gegaan?) origineel uit 1468: "S: Aernt Hilhorst soen 1468. Zilver met DRIE rode lelies [waarvan dus één verscholen achter vrijkwartier!, RH] met een vrijkwartier van zwart met een goud[?] uitgeschulpt schuinkruis. Helmteken een rode lelie, dekkleed zilver, rood gevoerd ". Met een later vrijwel onleesbaar handschrift is daaraan toegevoegd: "Dezelfde 1477 ..(?) Zoest ...(?)". En een schetsje van een 'geblokt' schuinkruis!
Het wapen dat ik onder ogen heb gehad liet overduidelijk een afwijkend beeld zien: geen schuinkruis van aanstotende ruiten maar een reliëf dat het best is te typeren als een samengesteld patroon van kruisjes te vergelijken met de zogeheten Phillips schroevendraaier. Zie de tekening en foto 1. Toch blijft Amersfoort aan hem trekken.
Hij trouwt met een dochter uit een Amersfoorts gezin Vos en vraagt daarom in 1469 (opnieuw?) burgerschap aan. Even daarvoor had hij zich voor het Amersfoorts gerecht nog moeten verantwoorden vanwege een akkefietje met wellicht een aangetrouwd familielid: peter vos op aert hilhorst sijn mes getogen ende geanxt (.) aert voirseyt op peter tot hem aengetreden sond(er) messe ende malkander ende mit vuyste geslagen [42]. Aernt, zo lijkt het, heeft zich in dit handgemeen stoutmoedig gedragen en zich niet laten verleiden tot messentrekken. Ongeacht rang of stand: kon men zijn gelijk in de verbale discussie niet snel genoeg halen dan werd al gauw de fysieke confrontatie gezocht waarbij wapengekletter heel normaal was. 'Zoveel Nederlanders, zoveel messen' of iets van die geest, luidde het gezegde. Niet alleen steekwapens maar letterlijk alles wat binnen handbereik was kwam van pas: scryffbort, schaets, puthaeck, tictacbort of het bekende serviesgoed".
Aernt Hilhorst had een zoon die als Henrick Both Aertsz door het leven ging. Henrick, geboren ca 1480, zal een zoon zijn uit een later huwelijk van Aernt met een echtgenote uit het geslacht Both! In het manuaal van het morgengeld [44] van het Eemland staat:

Aernt Hilhorst ende Jan Weynck 8 morgen 5 hont Bruuct Henric Aernts Bot 21/2mergen; bruuct Jan Weynck 4 mergen; bruuct Aernt Hilhorst 2 mergen 4 hont.

De hierin genoemde Henric Aernts Bot is de zoon van Aernt Hilhorst. Dit is gebleken uit andere stukken. In 1507 traden onder andere Henric Bot Aernt Hilhorstz en Aert Hilhorst op als getuigen en verklaarden geheel of gedeeltelijk tegenwoordig te zijn geweest bij de verkoop van 2 morgen veenland in Soest door Evert Aertsz aan Jan Weynck en Thonis Albert Nagelsz [45]. En in 1519 werd huisgeld [46] in Soest geïnd en was een van de betalenden Henryck Bot Arntsz Hilhorst. In de Rechterlijke Archieven [47] d.d. 10 januari 1530 staat vermeld: Dat goet van Henrick Bot waar hij op woent ende tlant dat daeranhoert, als dat Aert Hyllhorst toe te horen plach.
Familiewapens werden vrijwel altijd overgedragen van vader op zoon, bij de geslachtsnamen kreeg de vrouwelijke lijn soms de voorkeur boven de mannelijke. Bij Henrick Both Aerntsz blijft de wapenoverdracht een vraagteken. Hij maakte weliswaar van 1528 tot en met 1532 deel uit van de schepenbank van Soest [48] maar zijn zegels zijn jammer genoeg verloren gegaan. Slechts één exemplaar aan een oorkonde zou al genoeg zijn om op basis van specifieke wapenkenmerken zekerheid te verschaffen over zijn afstamming. Misschien zelfs over de tak van moederszijde. Want heel sporadisch werden zowel de naam als het wapen van haar familie gevoerd! Dit kwam ook in Eemland voor, daar zijn enkele voorbeelden van.

