
Uit Neerlands Volksleven, 1965
Auteur E. Heupers
Bij de oude bevolking van Eemland, vooral te Eemnes, Hoogland en Soest, zien wij een verknochtheid aan het voorvaderlijk geloof, d.i. het christelijk roomskatholiek geloof, zoals dat eeuwenlang van vader op zoon is overgeërfd. Het is zodanig ingeworteld, dat het een beslissende faktor is voor het voortbestaan van sommige instellingen en gebruiken tot in onze tijd, die zich hebben weten te handhaven, ondanks de storm der Reformatie, die over hen is gegaan. De bevolking van Eemland is katholiek gebleven, behoudens Bunschoten - Spakenburg, dat als een protestantse (gereformeerde) enklave in dit gebied kan worden beschouwd. Er leven nog vele gebruiken, terwijl eeuwenoude korporaties als het Sint Aagten Schuttersgilde of Groot Gaesbekergild en het Sint Annagild te Soest en Baarn tegenwoordig nog een grote plaats innemen en uit het yolksleven eenvoudig niet zijn weg te denken. Zij hebben zich weten te handhaven, al waren er die de druk der tijden niet konden weerstaan en moesten verdwijnen, o.a. te Woudenberg waar het Sint Annagilde reeds lang is opgeheven.
Hoézeer de bewoners van het oude gewest aan hun godsdienst waren gehecht en hoe men in 1580 zich verzette tegen de aanhangers van „de nye lere" blijkt, wanneer in genoemd jaar de katholieke eredienst door de Staten Lands van Utrecht wordt verboden. Men was zo weinig met het bedrijf der beeldenstormers ingenomen, dat te Leusden de boeren te wapen liepen en de Calvinistisch gezinden — belust op plundering en beeldbreken — op de vlucht joegen [1].
Verzet bleek echter nutteloos en de boeren van Leusden dolven tenslotte toch het onderspit [2]. Te Soest zal men bij gerucht vernomen hebben van de nadering van de beeldbrekers en ingezien, dat tegenstand hier toch niet baatte, waarop men de heiligenbeelden zelf uit de kerk heeft verwijderd en verborgen in een moeilijk vindbaar torenvertrekje, dat men inderhaast heeft dichtgemetseld. Bij de restauratiewerkzaamheden aan de toren in 1906-1916 kwamen zij weer te voorschijn.
Bezien wij het interessante schrijven van Jan Kalf, hierboven reeds geciteerd, nog eens nader, dan blijkt dat onder de beelden zich twee mansstatuetten bevonden, die onmiddellijk als de H. H. Petrus en Paulus waren te herkennen.
Dit behoeft geen verwondering te wekken, wanneer wij weten dat de Oude Kerk (Nederlands Hervormde Kerk) aan deze Apostelen was gewijd. De gewoonte een godshuis aan een heilige toe te wijden kwam tegen het einde van de vierde eeuw op en het waren vooral die heiligen, die men al van de vroegste tijden in de Kerk vereerde. Daartoe behoorden in de eerste plaats zij, die in nauwe betrekking tot Christus gestaan hebben: de H. Maagd Maria, de H. Johannes de Doper, de Apostelen, vooral St. Petrus en St. Paulus en de eerste martelaar Stephanus [3]. Zonder ons te wagen aan een juiste datering van de bouw der kerk (14de eeuw), mag hieruit toch wel worden afgeleid dat te Soest reeds vroeg een kerk is gesticht; misschien niet direkt in zijn huidige vorm, toch langzamerhand uitgroeiend naar de gedaante, waarin wij haar thans kennen.
De vondst bestond uit vijftien losse beelden en groepen waaronder naast de heiligen Petrus en Paulus ook een houtskulptuur voorstellende Sint Anna of een Anna te Drieën, de moeder van Maria, de grootmoeder van het kind Jezus, die met de beide apostelen de belangrijkste en de oudste waren. In de Middeleeuwen .dienden de beelden alleen, om aan de eenvoudigen, die de Schrift niet kenden, te tonen wat zij moeten geloven. Zij zijn de boeken der onwetenden [4] .
