
artikel geschreven door E. Heupers
Nederlands Volksleven Herfst 1961 (11e jaargang nummer 3)
Een opwinnende ontspanning was vroeger het vangen van vogels, vooral vinken dat uit liefhebberij en daarnaast uit winstbejag door velen werd beoefend. De vogelaars of vinkers zoals zij in Soest werden genoemd, verkregen hierdoor een behoorlijke bijverdienste, mits zij hun handwerk — het vogelvangen — goed verstonden. Het vangen en houden van vogels in kooi en volière schijnt eenmaal in ons land een ware volksliefhebberij te zijn geweest.
De beperkende bepalingen van de Vogelwet 1912 en de eerste wereldoorlog 1914-1918 maakten hieraan een onverwacht einde. Het zaad werd tijdens de oorlog met zijn distributiemaatregelen bijzonder schaars en voor de kleine man te duur, zodat diegene die nog vogels hield, noodgedwongen zijn dieren moest opruimen. Toen andere tijden aanbraken, is de vogelliefhebberij nooit meer geweest wat zij eens was. De jongere generatie trok naar de sportvelden of zocht een andere liefhebberij en de landelijke sport van het „vinken vangen", raakte hoe langer hoe meer op de achtergrond, totdat zij — gelukkig — geheel verdween. Daar kwam nog bij, dat de bepalingen der vogelwet s:eeds strenger werd'en toegepast en aan rechtgeaarde vogelvangers de vrijheid van handelen ontnamen. Dit was mede de oorzaak, dat dit stuk volksleven, in de laatste decennia, nooit meer tot bloei is gekomen. Een rudiment is er overigens nog .wel overgebleven. Het houden en fokken van kanaries, kleurkanaries en andere uitheemse vogeltjes immers is op het ogenblik tot een ware rage uitgegroeid. Verenigingen van kleurkanaries en andere vogels, die in elke stad en dorp zijn te vinden, bewijzen dat de oude liefde voor het houden van vogels om hun kleurige veren of om hun gezang nog altijd onder het volk voortleeft.
Soest met zijn landelijke omgeving; bossen, heide, zandverstuivingen, bouw- en weiland — was een ideaal oord om er vogels te vangen. De aloude Eng was zelfs een bij uitstek geschikt oord hiervoor, want op de trek in het najaar vielen er grote troepen vinken en andere vogels neer om op het bouwland naar voedsel te zoeken. Hier oefenden de vinkers en vogelvangers dan ook dikwijls hun bedrijf uit. Naar alle kanten was er een vrij uitzicht, zodat men de trekvogels al van verre kon zien aankomen.
Een van de bekendste vinkers van Soest, de bejaarde Arie van Breukelen, die sinds zijn jeugd tot het einde van de eerste wereldoorlog, altijd „gaangs" is geweest met alles wat maar veren droeg of kon zingen en er zich nu nog voor interesseert, weet er zich nog veel van te herinneren. Een voor hem onvergetelijke tijd, waar hij graag over vertelt. Het is voor hem geen kunst verschillende vogelstemmen na te bootsen, hoewel het hem nu moeilijk begint te vallen. In zijn jonge jaren, toen zijn gebit hem nog niet in de steek liet — nu heeft hij
een prothese — kon hij nagenoeg alle zangvogeltjes imiteren. Zijn kennis van vogels, hun gedragingen en levenswijze in veld en bos is bijzonder groot. Elke vogel die in de lucht vliegt herkent hij onmiddellijk aan zijn vliegbeeld. Vanaf zijn vierde levensjaar hield hij er al vogels op na en toen hij nauwelijks zes of zeven jaar was, legde hij zich al op het vogelvangen toe. Het predikaat vinker (een term die vroeger algemeen voor een vogelvanger in gebruik was komt hem ten volle toe). Trekvogels en hofsteeërs zijn hem bekend; laatstgenoemde zijn vogels, die in ons land tot broeden komen, z.g. standvogels. Maar vogels in de vrije natuur gaan nog altijd bij hem boven die in een kooi zijn opgesloten. Kanaries, tropische of buitenlandse vogels vindt hij maar zo-zo. Een voliére zult u bij zijn woning dan ook niet vinden. Zondags of wanneer hij daar tijd voor heeft trekt hij de polders in, zwerft langs heg en steg om de vogels in hun doen en laten te bespieden. Vangen doet hij ze nooit meer, doch de liefhebberij voor vogels in de vrije natuur is gebleven. Geen wonder dat hij er veel van afweet, niet alleen van vogels maar ook hoe zij vroeger werden gevangen, welke vangmanieren werden gebruikt en welke uitdrukkingen en zegswijzen de oude vinkers gebruikten. De stof voor dit verhaal werd dan ook het meest door hem geleverd.