De Amersfoortse/Utrechtse tak
Wouter van Hilhorst was in 1436 waakmeester van het stadsdeel Rode Toren [49] te Amersfoort. In een accijnsrekening uit het jaar 1427 wordt hij onder meer genoemd in verband met 'wagenhuur' en later mogelijk vanwege de levering aan of bevoorrading van het arsenaal voor de schutterij: Item vanscutte brengen 1,5 guld. Hilhorst [50]. Je mag aannemen dat hier met scut 'geschut' wordt bedoeld oftewel wapentuig en niet de andere betekenis van 'veeberging' want in diezelfde kolom worden nog andere gevechtsattributen verdisconteerd, zoals cruut scuut in de kelre drogen en verder zwevel en 10 manden pijl.
Wouter kan op zijn beurt een zoon zijn van Gerrit Gerritsz van Hilhorst die in 1416 panden verwierf in Amersfoort. Of was hij een zoon van Godevaert? Wouter was getrouwd met ene Ursula want in 1449 wordt zij als zijn weduwe [51] genoemd. Van deze Wouter is geen zegel bekend. Een Reyer (Woutersz)van Hilhorst, vermeld vanaf 1464, en zijn zoon Wouter Reyersz van Hilhorst waren respectievelijk buurraad en schout in Utrecht Buiten Wittevrouwenpoort. Een eventuele connectie met de Soester familie is voorlopig niet meer dan een stil vermoeden. Wel weten we dat Reyer van Hilhorst in Amersfoort bezittingen had: jan van isselt en jacopgen synewive [dochter van Volken Bot, RH] peter bot volken, gerit bot volken ende lys bet synwivegeven reyer van hilhorst en peternelle synewive den eygendom vander helft van twee hofsteden onderdeilt gelegen buten den roeden toern opten houk van die hellestraet [52]. We spreken dan over het jaar 1479. Voor diezelfde goederen staat Reyer wederom in het transportregister van Amersfoort van 1489 maar nu tezamen met Wonne zijn tweede vrouw en zijn zoon Wouter met Marie zijn eega". Verder komt Reyer van Hilhorst voor in de legger van het morgengeld betreffende de ontvangst uit de zetting van 1470 voor 15 morgen in 'Groot Kovelswaay [54] meven buiten de stad Utrecht.
Vanaf 1464 treedt Reyer van Hilhorst regelmatig op als 'buurraad' van 'Buiten Wittevrouwenpoort'.
Na 1488 wanneer hij zelfs, inclusief patroniem, Reyer Woutersz van Hilhorst wordt genoemd wordt niet meer van hem vernomen. Het was blijkbaar toen geen gewoonte dat de buurraden in dit rechtsgebied zegelden. Van Reyer is dan ook geen wapen bekend.
Zijn zoon Wouter daarentegen heeft gelukkig een behoorlijk aantal zegels nagelaten. De meeste zijn in zeer goede staat. Sinds 1484 drukte hij als schout zijn stempel op de rechtsgang in 'Buiten Witevrouwenpoort'. Zijn laatste wapenfeit dateert uit 1514, dan niet meer als schout maar als een van de zegelaars.

Het wapen van Wouter is ongewoon voor de familie Hilhorst. Het heeft de volgende kenmerken: zes lelies, 2.1.2.1, verdeeld over het gehele veld met, heraldisch links in de bovenhoek, een minuscuul vijfbladig roosje of sterretje. De zes lelies zijn anders gegroepeerd dan bijvoorbeeld die in de wapens van Van Weede, Van Stoutenburgetc.Misschien was het een bewuste keuze, zo'n afwijkend blazoen; niet onrechtmatig en tegelijkertijd een knipoog naar het landgoed te Stoutenburg en de familie van Stoutenburg?
De lijn van deze Utrechtse tak wordt, naar het lijkt, voortgezet door Adriaentgen Reyer van Hilhorstdochter die in 1534 de echtgenote was van ene Peter Jansz van Wijck [55]. Zij zal een kleindochter zijn geweest van Wouter Reyersz, de schout.
Met de vrouw van Wouter Reyersz, Maria, zou het nog slecht aflopen. Als bejaarde weduwe heeft zij een heksenproces moeten ondergaan.
Op maandag 18 augustus 1533 luidde het vonnis: Alzoe maria wouters wedue van hilhorst buyten wittevrouwenpoert bij utrecht over lange jaeren befaemt is geweest dat se toeveren konde(.). Nadat zij had bekend hebben zij haar nek gebroken en is haar dode lichaam op een brandstapel op het Neude verbrand: ende wijsen mitsdesen voer recht dat men dat doede lichaem sleypen sel op een horde optie noede [de Neude, RH] ende werpen 't op 't vuer ende verbernen 't tot asse [56].

Tot zover het eerste deel .
In het eerstvolgende nummer zal een nieuwe reeks wapens van de familie Hilhorst aan bod komen.

Tot slot, de Paulusabdij heeft in de historie van Soest een belangrijke plaats ingenomen en is derhalve enige keren ter sprake gekomen. Wie meer wil weten over de Paulusabdij kan ik de tentoonstelling met topstukken uit binnen- en buitenland van harte aanbevelen.