Jammer genoeg wordt niet vermeld of er een beeld of de resten zijn gevonden van Sint Aagten. Deze vrouwelijke heilige wordt aangemerkt als de schutspatronesse van Soest.
In de Costumen en Usaniiën van Soest lezen wij:
Noch soe kommen dye gildebroeders oeck op Heylick-Sackramentsdach
ende op Sint Aechtendach altesamen te kercken, ende hoeren die mijsse;
ende weel op deese dagen te karcken neyt kompt, die verbuert een tonne
byers van XII stuyvers tot profijt van dat gild. Noch seggen zij getuygen,
dat men op deese dagen hoechtijden binnen den doerpe van Soest vyerdt,
ende Sijnt Aechtendach woordt van den pastoor verkundicht te vyeren
als den Paesdach ende als wesende patronisse van den dorpe,...[5].
De cultus van Sint Aachten en Sinte Anna bereikte zijn bloei in de 15de en 16cle eeuw°). Al ontbreekt Sint Aachten onder de teruggevonden beeldenschat, zij zal stellig toentertijd een bijzondere verering hebben genoten. Of er voor Sint Aachten of Sinte Anna een altaar was opgericht, weten wij niet, maar het feit alleen al dat tot op de huidige dag, zowel het Sint Aagten Schuttersgilde (later werd de naam van Van Gaesbeek hieraan toegevoegd) als het Sint Annagilde of Kleine Gild beide zijn blijven voortbestaan door de geloofswil der oude
Soestenaren spreekt voor zichzelf. Nog wordt op of omstreeks 5 februari, de naamdag van de heilige, een mis opgedragen ter intentie van alle levende en overleden gildebroeders. In oude papieren en bescheiden 'van het Sint Annagild (in partikulier bezit) lezen wij, dat aan de pastoor in 1833 werd gegeven f 12,50 „voor missen & Kaarsen voor de Nieuwe Ingangers". In 1845 vonden wij: „voor Kerkelijke diensten & de Zangers f 9,00".
Naast deze heiligen die waarschijnlijk het meest in aanzien zullen hebben gestaan, zijn er nog andere aan te wijzen — in rangorde misschien lager, doch niet minder geliefd bij het volk. En hier doelen wij op die heiligen die algemene bekendheid genoten, met name noemen wij Sint Laurentius, Sint Marcus, Sint Antonius en Sint Willebrordus, die niet weggedacht kunnen worden uit het dagelijks leven van eenvoudige lieden, die bleven geloven aan hun voorspraak in voor- en tegenspoed. Toch gaat men niet meer zoals vroeger met de
heiligen het hele jaar rond [7], al vervult het kruisteken nog een voorname rol in het leven, evenals het wijwater, waaraan veel waarde wordt toegekend. Nog maken in de dorpen van Eemland oude katholieke vrouwen en ook nog wel jongeren, met het broodmes het kruisteken over elk nieuw aan te snijden brood.
Van oudsher was het in katholieke gezinnen gebruik als vader of moeder het twaalfpond zware roggebrood (een twaalfsponder) aansneed, dat hierop eerst het kruisteken werd gemaakt. Men hield het voor de borst en met het grote broodmes werden er dikke sneden afgesneden, die met reuzel of fijngewreven aardappels (boter was niet te betalen) bestreken hun weg vonden naar de altijd hongerige magen van de kinderen. Was moeder ziek of had zij er geen tijd voor, dan verrichtte vader dit werkje. Bij dit ritueel werd dan eerst de pet
afgenomen. En nadat hij het kruisteken had gemaakt, werd het hoofddeksel snel weer opgezet. Dit oud-Christelijk gebruik is wel sterk verminderd, al zijn er nog velen die hieraan vasthouden en nooit zullen nalaten op die wijze het brood te zegenen. Jongeren hechten er weinig waarde aan. En als moeder aan haar gewoonte vasthoudt, wordt er nog wel eens schamper opgemerkt: „Och mens, hou er toch mee op, 't is er ingebakken". Anderen blijven hiermee doorgaan: „Zoals ons moeder het deed, zo doe ik het nog", werd ons verteld.
