Dit artikel van auteur E. Heupers is eerder gepubliceerd in Neerlands Volksleven, uitgave Zomer 1964
Bovenaan de zuidzijde van de Eng ligt een oude grafheuvel door mensenhanden opgeworpen, midden in het akkerland, in de volksmond bekend als het Enge- of Nengebergje; een terreinverhoging van niet meer dan anderhalve meter, die nochtans „berg" wordt genoemd, zoals zovele heuvels in Gooi- en Eemland. Om het Nengebergje hebben zich sagen geweven, die in Soest nog altijd worden verteld, al verstommen zij nu in onze moderne tijd, waarin naar het schijnt geen plaats meer is voor dergelijke volksoverleveringen. De twintigste eeuw met zijn enorme technische vooruitgang op schier elk gebied maakte vrijwel een einde aan „erfgeruchten" uit een ver en wazig verleden. Somstijds kan er zelfs verband gelegd worden tussen oudheidkundige terreinverschijnselen en het plaatselijk volksgeloof.[1]
Eens was het Engebergje met een zekere devotie benaderd: het werd beschouwd als een overblijfsel uit een andere wereld. Honderden jaren lag het daar op de Eng, bekend aan boeren en daggelders, die er in de wisselende seizoenen hun boerwerk verrichtten en dagelijks gekonfronteerd werden met deze in hun ogen zo geheimzinnige grafheuvel. In de volksmond was het Engebergje niet weg te krijgen. Boeren hebben het geprobeerd weg te ploegen, maar altijd herstelde het zich weer. Zelfs de Duitsers, die in de bezettingstijd hun luchtdoelartillerie op
de Eng hadden opgesteld, hebben eens een poging gedaan het op te ruimen, maar het is niet gelukt.
Dat het „bergje" als iets bijzonders werd beschouwd en men van het bestaan van een graf afwist, blijkt wel uit wat oude Soesders hierover nog weten te vertellen. Hardnekkig gaat het verhaal, dat, daar rond het Engebergje de Enge(r)ling graasde, een legendarisch dier. Verder zou in het verleden -- het—eeen gewoonte of traditie geweest zijn — onder de Soester boeren, dat zij op bepaalde tijdstippen hun paarden in draf of galop rond het Engebergje lieten rijden.
Waarom het gebeurde en in welk jaargetijde deze paardeommegangen dan wel plaats hadden, daarover zwijgen de verhalen. Weer een ander verhaal wil, dat er telkens bij het graf twee of meer ruiters te paard verschenen, die op een hoorn bliezen en dan weer verdwenen. Vader of grootvader hadden het zo verteld, maar het was lang geleden gebeurd en misschien had het wel iets te maken met het Grote Gild (Groot Gaesbeker Gilde van Soest).
Het is niet zo verwonderlijk, dat eenvoudige mensen met een enigszins primitieve aard, lokale, in eigen omgeving voorgevallen gebeurtenissen verwarren met recente geschiedenis, die jonger is en dus vanzelfsprekend een destijds plaatselijk oppermachtige corporatie als het Groot Gaesbeker Gilde hierin betrekken.
Verrassend is echter de relatie tussen het geloof, dat er in het Engebergje een soldaat ligt begraven in een blauwe uniform en met glimmende knopen — gesneuveld tijdens een veldslag op de Eng — en de in werkelijkheid gevoerde militaire operaties, die nog zijn blijven voortleven in de herinnering van het volk.
In het oude Soest bleef men van geslacht op geslacht gebonden aan een vrij geisoleerd gebied, waar het wereldgebeuren langzaam doordrong. Een gebeuren op eigen bodem sprak in niet geringe mate tot de fantasie der bevolking en vond een vruchtbare grond voor verdere sagenvorming. De oude kronieken vermelden meermalen van een vijandelijk treffen tussen de troepen van de Graven van Holland en die van de Bisschoppen van Utrecht, waarin de Soestereng als strijdtoneel wordt genoemd. Op 14 maart 1354 sneuvelt op de Eng, Otto de Lare, de Bisschoppelijke Maarschalk, in een gevecht tegen de Hollanders. Zo was de aloude Eng meermalen de plaats waar veldslagen van historische betekenis werden geleverd en is het dan niet zo verwonderlijk, dat het eenvoudige boerenvolk, deze verwarde en in een tijdperk plaatste waaraan de herinnering nog niet helemaal was verdwenen. Zo komt het, dat het volk tenslotte geloofde, dat er in de oude grafheuvel op de Eng een Franse soldaat lag begraven, gesneuveld in een bloedig gevecht.
In hoeverre deze volksoverleveringen nog een kern van waarheid bevatten zal altijd wel een geheim blijven, waarover de tijd een ondoordringbare sluier heeft geworpen. Zijn er inderdaad paardeommegangen of zogenaamde wijdingsritten gehouden, om of in de nabijheid van het Engebergje! [2] Wij weten het niet en zullen het misschien nooit weten. Wel is er op de Eng in de buurt van de Verlengde Talmalaan — vroeger meer zinvol de Heet(e)akkerweg geheten — een oude zandgraverij, die bekend staat als het Peerdegat. Associatie tussen de voorgaande fragmentarische volksverhalen waarin paarden zijn betrokken met dit Peerdegat is evenmin aanwezig. Het enige, dat nog een aanknopingspunt zou kunnen zijn, is het feit, dat de Oude Kerk (Nederlands Hervormde Kerk) voor de Reformatie in 1580 aan Sint Petrus en Paulus was gewijd. Zo zou een paardeprocessie met de Heilige Paulus in verband kunnen worden gebracht [3]. Zekerheid bestaat hierover allerminst.
In januari 1931 werd het Engebergje aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen door de bekende archeoloog Prof. Dr. A. E. van Giffen uit Groningen, die er opgravingen verrichtte. Tegelijkertijd met het nieuws hierover dook de oude sage weer op in de regionale en plaatselijke pers en de eenvoudige soldaat, die er begraven lag werd op slag een koning of een ruiterhoofdman, een rijk en machtig heer, die op de Eng was gesneuveld in een bloedig en langdurig gevecht en in het Engebergje werd ter aarde besteld. Eens, om de tweehonderd jaar, verschenen er vier ridders te paard bij het graf. In volle wapenrusting reden zij een aantal keren om de grafheuvel heen en verdwenen even geheimzinnig als zij gekomen waren weer voor twee eeuwen. De oude overlevering werd niet nagegaan, noch werd het oor te luisteren gelegd bij het volk, doch het verhaaltje werd zonder meer persklaar opgediend aan een breed lezerspubliek. En weer was er sprake van sagenvorming, ditmaal in de minder goede betekenis van het woord.
De oude sage achterhaalt de mysterieuze sfeer, die het graf ten alle tijde heeft omgeven en tot religieuze gevoelens leidde. De geheimzinnige betrekkingen van de levenden met de doden hebben de gedachten der mensen van oudsher beziggehouden [4] Het verhaal grijpt terug naar een ver, ver verleden en luidt aldus:
Ming moeder was een goed mins. Bar gelewvig. Wullie hadden het aarm in 't Veen (Soesterveen), meer deden niemand te k6t. Zoaterdags gongen ming moeder en ik boodschoppen hoalen in de Kárkebuurt. In die tied woaren door alleen moar winkeltjes, aanders naargens. Vanuut 't Veen gongen wullie over den Eng. Toen had je door nog van die smalle poadjes.
Zo voak as wullie veurbie het Nengebargje kwoamen, zei moeder altied: „Eerbiedig wezen, kingd. Hier ligt een soldoat begroaven". ik m'ast drie keer: „Geloofd zij Jezus Christus" bidden, net zo as wullie deden, wanneer wie langs de kaork goan. Om 't Nengebargje mag nooit eploegd worden en geluud mag er ok niet emoakt worden. 't M6t stil en rustig blieve. De
Soester boeren die door laand hadden, lieten het Nengebargje altied leggen, zo as het er altied eweest het, zo m6st het blieve. Zo vertelde ming moeder ongs kinder vroeger en ik heb het van heur.
Verteld op 16 april 1962 door mevrouw Hendrika (Heintje) van Achterveld-Elschot, wonende Eemstraat 8, te-Soest, geboren te Soest. Beide ouders eveneens te Soest geboren.
Een variant op hetzelfde thema luidt:
Op 't Nengebergje door legt een jongen begraven van een rijke heer, zo wier vroeger verteld. Die jongen was doar gesneuveld of vermoord. Doorom mocht dat bergje er niet weg en het legt er nog net zo as toen. De boeren baten het nog altied zo leggen en ploegen 't niet om. 't Mocht niet weg. De noam van die jongen heb ik ok wel eens gehoord; horen noemen dan, meer ik weet het niet meer.
Verteld op 6-3-1964 door Bernard (Nad) Praag, geboren te Soest 1887, wonende Smitsweg 47, te Soest. Beide ouders geboren te Soest.
Uit het bovenstaande zal duidelijk geworden zijn, dat de sage nauw verband houdt met het volksgeloof, zo men wil: bijgeloof. De oude volksoverleveringen overbruggen een enorme afstand in tijd en reiken wellicht in de prehistorie [5]
Uiteraard zijn er nog andere en meerdere sagen waarin het Nengebergje als plaats van handeling wordt genoemd, een bewijs temeer hoezeer het oude graf steeds de belangstelling had van het volk. In vele van deze verhalen speelt de duivel, die 's nachts in het micldernachtelijk uur over de Eng kwam. De duivelsage, zoals die verteld werd, kreeg een historisch tintje, doordat de belevenis zich afspeelt op het zogenaamde „Geuzenpaadje", een oude volksnaam voor een niet meer bestaand kerkpad over de Eng. De duivelsage heeft de volgende inhoud:
Langs 't Nengebergje liep 't Geuzenpoadje; op den Eigendom kwam 't uut.
Doar bie dat bargje spoekte 't 's oavonds in donker. Er kwam een zwarte duvel over de weg. Die kwam dear altied heen. Ze hebben hum is een keer ezien: 't was een gewoon mens, meer hie had een peerdepoot. Hie kwam van den Eng of en een ouwe Soesder, die dear ok heen kwam, zag hive dudelijk op zich of kommen. Hie vót natuurlijk; hie runde weg, op huus an.
Verteld op 21-12-1962 door wijlen de weduwe Jans Koppen-Tolboom, geboren te Soest 1875. Beide ouders van haar waren geboren Soestenaren.
Het volksverhaal wisselt met de geslachten, al kan het voor lange tijd een zekere vastheid verkrijgen [6], zoals hier het geval is: de herinnering aan een gesneuvelde soldaat is blijven voortleven. Dergelijke herinneringen in de lokale sagen staan niet alleen. Treffende en talloze voorbeelden zijn bekend waarin volksoverleveringen zijn verbonden aan archeologische monumenten, waarvan wij er hier enkele zullen laten volgen:
Uit bovenstaande voorbeelden — die nog met meer dergelijke volksoverleveringen zou zijn uit te breiden — blijkt weer, dat deze verhalen uit de oude voortijd later bevestigd werden. Het resultaat van het onderzoek door Prof. Dr. A. E. van Giffen ingesteld is niet gepubliceerd geworden. (Zie: Een kwart eeuw Oudheidkundig Bodemonderzoek in Nederland (gedenkboek A. E. van Giffen, Meppel, 1947) waarin een opgave van de opgravingen, door Prof. Van Giffen in de provincie Utrecht verricht). Zeer waarschijnlijk is tijdens de opgravingen iq het Engebergje aan de regionale en plaatselijke pers het navolgende bericht verstrekt:
Het Enge- of Nengebergje.