Het gehele jaar door ving men wel vogels, doch vooral in het voor- en najaar. De manieren waarop dit geschiedde liepen nogal uiteen; dan eens bezigde men netten, dan weer lijmstokken of -garden, vaak met gebruik van zowel levende als dode lokvogels. Een veel gebruikt net was de vlakzak een soort treknet, dat op de vlakke grond — het woord zegt het reeds — werd gelegd, dus in het open veld, waar men de ruimte had. Het werd door twee of meer mannen bediend. Door middel van een lang touw kon het net worden toegeslagen. Rondom de standplaats van de vlakzak was op de eigenlijke vangplaats kwistig met zaad gestrooid. Naast het net plaatsten de vinkers een paar lokvogels — zogenaamde
broekvogels daar zij een broek aankregen, d.w.z. de vogels hadden een dun touwtje kruiselings over de rug lopen onder de vleugels en de pootjes door. Met een werveltje werd dit broekje aan de bovenzijde vastgemaakt en daarna aan een lang touw bevestigd. Vanuit hun schuilhut, soms vanachter een opgestelde rietmat, trokken de vogelvangers af en toe aan het touw, waaraan de „broekvogels zich bevonden om deze te doen opfladderen. Zagen nu de vogels, die op trek de vangplaats passeerden, de lokvogels opvliegen en weer neervallen, dan streken zij ook neer in de nabijheid van hun soortgenoten, die hen steevast in het verderf stortten. Kwamen zij al voedsel zoekende binnen het bereik van de vlakzak en was het troepje naar de mening van de vogelvangers die al die tijd de bewegingen van de dieren hadden gadegeslagen groot gendeg, dan werd het net met een plotselinge ruk toegetrokken en zwaaide het met een klap dicht over de ongelukkige zangertjes. Op deze wijze werden pc: dag honderden vogels het slachtoffer en verloien zij voor immer hun vrijheid. Bij goed trekweer (heldere lucht en gunstige wind) kwam het wel eens voor, dat per dag 300 a. 400 vogels werden gevangen. Vinken, robijntjes, gele kluiten .;groenlingen), gele gesten (geelgorzen) en Groningeraars (vermoedelijk grauwe gorzen) werden onder het net vandaan gehaald, wanneer zij waren gevangen. Oranjevinken (kepen) werden als minderwaardig goed beschouwd en eenvoudigweg onder het net doodgeslagen. Eerstgenoemde vogels hadden handelswaarde, de kepen en mussen niet. Van dierenbescherming
had men toentertijd nog nooit gehoord en de zeden onder het gewone volk waren ruwer dan tegenwoordig.