Wijwater is haast vanzelfsprekend in elk vroom katholiek gezin aanwezig evenals een gewijd palmtakje. Nog is het gebruik niet verdwenen in Eemland, dat de boeren hun koeien, wanneer zij in het voorjaar de weide ingaan, met wijwater besprenkelen door middel van een palmtakje en tegelijkertijd hiermee het kruisteken maken tussen de horens. Het laatste restje wordt over de laatste koe die de stal verlaat uitgegoten. Het voorkomt ongelukken en ziekten bij het vee.
Toch zijn er nog boeren die hun vee nooit op een maandag de weide in zullen laten gaan, want er zijn vier ongelukkige maandagen in het jaar en... je kunt het nooit weten. Naast het Christelijke vinden wij hier ook een restant van het oer-oude heidengeloof, dat bij de jongeren echter totaal is verdwenen en alleen bekend .Was aan een oudere generatie. Bij onweer werd vroeger het hele huis „ofewi'jd", ging de boerin het hele „huus" rond, langs de stallen, de varkenshokken en op de deel waar de koeien stonden. Bij armere mensen, die er alleen
een geit op nahielden, werd zij bij zwaar weer zelfs niet vergeten. 't Was ook een creatuur van Onze Lieve Heer, werd er gezegd. Was het onweer bijzonder hevig, donder en bliksem niet van de lucht, dan werd in sommige gezinnen de H. Donatus aangeroepen, overigens een heilige die in Eemland pas later bekendheid kreeg. Werden de paarden 's nachts door „de nachtmerrie" bereden, iets waaraan toen nog vele boeren geloofden, dan werden de paarden en niet te vergeten de stal met een dosis wijwater gezegend. Protestanten *namen hun
toevlucht ook wel eens tot dit middel, onder het motto: „Baat het niet, het schaadt ook niet". Een Nijkerker boer, hoogbejaard, rechtzinnig in de leer die trouw zondags twee keer ter kerke ging, vertelde ons in vertrouwen, dat hij vroeger weleens wijwater had gebruikt, wanneer zijn vee ziek was. De hulp van een veearts was toen niet te betalen en men dokterde vaak zelf of riep de hulp in van een buurman die er enig verstand van had. Allerlei huismiddeltjes werden toegepast, die het zieke beest tegen wil en dank moest slikken, opdat
het toch maar beter zou worden. Hielp dit niet, dan, zo vertelde onze „Niekarker", trok hij lopend naar Amersfoort, naar de stad om bij de pastoor aldaar „wiewoa.ter" te halen, nadat hij de geestelijke had verteld waarvoor het moest dienen, doch heimelijk had verzwegen, dat hij niet katholiek was. Het werd gratis voor dit doel verstrekt en „'t Hulp altied, de koei'j wier zo beter". Lang niet allen waren overtuigd van de wonderkracht van wijwater,. waarvan werd gezegd, tilt het gemaakt werd van in de maand maart gevallen sneeuw.
De liturgie is de eigenlijke wegbereider van een heiligencultus. Vooral de plechtige viering van een feestdag van de kerkheilige, waardoor het volk niet gemakkelijk van de beschermheilige scheidde [8]. Sint Marcus, Sint Antonius, Sint Jan en Sint Laurentius waren ware volksheiligen, die niet alleen in Eemland, maar overal elders in katholieke streken in ons land vereerd werden en betrokken waren bij het zaaien, poten, rijpen der vruchten; het terugvinden van verloren gegane voorwerpen; bij het weer en bij brandwonden. Bij voorkeur moest andijviezaad worden gezaaid drie dagen voor Sint Jan (24 juni) of drie dagen daarna, wilde men goede andijvieplanten verkrijgen om verder uit te poten.