Op de gewijde grond van de voormalige benedictijner abdij van Sint-Paulus, die zich in 1050 in de stad Utrecht heeft gevestigd, is nu de expositie ...tot in de eeuwigheid - Schatten uit de Utrechtse Paulusabdij te zien. De tentoonstelling is van 3 december 2010 tot en met 29 april 2011 te bezichtigen in Het Utrechts Archief, locatie Hamburgerstraat 28.

Daarnaast is het zojuist verschenen boek De Paulusabdij. Achter de muren van Utrechts oudste klooster van Hein Hundertmark en Kaj van Vliet een aanrader.

NOTEN:
1 Jos G.M. Hilhorst, De Soester familie Hilhorst en het goed van die naam (Manuscript), Oegstgeest 2003.
2 Archief Eemland(AE), Superintendenten BNR 1.02, K16-4, kaart Hilhorst, afmetingen ca 46,5 cm x 67 cm
3 Hilhorst, p.19
4 Het Utrechts Archief (HUA), Sint-Paulusabdij Toegang 85-1 (Pau) Inv.nr. 32, fo 205v-206 tijnsgenoot anno 1437. In 1417 tijnsgenoot Pau 30, fo 342.
5 Op een foto (privébezit, te Oegstgeest) uit begin jaren zestig is het exemplaar van 1395 vrijwel volledig in tact. In een tijdsbestek van amper vijftig jaar is ruim 1/3 deel van het zegel verloren gegaan, het randschrift ontbreekt. Het restant bevat alleen nog twee lelies. De onbeschadigde versie op de foto vertoont duidelijke overeenkomsten met de zegels van Gherijt van Hilhorst uit 1415 en 1416 en het zegel van Rutgher van Hogherhorst uit 1376.
6 Misschien is het beter te spreken van 'ruiten schuinkruis'?
7 In het Eemland zijn daarvan talloze voorbeelden te geven: Henrick van Rijn zegelt met een Poyt-wapen want hij is de zoon van Meijns Poyt! Dirck Poyt Rutgersz zegelt met een Scaep-wapen, zijn vader is namelijk Rutger Aerntsz Scaep, zijn moeder een Poyt! Gysbert Jacopsz van der Mathe zegelt met een eekhoorn, het wapen van zijn vader Jacop Gysbertsz (geen Van der Mathe!), en draagt de familienaam van zijn moeder. Reyner Poyt Gerritsz zegelt met een gewei, het wapen van Gerrit de Wilde (zijn vader!?).
8 A. van Engelenhoven, Boerderij Hoogerhorst in: Amersfoort Magazine, Open Monumentendag 2003, p.14.
9 Voor meer informatie over de historie van Hogerhorst zie: Gérard Derks en Mieke Heurneman, Soest in de zeventiende en achttiende eeuw, Soest 2010: p. 225-229. en J.A. Brongers, Historische encyclopedie van Amersfoort, 1998: p.134
10 HUA, Archief Kapittel Oud Munster, Toegang 223 Inventarisnr. 1404-1.
11 W.F.N. van Rootselaar, Amersfoort, 777-1580, 2din,Amersfoort 1878: deel I, p.7
12 Overige wapens met een vrijkwartier zijn die van Jan Otten in 1414 schepen van Eembrugge (AE,Archief Stichting De Armen de Poth, BNR 100 Inv.nr 979) en van Cornelis Volkensz uit Amersfoort 1552.
13 HUA, Kapittel Sint-Jan Toegang 222 Inventarisnr 1546. AE,Stadsarchief, BNR 1 Inv.nr 3546: Daarin wordt Gerwins vader in 1381 genoemd. Volquiin Ricoutsz had drie hofsteden buiten de 15/etoerne in dieTote, waarop genoemde Volquiin huizen had gebouwd. Mettransfixuit 1391: Volken Rycoutsz heeft aan zijn zoon Gherwiin de huurweer van drie hofsteden buiten de Vyetoeme in de Tuet geschonkenetc.In 1408 verhuurt Gerwin deze goederen.
14 Dit wapen mag hier niet onvermeld blijven. Het is erg verleidelijk te veronderstellen dat het in relatie staat tot die van Rutger en Gerrit want ook hij voert hetzelfde wapen met vrijkwartier, met dit verschil dat het een zespuntige ster bevat in plaats van het Andreaskruis!
15 Jongere zonen en bastaarden brachten een verandering aan of voegden een extra teken toe aan het vaderlijk wapen om zich te onderscheiden van de oudste tak (de oudste zoon) die meestal het oorspronkelijke wapen voerde.
16 AE, APoth Inv.nr. 857, zie: wapen Cornelis Volckensz, anno 1552.