De gevangen vogels werden meegenomen naar huis en daar gesorteerd, waarna zij werden ondergebracht in een houwer. Zo'n houwer bestond uit een groot aantal kooitjes waar precies één vogel zich in kon bewegen, maar meer ook niet. Tijdens het vervoer legde men over de houwer linnen of jute zakken, om onnodig gefladder te voorkomen. De vogels bracht men naar Amsterdam en op de voormalige Stromarkt aldaar werden zij verhandeld. Perrin, een groothandelaar in pluimvee en vogels, betaalde een extra prijs voor mooie gezonde dieren, die in hun gevangenschap nagenoeg niets hadden geleden. Voor goede zangers werd ook een beste prijs gemaakt. In doorsnee bracht een gewone mannetjesvink 5 cent op en een sijsje ging tegen de prijs van een kwartje van de hand. Een vink, die bijzonder op slag was (een vink slaat en zingt niet) bracht zelfs een hogere prijs op dan normaal met vinken het geval was. Maar dan moest de vogel beslist een goede zanger zijn. Poeliers kochten lijsters op om deze weer op hun beurt te verkopen aan welgestelden en lekkerbekken, bij wie zij gebraden op tafel verschenen en als een delikatesse golden. (Deze lugubere eet-gewoonte is gelukkig in ons land in onbruik geraakt. In Zuid-Europa eet men nog wel lijsters en anger klein gevogelte).
De Soester vinkers zwierven door veld en bos en speurden en keken uit naar alles wat vliegen en zingen kon. Zij trokken naar het naburige Hoogland, Amersfoort en Leusden en naar het verder afgelegen Nijkerk, Woudenberg en Scherpenzeel. Overal trokken zij naar toe waar vogels zich ophielden en de tochten gingen meestal per „benenwagen". Fietsen waren toen nog onbekend. Onderweg werd af en toe wat papegaaiensoep genuttigd, een borrel.. De voettochten die de vogelvangers zich voor hun liefhebberij getroosten vergden dikwijls veel van het uithoudingsvermogen van de mannen. Een hartversterking op tijd en plaats kwam hun dan ook wel toe, zo dachten zij. Naast hun beroep (daghuurder, metselaar of opperman) hielden zij zich in hun vrije tijd bezig met het vogelvangen. Het was nooit hun hoofdberoep.
In de herfst en tegen het najaar werd er gewerkt met de siezenzak, een ander soort van vangnet dan de vlakzak. Het vergde weer een andere techniek en taktiek. Zo tegen de maanden oktober en november laten de bekende jodenpruimpjes van de elzenbomen hun zaad vallen. Vogels en vooral sijsjes zijn dol op dit fijne zaad. Gewoonlijk trekken in genoemde maanden grote troepen sijsjes van elzenboom tot elzenbosje om van de zaadjes te snoepen. Zij zijn gasten uit • Noord- Europa en houden zich hier in de wintermaanden, wanneer die zacht zijn, lang. dung op. Zij zitten graag met troepen in het elzenhout, maar komen ook op de grond om het gevallen zaad op te pikken. Dit werd hun menigmaal noodlottig. De vinkers van die dagen kenden de gewoonten van dit vogeltje uitermate goed en trokken hiervan bij het vangen partij, zodat de grauwgele vogeltjes dikwijls
hiervan de dupe werden.
De eenvoudigste manier om sijsjes te vangen was het steken of zetten van liemgarden. Dit was nogal omslachtig en vergde teveel tijd. De vangst was nooit bijzonder groot. Daarom plaatste men in de nabijheid van elzenstruiken waaraan nog vele jodenpruimpjes gevuld met zaad hingen de siezenzak — een treknet, maar veel kleiner dan de eerder besproken vlakzak. — Laatstgenoemde kon niet worden gebruikt in de nabijheid van struiken en heesters, maar ,wel in het open veld; de siezenzak werd daarentegen juist op zulke plaatsen gebruikt. Het net nam niet veel ruimte in beslag en kon door één man worden bediend.