Waarschijnlijk werd door invloed van het protestantisme dit gezegde verbasterd en de langste dag (21 juni) hiervoor in de plaats gesteld. Vanouds, zo werd ons bevestigd, was het Sint Jan en hield men zich aan diens naamdag. In Eemnes zegt men nog:
Met Sint Jan,
Zitte de rauwe pruume d'r an.
De pruimebomen zetten dan vrucht en men kon zien of er dat jaar veel of weinig pruimen zouden komen.
Naast Sint Jan vinden wij Sint Marcus en Sint Laurentius, die in aanzien stonden bij de boerenbevolking. Sint Marcus (25 april) werd nogal eens aangehaald, wanneer men er toe overging vroeg (soms al te vroeg) bonen te poten. Een vrij vroege datum, waarbij men de kans liep, dat zij door nachtvorsten bevroren en opnieuw gepoot moesten worden. Een alom bekend gezegde is:
Wie vroeg bonen wil eten;
Moet Sint Marcus niet vergeten.
Sint Laurens (10 augustus) speelde een rol van betekenis bij het knollenzaaien.
Dat moest voor of op die datum gebeuren, anders zou het gewas mislukken. De boer die zich aan de 10de augustus hield kon een goede knollenoogst verwachten. Er zijn nog wel zegswijzen in omloop die hieraan herinneren. Zo hoorden wij te Soest en Eemnes meerdere malen:
Wie knollen wil eten;
Mag Sint Laurens niet vergeten.
En met een variant hierop:
Je mót ze zaaien voor Laurens,
Anders eet je rauwe knollen in de pens.
Knollen, vroeger vooral boterknollen was een smakelijk volksgerecht, dat alleen in het najaar werd gegeten als de veldvruchten van het land in die tijd geoogst werden. Meermalen werden in de tuin of het hofje bij de boerderij, voor eigen gebruik, een hoekje boterknolletjes ingezaaid, omdat zij zo smakelijk waren. De boterknollen hebben het veld moeten ruimen voor de zowel kwalitatief als kwantitatief betere voederknollen. Soesterknollen genoten vermaardheid en waren een graag gegeten groente. Als landbouwprodukten te Soest worden in 1815 vermeld: Rogge, Boekweit, Haver, Aardappelen, Knollen. Welke laatste door de voortreffelijkheid in smaak alom gedebiteerd worden [9].
De bijenhouders en imkers was Sint Laurens ook niet onbekend, want op zijn naamdag werden de bijen „geslacht" d.w.z. de honing moest worden geoogst.
Op Laurens / Moeten de bijen op hun pens.
Dit gezegde betekent, dat de bijen na de boekweitdracht gedreven worden [10]
Dezelfde heilige werd aangeroepen bij brand en wanneer iemand zich ernstig had verbrand. Wanneer men zich had gebrand aan vuur of kokend water en het getroffen lichaamsdeel brandwonden vertoonde, dan werden eerst de gewone huismiddeltjes toegepast, die aan een ieder bekend waren. Hielp dopen in verse melk of koud water niet meer en leed de patiënt nog ondragelijke pijnen, wanneer men nog eens het verbrande lichaamsdeel zo dicht mogelijk bij het vuur had gehouden (Dr. M. A. van Andel, sympathie) en faalden al deze middeltjes,
dan probeerde men het met een brandbriefje en werd „de pien" zogenaamd „ofelezen”. Was men niet in het gelukkige bezit van een dergelijk briefje, dan werd het bij de buren gehaald van wie men wist, dat zij het hadden en in voorkomende gevallen wel uitleenden. Dit epistel moest worden overgeschreven door het slachtoffer zelf, liefst met de verbrande hand, want dat was een absolute voorwaarde wilde men van sukses verzekerd zijn. Een kind dat de schrijfkunst niet machtig was of een analfabeet, die niet lezen of „schrieve" kon, werd de hand vastgehouden en op die manier werd het briefje met de zonderlinge woorden meer getekend dan overgeschreven. Was een been of een ander lichaamsdeel verbrand, dan hinderde dit niet en kon men het gewoon overschrijven.Twee van deze magische briefjes werden ons getoond in Hoogland en te Eemnes waar zij in het kabinet werden bewaard. „Want", zo werd gezegd, „je kon 't nooit weten. 't Kan nog wel eens weer te pas komme".
Kuriositeitshalve laten wij ze hier volgen; eerst het brandbriefje uit Eemnes:
BRANDBRIEFJE
te leze voor brand
zelf schrijven
Jezu ging aalthaksland
leuslette zijn Julte
Dumat erge de Juli'
erebrand
J.H.S.
Het briefje uit Hoogland luidt:
Jezu Jeng auk hals
land ben ziek ke
Zijne Jeel te Jeel damit
oogef de sze brand
J.H.S.
Beide briefjes zijn ongetwijfeld varianten van de Laurentius-Brandsegen, waarover een artikel in het Romansbuchlein van Adolf Spamer (Berlin 1958) staat.
De formule luidt: „Vor den Brand, Unser lieber Herr Jesus Christ, ging aber land, da sah er brennen einen Brand, da lag St. Lorenz auf einem Rost, unser lieber Herr Jesus Christ kam ihm zu Half und Trost, er hub auf seine göttliche Hand und segnete ihm den Brand, er hub dass er nimmer tiefer grub und weiter um sich frass, so sei der Brand gesegnet in Namen Gottes des Vaters, des Sohnes und des heiligen Geistes. Amen". In de afgelopen eeuwen is de tekst van het briefje verminkt en hij kan niet meer worden ontcijferd. (De oudste tekst dateert al uit de vijftiende eeuw). Het onderschrif J.H.S. bestaat uit de beginletters van het Griekse woord „Jezus", waaraan in de loop der eeuwen verschillende betekenissen zijn gehecht: in hoc signo - Jezus, Heiland Saligmaker en ook: Jezus, hart, smart. [11]
Sint Laurentius wordt aangeroepen bij brand en brandgevaar; hij stierf als martelaar de vuurdood. Hij is de patroon van koks en herbergiers, die dikwijls een rooster gebruiken om vlees te braden; Sint Laurens werd ook geroosterd. Hij is ook de beschermheilige van „al die met de penne werken" omdat hij te Rome de rollen hield van de behoeftigen [12].
Sint Ambrosius vonden wij terug in een oud boerderijtje, dat vroeger „achter den Eng" was gelegen (nu Laanstraat) te Soest, alwaar twee tegeltableau's in de haard zijn aangebracht, voorstellende een herder met zijn schapen aan de ene zijde en aan de andere zijde: de heilige Ambrosius. Deze heilige is de schutspatroon van de imkers en bijenhouders. Van oudsher hielden de boertjes en schaapherders die Achter den Eng woonden zich bezig met de imkerij, dan is het aannemelijk dat zij hem als hun beschermheilige kenden en vereerden.
Deze bijzondere verering van Sint Ambrosius komt wel zeer tot uiting in het aanbrengen en versieren van de woning door een tegeltableau met zijn afbeelding.
De heilige werd ca 335 te Trier als zoon van èen prefekt geboren. In 373 werd hij stadhouder van Noord-Italië en later koos men hem te Milaan als bisschop. Hij was een beroernd kerkleraar, organiseerde o.m. de liturgische kerkzang. Hij stierf in 397: kerkelijke feestdag: 7 december [12].