17 AE, APoth Inv.nr 830 Johan van Liesvelde, schepen anno 1369. Stads Inv.nr. 3576-093, schepen van Amersfoort anno 1390. Voorts maal op Hoogland in 1371 en '78. HUA, Kapittel Oud Munster, Toeg. 223 Inv. nr. 2251-6, Vrederick, Gosen en Evert van den Voerde anno 1439.
18 CBG, Collectie Muschart, kaart 45B.
19 Idem, zie ook: Collectie Van Rijn nr 620.
20 K. Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, Utrecht 1926: I, p.9.
21 HUA, KopieboekenKKK505-1, band 1 fo 58r (Sint-Paulusabdij Toegang 85-1 Inventarisnr. 30)
22 HUA, Pau 30 p. 288-289r.
23 AE,Stadsarchief BNR 1, Inv.nr. 3641-099. Een Gerreit Rikout soen zegelt incidenteel in 1411 met een schuingeplaatst zwaard met het heft omhoog vergezeld van twee sterren naast elkaar. Echter, de inhoud van de oorkonde doet vermoeden dat het hier een persoon betreft uit een andere regio dan Soest.
24 S.W.A. Drossaers, HetArchivevan de Raad en Rekenkamers te Breda tot 1581, 7 dln, Den Haag 1955: betreft Nassau Domeinarchief Inv.nr 775 en Regestnr 449. Hilhorst, De Soester familie Hilhorst, p. 19.
25 AEStadsInv.3695-102
26 AE,Archief van het gecombineerd Sint-Pieters- en Bloklandsgasthuis (PBG) BNR 99, Inv.nr. M249.
27 HUA, Bew.Arch. I, Inv.nr. 940-2
28 HUA, Bew.Arch.II,Inv.nr. 2501-1
29 HUA, Pau 30 I' 294v
30 HUA, Sint-Paulusabdij Toegang 85-1 Inventarisnr. 30, Kopieboek p.301
31 HUA, Buurspraakboek jaar 1410, Stadsarchief I Toegang 701-1, Inventarisnr. 16, fo 17
32 AE,Stadsarchief BNR 1, Charter 3583-094Transfix,7 oktober 1416 Overdracht door Mathijs Ghijsbertsz en Wendelmoet zijn vrouw aan Gheriit Gheriits soen van Hilhorst de eigendom van een huis op de Camp in de Pothof te Amersfoort. EnCH3659-100Transfix, 21 oktober 1416 Overdracht door Herman Vos en Alijd zijn vrouw van de erfpacht van een huis en hofstede op deCampin de Pothof aan Gheriit van Hilhorst en Lijsbeth zijn vrouw.
33 AE,Ibidem, Charter 3695-102.
34 HUA, Buurspraakboek jaar 1455, Stadsarchief I Toegang 701-1, Inventarisnr. 16, fo 103
35 HUA, Archief Bisschoppen Toegang 218, Inv.nr. 373-1 fo 104v
36 AE,Archief Sint Pieters- en Bloklandsgasthuis BNR 99 (PBG), M 173a
37 Hilhorst, p.38
38 AE,PBG M 295b en GAS, Dorpsgerecht 1899, Gerryt Gerryt Hilhorstzn schepen in 1567 en 1573.
39 HUA, HSS doos 79, collectie Phillipps 106, Inv.nr. 1515-2.
40 Idem, Collectie Steenkamp/Damstra: Aernt Hilhorst soen, schepen in 1468. Identiek wapen, geschilderd op houten paneel, 19e(?) eeuws. (privé-bezit, te Hoogland).
41 AE,Stads 3958-119, Aernt Hilhorst, schepen van Soest, charter 23-07-1478.
42 AE,Resolutieboeken deelII,fo 243v
43 AE,Stadsgerecht, Inv.nr 423, Keuren en Breuken, 1547-1577, passim.
44 HUA, Archief Staten van Utrecht, 52-1, fo 24v
45 AE,Stads 4116-038
46 HUA, Staten van Utrecht Landsheerlijke Tijd, Toegang 58, Inv.384, p.11
47 Gemeente Archief Soest, RA 1143, fo 84 (voorheen HUA, Dorpsgerechten Toegang 49)
48 AE,Stadsarchief 4324-136 en 4469-164
49 AE, Stadsarchief BNR 1, Inv.nr. 1 Resolutieboeken (1436-1439), fo 37. Een waakmeester was belast met het toezicht op de poorten en de wallen. Rode Toren was een van die wijken.
50 AE, Stadsrekening nr 450, fo 8 en 20.
51 AE,APoth Inv.nr. 701, charter
52 AE, Rechterlijke Archieven Inv.nr 436-1 (deel 1), fo 29v
53 AE,BNR 436-1, fo 197v.
54 HUA, Staten van Utrecht Landsheerlijke Tijd, Toegang 58 Inv.nr. 345, fo 265v
55 Met dank aan Denis Verhoef: Collectie Opstraeten van der Moelen 2.
56 HUA, Stadsarchief I, Buurspraakboek van de stad Utrecht toeg.nr 701-1, inv.nr16, fo 136v

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto