
Artikel overgenomen uit blad Flehite, uitgave oktober 1972
Auteur: E. Heupers
Aan het rampjaar 1672 willen wij meer dan gewone aandacht besteden wat betreft de lokale geschiedenis van Soest.
De geschiedenis als plaatselijk gebeuren is soms niet minder interessant, dan de vaderlandse of algemene geschiedenis, al zijn wij er ons van bewust geen nieuwe voorstelling van zaken te geven, daar veel van deze voorstelling toch aan anderen is ontleend en steunt op reeds gepubliceerde bronnen en literatuur.
Donkere wolken pakten zich samen boven ons land in het rampjaar 1672. Het jaartal is ons bekend uit de geschiedenislessen op de school en werd er als het ware 'ingeheid', zodat wij het nu nog niet zijn vergeten.
De Franse invasie voltrok zich over het gewest Utrecht en de Soestenaren deelden in het grimmig oorlogslot. De Republiek der Verenigde Nederlanden stond op het punt geheel of grotendeels te worden weggevaagd, van alle kanten besprongen door de vijand: de Fransen, Engelsen, Munstersen en Keulenaars. ,,Het yolk redeloos, de regering radeloos, het land reddeloos". Toch werd de Republiek gered en het voortbestaan van Nederland verzekerd, al was het werkelijk een dubbeltje op zijn kant.
In die onzekere tijd leefde onder het volk de overtuiging — men vindt de bewijzen bij gereformeerden, dissenters, sectariërs, staatsgezinden, medestanders van Johan de Witt, orangisten, aanhangers van Prins Willem III — dat de eigen zonden er oorzaak van waren, dat God deze ramp had toegelaten [1].
Vrijwel niemand geloofde trouwens dat de vijand zich in zo korte tijd van een zo groot deel van het land had kunnen meester maken zonder belangrijke hulp van verraders [2] Vooral waren het de rooms-katholieken, die hiervoor werden aangezien. Zij werden verdacht met de vijand te heulen, daar zij nog steeds in de uitoefening van hun godsdienst werden belemmerd en als tweede-rangs burgers werden behandeld. Bij nader onderzoek blijkt, dat veel beschuldigingen van verraad aan het adres van katholieken niet juist waren, behoudens die aan de leden van de katholieke overijselse adel, die een kwalijke rol hebben gespeeld.
In maart en april 1672 begonnen de oorlogshandelingen. Midden april werden de Staatse officieren officieel met de Franse oorlogsverklaring in kennis gesteld en werd het leger vooral aan de grenzen in staat van paraatheid gebracht. Men vertrok naar de bedreigde posten, waar de legerleiding de aanval verwachtte. Ook werd meer spoed gezet achter het werk van de inundatie, het onder water zetten van de lage gronden in het westen van het land, als middel van verdediging.
De opmars naar Rijn en IJsel van het Franse leger was goed voorbereid en in de nacht van 11 op 12 juni trokken zij de Rijn over bij Lobith, zonder dat de Staatse troepen noemenswaardige tegenstand boden om de overtocht over de rivier te verhinderen. Er heerste onder het Staatse leger zonder meer verwarring en overal dacht men aan verraad. Het trok zich terug en het land lag open voor de snel oprukkende Franse colonnes, die in enkele dagmarsen tal van steden en dorpen bezetten. Vóór de junimaand ten einde was was een groot aantal steden en sterkten door de vijand: de Fransen en Munstersen bezet, o.a.: Bredevoort, Doesburg, Arnhem, Zutphen, Harderwijk, Hattem, Elburg, Wageningen, Buren, Tie! en Kuilenburg, Grave, Gennep, Ravestein, Deventer, Zwolle en Kampen, alsmede de fortificaties Schenkenschans, Voorne en Sint Andries.
In het Sticht gingen verloren: Rhenen, Wijk bij Duurstede, Montfoort, IJsselstein, Amersfoort en vele dorpen waaronder het oude Soest. De schrik om de bezetting van Amersfoort sloeg als een vloedgolf over het Sticht en het Gooi [3]. Amersfoort werd gedurende anderhalf jaar bezet, van 19 juni 1672 tot 23 november 1673 [4]. Begrijpelijk decide Soest mee in het oorlogsgebeuren en de boeren moesten het gelag betalen, zoals van ouds. De landbouw werd verstoord: haver, hooi en stro voor de paarden werden zonder meer officiëel gevorderd door de Franse troepen en nog meer namen zij voor zich zelf. Laten wij hierover eens een tijdgenoot aan het woord laten: „Het gantsche Sticht Utrecht wierd voort door al dit Frans volk bedorven, het Kooren nu gereet om te maayen, is door de Paarden, die daar in wierden gedreven vertreden en 't geen de Boeren nog in de Schuuren konden brengen, wierd haar niet alleen ontnomen, maar zy gedwongen, het zelve af te dorssen, en zonder te betalen namen het de Fransen mede, in Zakken op hare Paarden, en verkoften het binnen de Steden". [5]
Wij zullen geen aandacht besteden aan begane oorlogsgruwelen, maar ingaan op de moeilijkheden waar de overheid van Soest zich voor gesteld zag.
Vooreerst zij hierbij opgemaerkt, dat toen de eerste furiën voorbij waren, de bezetting een realiteit was en men zich zo goed en kwaad als mogelijk was schikte in de bestaande toestand. De tendens van de berichtgeving uit bezet gebied, vooral uit Utrecht, was namelijk, dat de overgave zich met minder ernstige schokken had voltrokken dan men aanvankelijk gevreesd had. Ook scheen het leven onder de bezetting mee te vallen, althans de eerste maanden. Toch traden de troepen vooral op het platteland drastisch op.