Het was blijkbaar een goede gewoonte »de heerd" te versieren met kleurige tegels en tegeltableau's. De grote, aanzienlijke boeren een boer (met hoge hoed) een paard aan de teugel vasthoudend of een boerin met een koe — bepaald een geliefkoosd onderwerp, want wij zagen ze zowel te Soest en Eemnes als in Hoogland. Daarnaast vinden wij de huisdieren afgebeeld: hond, en kat. Verder religieuze voorstellingen zoals: „Het laatste avondmaal", „De kruisiging van Christus", „Christus' Hemelvaart" en „Abrahams Offer" naast een aantal heiligen: Sint Ambrosius, Sint Augustinus en Sint Willebrordus, een der eerste Christenpredikers in ons land. Het tegeltableau met de voorstelling van Sint Willebrordus is afkomstig uit een oud boerderijtje in Soest, waarvan de muurankers samen het jaartal 1732 vormen. Het is hieruit verwijderd en overgebracht naar een woning met een modern aandoend interieur. De meeste tegels zijn van een paarse (mangaan) kleur, „
Willebroddus" zoals er onder staat is uitgevoerd in een donker paarse kleur, zijn mantel is van een diep blauw met gouden lovertjes overdekt 'en met een gele band afgezet. Mochten al deze heiligen bij de oude bevolking in meer of mindere mate zich een verering laten welgevallen, de aanbidding en verering van de
Heilige Maagd Maria overtreft al de apostelen en martelaren der kerk. De grondslag van deze bijzondere genegenheid mag misschien worden gezien in het feit, dat in de Middeleeuwen te Soest het klooster „Mariënburg" van de Orde der Heilige Birgitta van Zweden was gevestigd. Het was voor het midden der vijftiende eeuw, vooral met
medewerking van Jacob van Gaesbeek, Heer van Abcoude, van Putten en van Strijen gesticht [15]. De Heilige Birgitta stichtte in 1344, ter ere van Christus' lijden en zijn allerheiligste Moeder, het klooster Mariënkron te Vadstena (Zweden) 16). Dit vond in Nederland navolging. Na het oudste konvent te Coudewater te Rosmalen bij 's Hertogenbosch, volgde het Goudse klooster Mariënsterre, Mariënburg te Soest, Mariënkamp te Kampen, het konvent te BrieIle Mariën-ouwe of Mariën-akker geheten en het konvent van Onzer Lieve Vrouwe
Wijngaard in de Oude DeIle, of Mariënwijngaard te Utrecht"). Het kloosterleven toch was van zeer grote betekenis in het leven der Middeleeuwen; in de zich toen ontwikkelende maatschappij onmisbaar, iets waar het gewone volk met eerbied naar opzag en dat een diepe indruk moet hebben achtergelaten. Het oude klooster Mariënburg — de naam leeft nog voort in het bekende rust- en verpleeghuis Nieuw-Mariënburg te Soestdijk — zal zeer zeker in die tijden het zijne er toe hebben bijgedragen, dat het yolk in de Heilige Maagd Maria haar
beschermster en toeverlaat is gaan zien. Deze verering vinden wij terug, wanneer wij de beschrijving nog eens weer lezen van het verloren gegane „Marianum", dat eenmaal — voor 1580 — in de Oude Kerk van Soest moet hebben gehangen en dat tegelijk met de andere heiligbeelden is verborgen. Twee Madonnafiguren behoren namelijk bijeen en hebben een zogenaamd Marianum gevormd, een „Onze-Lieve-Vrouw in de Zon", gelijk de Middelnederlandse teksten het noemen, dat is een meestal in de kruising der kerk hangend beeld aan
voor- en achterzijde de Madonna vertonend, omgeven van een ovale stralenkrans. Men heeft zich de beelden voor te stellen met de ruggen bevestigd tegen een verguld houten ovaal, waaruit naar alle zijden stralen schieten [17].
Niet alleen werd de Heilige Maagd Maria in de kerk vereerd, doch wij vinden deze verering ook terug bij het yolk. De als onkruid opschietende Mariadistels (Silybum Marianum) worden in Eenland nog altijd gezien als planten van de Moeder Gods. Men ruimt ze niet op en laat ze staan tussen de groenten en bloemperken waar ze elk jaar opnieuw te voorschijn komen. Arie Kamerbeek aan het Kerkpad te Soest heeft er ieder jaar nog een paar staan in een verloren hoekje, waar hij nooit spit of schoffelt. Hij laat ze staan zolang hij blijft leven.