| Ligging | Op het hoogste punt van de Soester Eng. |
| Constructie | ligt op de oerlaag -± 30 cm onder het tegenwoordig oppervlakte. Is opgebouwd uit roodachtig zand met kiezel. |
| Graf | In het midden van de heuvel in een strekking w. ten noorden — oost ten zuiden ligt het graf van een onregelmatige langwerpige vorm. Dit graf is ongeveer 40 6. 50 cm ingezonken in den oerbodem.. In het graf werd gevonden het silhouet van een lijk in zogenaamde hurkhouding, liggen op de rechterzijde. Er werden in het graf geen bijgaven gevonden. Het graf dateert waarschijnlijk uit het neolithicum of latere steentijdperk of, in jaren, -± 2000 voor onze tijdrekening. |
De volksoverlevering overbrugt hier ± 4000 jaren een echo uit een ver verleden, die nog naldinkt in onze tijd, 1964. Leefde de krijgsman meer dan 4000 jaren voort in de verbeelding van de Soestenaren? Generatie na generatie moet de kern van het verhaal hebben doorgegeven. De spade — het wetenschappelijke onderzoek — opende het Engebergje en inderdaad bleken er menselijke grafresten aanwezig te zijn. De mogelijkheid is dus niet uitgesloten, dat hier inderdaad een krijgsman werd begraven; welk gebeuren een zo diepe indruk bij de toenmalige bevolking heeft achtergelaten, dat de sagenvorming alleszins is te verklaren. Interessant is het mischien te veronderstellen (maar wat al te gewaagd, daar grafgiften
niet werden gevonden), dat de „soldaat" zou kunnen behoren tot het zogenaamde „strijdhamervolk", dat leefde in het Neolithicum. In „De voorgeschiedenis der lage landen", door dr. S. J. de Laet en dr. W. Glasbergen, (Groningen 1959), wordt het niet voor onmogelijk gehouden. Wij citeren:
Juist de dragers van de strijdhamerculturen behoren tot de bewegelijk hérdersstammen, die zich snel verspreiden over uitgestrekte gebieden. In Nederland begroeven de dragers van de standvoetbekers hun doden in een ondiepe grafkuil, meestal liggend op een zijde, met opgetrokken knieën, en doorgaans vergezeld van een met teerkost gevulde beker en een of meer andere voorwerpen. Van de begravenen is in den regel in de zandgrond niets anders bewaard gebleven dan de donkere aftekening van de beenderen, het „lijksilhouet". De merkwaardige bijzettingswijze, met opgetrokken knieën, was bij verschillende neolitische kulturen in zwang. Dikwijls is over het graf een kunstmatige heuvel opgeworpen.
Het Engebergje beantwoordt volkomen aan deze beschrijving, al ontbreken grafvondsten, die wellicht meer opheldering hadden kunnen geven. Het is echter niet uitgesloten, dat zogenaamde „schatgravers" de heuvel reeds vroeger hebben doorzocht, gezien de opvallende heuvel in het landschap, waardoor de bijgraven — als die aanwezig waren — zijn verdwenen. Maakte het strijdhamervolk gebruik van het paard als rij- en trekdier? Waren het de eerste paardentemmers, zoals wel eens wordt beweerd? Overrompelden deze primitieve herders- en jagersstammen vanuit hun aziatische steppen West-Europa, gezeten op hun strijdrossen?
En wanneer deze gebeurtenissen zich in werkelijkheid hebben voorgedaan, dan kan men zich voorstellen, welk een indruk deze mannen-op-paarden in onze streken gemaakt moeten hebben en valt er een merkwaardig licht op de oude volksoverlevering aangaande het Engebergje. De orale overdracht kan een bericht zijn uit een tijd 3000 á 4000 jaar geleden, dat de ene generatie trouw aan de andere heeft doorgegeven, eeuwen en eeuwen lang.
NOTEN
[1] De voorgeschiedenis der lage landen, door Dr. S. J. de Laet en Dr. W. Glasbergen, Groningen 1959.
[2] K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België, 's-Gravenhage 1949.
[3] Vgl. ook J. H. Kruizinga, Levende Folklore (z.j.).
[4] Vgl. Dr. Elisabeth Schlicht, Volkskunde en archeologie in „De bijl in de baanderboom", volkskundige opstellen over de landschap Drente en de aan haar grenzende gewesten.
[5] S. J. van der Molen, Levend Volksleven, Assen 1961.
[6] Dr. Tj. W. R. de Haan, Volk en Dichterschap, Assen 1950.
[7] Bovenstaande mededelingen werden welwillend verstrekt door S. H. Achterop, Bachweg 20c, Amersfoort.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.