Terloops is er al een andere manier van vangen genoemd, door middel van liemgarden of liemstokken. Dunne berkentwijgjes werden overvloedig met lijm bestreken. De kleefstof werd verkregen door koken van lijnzaad, waardoor een taaie, kleverige, stroperige vloeistof ontstond. Kwamen de vogels met veren of vleugels in aanraking met deze lijm op de berkentakjes gesmeerd, dan bleven zij er onherroepelijk aankleven en kwamen uit eigen beweging niet meer los. Het bemachtigen van zo'n met lijm besmeurde vogel was dan geen kunst meer. Vooral in december ving men veel vogels op liemgarden. Uit een wal met veel struikgewas werd de hoogst uitstekende top van een struik of boompje met een hiep (bijl met korte steel) weggehakt en ontdaan van takken en twijgen. Op de afgeslagen einden zetten de vinkers vlierdopjes. Het vlierhout heeft een zachte kern en laat zich makkelijk bewerken. Daarna werden de afgekapte takken en twijgen met lijm bestreken en zorgvuldig weer in de vlierdopjes gedrukt, zodat het geheel weer op een normale boom of struik leek. Was dit karweitje klaar, dan werden nog een paar lokvogels in de buurt gezet; dit keer geen levende maar een paar opgezette, dode vogels. Elzenwallen vormden toentertijd veelal de afscheiding tussen de weilanden; ideale plaatsen om sijsjes te vangen. Overal waren die wallen in Soest te vinden. Bij De Zeuvenlap, een oude nu verdwenen boerderij aan de Stadhouderslaan, in de Roeke en in de Ringelbeeksevelden waren zij te vinden. Langs het Breemeentje en langs het beekje de Krommert, dat door de Horrel loopt, overal
bevonden zich wallen met elzenhout beplant. En zij waren daarenboven begroeid met een weelderige vegetatie van heesters, bloemen en woekerplanten, waar zich in elk seizoen veel vogels ophielden.
Weer een andere vangmethode was het vangen van zangvogeltjes met d' uul (steenuil). Het ging zeer eenvoudig in zijn werk en eiste nagenoeg geen voorbereiding of extra werk. Destijds had iedere vinker die zich respekteerde een paar uilen in zijn bezit, die als lokvogels dienden. Men gebruikte d' uul, wanneer men insektenetertjes wilde vangen, roodborstjes, fitissen of blauwborstjes. Nu komen blauwborstjes niet voor in Soest, maar vroeger in Niekaarkerveen volgens mijn verteller bie duuzenden! Daarom trokken de Soestenaren naar Nijkerk en omstreken om daar die fel begeerde vogeltjes te pakken te krijgen. D' uul ging mee en werd, nadat men op de plek waar zich blauwborstjes ophielden
was aangekomen, op de kruk gezet. Het dier had een dun touw, soms wel eens een kettinkje aan zijn poot, dat zo lang was dat de uil zich vliegende naar een andere kruk kon bewegen. De vliegafstand bedroeg 2,5 a 3 meter, meer niet. De steenuil wipte meer dan hij vloog van de ene zitplaats naar de andere, luid schreeuwende pi-wit, pi-wit. Het geluid dat de vogel maakte en zijn verschijning trok onmiddellijk de aandacht van vele kleinere vogeltjes, die de roofvogel nijdig van alle kanten aanvielen. Onnodig te vertellen, dat er in de buurt van de lokvogels weer lijmstokken stonden. In hun geagiteerdheid over de aanwezigheid van hun vijand bewogen zich de vogeltjes tussen en door de struiken en bleven
vastzitten aan de kleverige lijm, die er op gesmeerd was. Dit alles ging vlug in zijn werk en kon telkens op een andere plaats herhaald worden.
De uilen die de vinkers er op na hielden werden gevoerd met mussen en kepen. Elke dag kregen zij vers voer. In de drukke tijd gebeurde het wel eens, dat de roofvogels werden vergeten. De uilen begonnen dan onrustig te worden en vlogen schreeuwend en blazend door het hok. Bemerkte men dit, dan werd fluks de uil uit het hok gehaald, op de kruk gezet, hier en daar werden wat lijmgarden gestoken en na korte tijd hadden d' uul weer te vreten. De honger werd dan met een portie mussenvlees gestild.
Aan vinken werd veel zorg besteed. Gevangen vinken kwamen in de munt. De vogel werd dan opgesloten in een donkere ruimte, de kelder of in een donker gemaakt hok of in de schuur, waarin de kooi werd geplaatst. De kooi werd nooit schoongemaakt en de mest hoopte zich onder de vogel op. Dit deed men om de rui van het dier te bevorderen, zodat de vink vroeg in het voorjaar begon te slaan (lees: zingen). Kwam de vogel vroeg en goed op slag, dan moest het diertje dienen als lokvink om andere vinken, hofsteeërs, mee te vangen.
Zo'n hofsteeër tracht in de lente door zijn aanhoudend gezang de aandacht van een vrouwtje te trekken en duldt geen mededinger in zijn broedbiotoop. Zag nu een vinker zo'n hofsteeër, die zich door zijn luidruchtigheid al lang had verraden, dan zette hij de muutvink. De hofsteeër, door jaloersheid verblind, vloog naar de kooi van de lokvogel die door zijn gezang de vrije vogel in de val lokte. Liemgarden maakten een eind aan het vrij bestaan van de levensblije zanger, die zijn voortvarendheid met levenslange opsluiting moest boeten.
Het woord muut is hetzelfde als muit, dat oorspronkelijk betekent: een vertrek of kooi waarin jachtvogels werden gezet om te ruien. Daarnaast was het ook een donkere plaats waarin vinken bewaard worden, die men later als lokvogel wilde gebruiken. Het hangt samen met muiten, dat betekent ruien en is afgeleid van het latijnse mutare of veranderen. [1] In Twente wordt de donkere plaats of het hok waar de vogels tot dit doel worden opgesloten de miet genoemd en de vogels mietvöggel. [2]
Het gelukte de vinker, die de zang van de vogels goed kon nabootsen, op dezelfde manier als met de muutvink. (De man fungeerde derhalve als lokvink!) een mannetjesvink te verschalken, vooral als de pop (het vrouwtje) in de buurt zat te broeden. Was de vinkenman op die manier eenmaal weggevangen, dan sloot het vrouwtje al spoedig een tweede huwelijk. Meermalen verging het de tweede echtgenoot als de eerste en op die wijze werden somtijds drie of meer ega's van een en dezelfde pop in gevangenschap weggevoerd.
Vinken die hun onvrijwillige gevangenschap slecht verdroegen, hun wilde aard niet kwijt raakten en niet tot zingen kwamen, waarom de vinkers het te doen was, werden gebraand, d.w.z. de oogleden van de vink werden met een gloeiende breinaald dichtgebrand. Een blinde vink „slaat door"! [3]
De vinken zouden na het dichtbranden van de oogleden niet meer zo wild zijn en spoediger tot zingen overgaan. Bij een op de sneeuw gevangen vogel paste men het „branden" niet toe. De sneeuwpop een trekvogel uit het hoge Noorden, kwam hier immers nooit tot broeden of zingen. Goudvinken werden door de Soestenaren gevangen in de buurt van Scherpenzeel. In wilde staat houdt deze mooie vogel zich het liefst in hoge sparrebomen op.
Als kooivogel was en is de goudvink nog altijd geliefd. De mannen hadden er de verre tocht naar Scherpenzeel wel voor over als zij wisten, dat daar in de buurt deze vogels nestelden en er kans was een of meerdere exemplaren te kunnen vangen. In het voorjaar — even voor de broedtijd, want dan waren de mannetjes het felst in hun gedragingen tegen overelkaar — trokken de vinkers naar Scherpenzeel. Werden de vogels hier of daar ontdekt, dan werd het gezang van het mannetje nagebootst en de goudvink, hierdoor vekeidt, onderging het lot van zoveel vogels in die tijd. Men moest echter altijd oppassen met goudvinken, want er waren er bij, die, wanneer je ze had gevangen, stierven in je hand. Het diertje had dan een zogenaamde bloas, die onmiddellijk moest worden doorgeprikt. De vogelvanger blies de vogel in zijn veren en vond hij op de huid een verdikking of iets dergelijks, dan was dit de beruchte bloas. Fluks werd een speld uit de klep van de pet gehaald (waar er steeds een paar in voorraad zaten) en werd de dode vogel tot nieuw leven gewekt.