Zijn moeder zei vroeger, toen hij nog maar een kleine jongen was en nu is hij er 87 al: „Die mó't je bate stoan. 't Beschaarmt 't huus teuge onweer".
In Hoogland aan de Hamseweg zagen wij (26-VII-1963) de lichtgroen gekleurde Mariadistels met de witte vlekken • op de bladeren tussen de bonenbedden en tussen de paadjes staan. Sandbrink vertelde dat de Mariadistels vroeger algemeen bekend waren en in Hoogland haast bij iedereen in de tuin stonden. Ze beschermden tegen blikseminslag. Een protestantse vrouw te Nijkerk wist zich nog te herinneren, dat in haar woonplaats vroeger overal in de tuinen van katholieke mensen Mariadistels stonden die niet als elk ander onkruid uitgewied mochten worden, daar zij geluk aanbrachten. De eigenlijke betekenis die aan deze planten werd gegeven, schijnt in de loop der tijden vervaagd of geheel verdwenen te zijn. Volgens de legende waren de bladen oorspronkelijk groen en kregen zij hun melkwitte vlekken, doordat de plant een druppel van Maria's moedermelk opving toen zij aan het kindeke Jezus de borst gaf. Het Christelijk element treedt hier sterk op de voorgrond en de volksnaam voor deze plant wortelt in een eenvoudig en waar geloof' [18]
Met betrekking tot de heiligen die in de tijden van de Hervorming op hoog bevel uit de kerken moesten verdwijnen, zijn in Eemland onder het volk nog sagen in omloop die hieraan herinneren. Op 11-XII-1963 hoorden wij te Soest vertellen, door een hoogbejaarde vrouw:
In Soest stoat de Ouwe Kark, die hoorde heel, heel vroeger an de roemsen; meer dat is al lang eleje.
Doar buute, achter de kaark mót toen een beeldje hebbe estoan, dat sting er al z'n leve. Ze konden het niet wegkriege wat ze o'k prebeerden. 't Gong niet! ! Ze hadde er al wat anedaon, moor iedere keer a's dat ze 't begroeve of verstopten; de aand ere dag sting het weer op z'n ploats. 't Was een heilige of zo iets. Moar 't wier altied verteld en a's ze liege,
dan lieg ik o'k.
Te Achterveld hoorden wij het vorige jaar (10-XII-'64) iets dergelijks:
In Amersfoort in de kerk op den Hof door hebbe ze vroeger geprobeerd om de kruusweegstatie weg te doen, te verstoppen of te breke; meer die kwam altied weer veur de dag. Alles hebbe ze er anedoan, meer die kruusweegstatie, die bleef, konde ze niet wegkriege. Hie mót er nog zitte, zegge ze.
In Hoogland hoorden wij op 21 augustus 1964 het volgende:
De kerk op de Hof te Amersfoort, de Sint Joris, die hoorde vroeger aan de roomsen toe. Die zal weer terugkomen an de roomsen ook, want, ze hebt op 'n keer — toen niemand in de kerk was en de deur op slot at — het „Venecreater" horen zingen. Dat zegt genoeg. De kerk gaat een keer terug naar de roomsen, waar hie vroeger van hoorde [19].
Deze volksoverleveringen zullen waarschijnlijk stammen uit de roerige tijden der Reformatie, toen het volk gedwongen werd afstand te doen van het oude geloof en zijn heiligen, en toch niet kon geloven dat hieraan voorgoed een einde was gekomen. Begrijpelijk dat dit aanleiding werd tot sagenvorming van dien aard. Uiteraard zijn deze volksverhalen nog bekend bij een oudere generatie, geboren voor de laatste eeuwwisseling; jongeren hebben hiervan geen weet.