Wat is hiervan waar? Had de goudvink inderdaad een gezwel of blaas? Zeer waarschijnlijk niet, maar de vinkers die niet beter wisten, geloofden hieraan stellig. Deze wetenschap was van vader op zoon overgegaan en ze dachten dat de vogel daarom in hun handen was gestorven. Wat was echter het geval? Door plotselinge schrik en een ruwe behandeling werd de goudvink als het ware verlamd en de houding van de vogel wees er op dat de dood plotseling was ingetreden. De tijdelijke verlamming of schijndood noemt de wetenschap akinese, een soort hypnosetoestand bij vogels. [4] Zij treedt ook op, wanneer men gevangen vogels met de voile hand knijpt of op de rug legt. Het is begrijpelijk dat de oude vinkers dit verschijnsel niet konden verklaren, hoe groot overigens hun kennis van vogels was. Zij geloofden aan een bloas die doorgeprikt moest worden om de vogel in leven te houden. Opmerkelijk is dat dit doorprikken alleen gebeurde bij goudvinken en niet toegepast werd op andere vogels. Zijn goudvinken misschien gevoeliger dan andere en treedt bij hen akinese veelvuldiger en sneller op dan bij andere soorten?
Het vangen van nachtegalen vergde meer voorbereiding dan bij andere vogeltjes, geen insekteneters, het geval was. Eerst moesten er meelwormen worden gekweekt, die dan rijkelijk werden uitgestrooid op de plek waar een nachtegaal zich ophield. Een paar dagen hield men dir vol en trakteerde men de zanger volop om er op een voor de vogel kwade dag mee op te houden. De vogelaar nam dan een ouderwets lampeglas van een petroleumlamp, brak het lange eind hiervan af en duwde het overgebleven ronde voetstuk stevig in de grond, met de nauwe opening naar boven. In het glas legde men enkele meelwormen, de lekkernij waar de nachtegaal verzot op is. Spoedig bemerkte de zanger het zo fel
begeerde voedsel, dat hem al een paar dagen was onthouden, hij kroop om het aas te bemachtigen door de nauwe opening van het glas om er bij te kunnen komen, maar verloor dan zijn vrijheid. Niet bij machte om in de enge ruimte de vleugels uit te slaan werd het dier door de vinkers gegrepen, die al die tijd in spanning uit hun schuilplaats hadden toegekeken of hun zo listig opgestelde val ook zou werken. De vogelaars waren niet alleen bedreven in het vangen van vogels, maar zij waren er ook toe in staat om nachtegalen en andere insekteneters in een kooi in leven te houden. Miereneieren, meelwormen, kevers en andere soorten insekten waarvan gewoonlijk die vogels dagelijks een behoorlijke portie
Moesten hebben, werden door de mannen bijeen gezocht.