Hoezeei het oude geloof bleef voortleven zelfs bij niet-katholieken, onder eenvoudige lieden wier voorvaderen al eeuwenlang tot de Gereformeerde religie behoorden, blijkt uit de verhalen van oude inwoners van Amersfoort en Hoogland, die ons vertelden, dat vroeger, in hun jonge tijd, d.w.z. in de vorige eeuw, Spakenburger vissers naar Amersfoort en Hoogland trokken om daar in de R.K. Kerk de Gulden Mis bij te wonen, die op de woensdag van Quatertemper, d.i. tussen 14 en 20 december wordt opgedragen ter ere van de H. 'Maria.
„Gulden" betekent hier „voortreffelijk", „krachtig" [20]. De aanwezigheid van de Spakenburger visserlieden is niet zo verwonderlijk, als zij wel lijkt, daar deze Mis ook wel „schippersmis" wordt genoemd en ter intentie van zeevarenden wordt opgedragen. De vissers stonden achter in het portaal van de kerk, vanwaar zij een gezicht op het altaar hadden en waar de priester zich ophield.
Zij verdwenen, nadat de geestelijke de zegen had uitgesproken. Helaas konden wij hiervan geen bevestiging krijgen bij oude vissers in Spakenburg, toen wij hiernaar uiterst voorzichtig informeerden. De volksaard van deze Zuiderzeevissers zal zich hiertegen niet hebben verzet, al zal dominee hiertegen weleens vanaf de preekstoel georeerd hebben. Ondanks de scheuring die de Hervorming veroorzaakte was het Christendom toch de bron van heel hun leven en werken.
En daarom zullen zij naar Amersfoort en Hoogland zijn gegaan, zich bewust dat de zegen over.., en voor hen werd gevraagd. Zo hier en daar zijn in Eemland nog wel relikten terug te vinden van de oude heiligenverering. Doch de moderne mens laat wel zijn huisdieren zegenen en zijn auto, doch hij vindt geen tijd meer om het hele jaar rond met zijn heiligen te leven.
NOTEN:
1) Michaelis ab Isselt Amorfortii, Sui T emporis Historia, Keulen 1602, blz. 719.
2) Jan Kalf, Een belangrijke vondst, 1905.
3) Dr. H. J. Kok, Enige Patrochinia in het Middeleeuwse Bisdom Utrecht, Assen 1958.
4) J. Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Haarlem 1963.
5) R. Fruin Th. Azn., Costumen en usantiën van Soest, z.j.
6) Patroonsheiligen en Plaatsnamen. Lezing gehouden voor de naamkundecommissie der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam. 1959.
7) S. J. van der Molen, Levend Volksleven, Assen 1962.
8) Dr. H. J. Kok, a.w.
9) Rapport van 17 augustus 1815 opgemaakt door de Burgemeester van Soest, G. van Steyn van Hensbroek. Oud-Archief der Gemeente Soest.
10) Neerlands Volksleven, december 1964, 14de jaargang, nr. 4, blz. 405.
11) Mededelingen van de Heer J. J. Voskuil, wetenschappelijk ambtenaar bij de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlands Volkseigen, afdeling Volkskunde, te Amsterdam.
12) K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België.'s-Gravenhage 1949.
13) K. ter Laan a.w.
14) G. Hilhorst, Het klooster Mariënborch van de H. Birgitta, ook Salvatorsorde genaamd, te Soest, Archief van de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel V, Utrecht 1878.
15) Karola Adalsten, De Heilige Birgitta van Zweden, Voorhout, z.j.
16) W. J. Hofdijk & D. J. van der Kellen, Kloosters en kloosterorden in Nederland, Haarlem, 1865.
17) Jan Kalf, a.w.
18) Jos. Schrijnen, Nederlandsche V olkskunde, blz. 90. Zutphen, z.j.
19) Veni Creator Spiritus (Kom, scheppende Heilige Geest), begin van een zeer oude, nog thans gezongen pinksterhymne.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.