's Nachts trok men er op uit om kwartels te vangen, liefst bij volle maan. De kwartel laat zich vooral 's avonds wanneer het donker wordt en bij maanlicht in de nacht horen. Zij broeden liefst in braakliggend terrein, ook wel tussen het koren. Het is het mannetje dat met zijn geluid het vrouwtje lokt en dit klinkt als: Kwik - me - dit, kwik - me - dit. Vroeger zag men vooral bij herbergen een kooi hangen, met dit kleine hoenderachtige vogeltje erin. De mannen die het op de kwartel hadden gemunt, waren listig. Zij bootsten weer het geluid van de vogel na, maar nu niet vokaal maar instrumentaal d.w.z. met behulp van een kwartelfluitje of met de wip. Het eerstgenoemde instrument (een exemplaar is nog in mijn bezit) bestaat uit een kort hol koperen pijpje, ter lengte van ongeveer 8 cm. Aan een der uiteinden is een leren zakje bevestigd, stevig vastgebonden met dun ijzerdraad. De geroutineerde vogelvanger legt het instrument op zijn knie en slaat met de vuist zachtjes op het leren zakje. De lucht ontsnapt uit het zakje met een piepend geluid. Het was de kunst, door ritmische bewegingen met de vuist een geluid te produceren, dat op de baltsroep van de kwartel geleek: kwik - me - dit, kwik - me - dit. Lang niet iedereen was hiertoe in staat en soms leek het geluid naar niets. Slechts na lang en veel oefenen leerde men het wonderlijke instrument bespelen. [5]
De wip is een dergelijk voorwerp als het voorgaande en wordt voor hetzelfde doel gebruikt, het nabootsen van de kwartel. Het is gemaakt van een oude klomp. De holte werd hiertoe overtrokken met een droge varkensblaas. Met een veer werd er de wip op bevestigd, een rond houtje, dat door middel van die veer op en neer kon worden bewogen en daarbij tegen de strak gespannen blaas sloeg. Het geluid was schriller dan dat van het kwartelfluitje, maar kwam het geluid dat de kwartel maakt het meest nabij. Na veel oefenen leerde men ook op dit muziekinstrument hoe het moest. Veel vinkers gaven de voorkeur aan de wip boven het fluitje, dat moeilijker was te bespelen dan zo'n oude klomp. De kwartel werd met een netje gevangen, dat tras genoemd werd. Het stamt af van tiras een soort van sleepnet.
Het vogelvangen behoort in ons land tot het verleden al worden er voor een wetenschappelijk doel nog wel vogels gevangen. Een stuk volksleven verdween hiermee voorgoed. Vele zegswijzen in onze taal (blinde vink, op het vinketouw zitten, lokvogel, ga nou gauw vinken!, doorslaan, enz.) herinneren echter nog aan de tijd, toen iedere stad of dorp zijn eigen vogelvangers had, met een apart jargon dat alleen door vakgenoten werd begrepen en gesproken. [6]
En ieder kent nog de populair geworden aria uit Mozarts Die Zauberfkte (1794):
Der Vogelfinger bin ich ja,
Stets lustig, heisa hopsasa!
Weiss mit dem Locken umzugehn,
Und mich auf's Pfeif en zu versteh'n!
Noten:
[1] Mededeling van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, afdeling dialektologie.
[2] Dr. H. L. Bezoen, Taal en volk van Twente, Van Gorcum & Comp., n.v., Assen 1948.
[3] Vgl. K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België, 's-Gravenhage & Batavia 1949, blz. 37 (blinde vinken).
[4] Vgl. Rinke Tolman, Langs heg en deg, Kampen 1935 en A. L. J. van ijzendoorn, Akinese bij vogels in Weer en Wind, jrg. 12.
[5] Een bundel met Achterhoekse verhalen, van Maaldrink, heet echt-volkskundig: Kwik-me-dit, kwik-me-dat.
[6] Zie verder o.a. J. ter Gouw, De Volksvermaken, Haarlem 1871 (vogelarij, vogelen, vogeljacht), de lemmata lijsterjacht en wilsterjacht in de Encyclopedie van Friesland (1958), een geïllustreerd artikel van D. K. Koopmans in Het Noorder Land (jrg. 3), het hoofdstuk „Het lijstervangen" in L. Post-Beuckens, Land en volk van Gaast en Klif, Laren 1947, blzz. 50-52, „Vluchtig kijkje bij de ganzeflapper" in de Leeuwarder Courant van 24 januari 1959. Zie nog, in dit nummer van Neerlands Volksleven, blz. 244.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.