De doorbraak van de Fransen was er de oorzaak van, dat een groot aantal vluchtelingen langs de wegen trok in westelijke richting naar Naarden, Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn en naar de provincie Zeeland. Vooral welgestelden zochten hun heil in de vlucht vaak met medeneming van geld en kostbaarheden. Anderen begroeven hun bezit, waaronder sieraden en geld, of werkten ze weg door ze in te metselen, om ze zodoende voor vriend en vijand te verbergen. Ook werd bezit verzonden naar familie, vrienden en bekenden in onbezet gebied achter de Hollandse waterlinie. Deze vorm van vluchten versterkte de toch al depressieve stemming onder het volk. Te Amsterdam lagen zoveel schuiten met gevluchte goederen voor de boom (een boom sluit de watertoegang tot de stad af), dat men geen water meer kon zien. In Haarlem lag het Spaarne vol en in Hoorn was nergens meer ruimte om de goederen op te slaan. Er deden geruchten de ronde, dat tal van rijken voor hun bezit Franse sauvegardes hadden aanvaard. Het was een kwestie van veiligstellen tegen molest bij te verwachten krijgshandelingen. Zélfs werden door de Prins sauvegardebrieven verstrekt, waarmee men hoopte regentenbezit tegen plundering veilig te stellen.
Men nam aan dat iedere 'mispaap' (scheldnaam voor een r.k. priester) ze wel kon verstrekken, doch dit bleek naderhand slechts een ongecontroleerd bericht te zijn, want het was doorgaans onmogelijk zo'n Franse sauvegarde te bemachtigen. [6]
Te Soest schijnen dergelijke sauvegardebrieven tegen betaling te zijn verstrekt tijdens de bezetting en kon men zich ook tegen betaling verzekeren van een begeleider, een zogenaamde 'sauvegarde', die tot taak had de te vervoeren goederen te beschermen tegen diefstal, roof of plundering, althans dit door zijn aanwezigheid te voorkomen. Het toenmalige gemeentebestuur van Soest legde zelfs een sauvegardecedulle of ceel aan. Dit was een lijst waarop werd vermeld, hoeveel inkomsten uit de sauvegarden kwamen [7]
Naar alle waarschijnlijkheid waren er veel particulieren, misschien vluchtelingen, die tijdelijk te Soest onderdag hadden gekregen, die van de sauvegarden gebruik maakten. Voor de dienstverleningen werden voor die tijd vrij grote bedragen genoteerd. De Soester bevolking zal zeer zeker niet zo ambulant zijn geweest, zodat wij moeten denken aan vreemdelingen of passanten, die zich op die manier enigszins wilden vrijwaren tegen rovende en plunderende soldaten en ander gespuis dat langs de weg liep. Niettemin profiteerden hier ook wel Soesternaren van.
In de grond van de zaak is het 'sauvegarden' een verschijnsel van alle tijden. Het volgende voorbeeld zal dit illustreren. In de 2e Wereldoorlog (1940 - 1945) brachten onderduikers enkele dagen door in een huis te Arnhem, dat Zwitsers eigendom was.
Bij de deur van de woning was een sauvegardebrief aangeplakt die aangaf, dat neutraal eigendom gevrijwaard diende te blijven voor overlast van de bezetter. Desalniettemin werd het huis tussen september '44 en april '45 leeggeplunderd. De zogenaamde 'sauvegardebrief' had geen enkele effect [8].
Een fraaie illustratie van deze gedachte, is dat Nicolaas Vivien in de vergadering van de Staten van Holland, tijdens de beraadslagingen over het Eeuwig Edict, een pennemes door een stukje perkament of papier stak. Toen men hem vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij: „Ik onderzoek wat papier vermag tegen staal".
Wie de sauvegardebrieven te Soest uitschreef en verstrekte is niet duidelijk. De Resolutieboeken van de Buurmeesters van Soest zijn niet volledig. Een overzicht van 1672 ontbreekt om onbegrijpelijke reden. Er zijn oà. vele lacunes. Wel ontvangt de buurmeester het geld van de sauvegardecedulle in de jaren 1673 en int hij deze nog in 1674, als achterstallige posten, toen de Fransen al lang waren vertrokken, De Rendant, een hoger geplaatst ambtenaar, die in Utrecht zetelde is mede verantwoordelijk en staat over de „Reeceninge Bewijs en Reliqua van alle soodanige ontvangh ende uytgave".
| Op de Reeceninge wordt vermeld: | |
| Item ontfangen van twee Sauvegarde cedulle dertien gl sestien sty |
fl3 -16- 0 |
| Item aen Verscheyde Cleyne Parcelen ontfangen uyt de Sauvegarde Cedulle de somme van 't negentigh gl tien stv |
f90- 10-0 |
| Ontfangen van drie Sauvegarde Cedulle de somme van |
f21- 12-0 |
Onder de „Uytgift Jegens den voorsz. Ontfangh" vinden wij uitbetalingen aan personen die optreden als sauvegarde, alsmede aan de Franse bezetters.
| Betaelt aen Johannes de Switsert Sauvegarde de somma van drie en de twintigh gulden volgens qtie |
f23- 0 - 0 |
| Item betaelt in Vscheyde malen soo aen verteeringe der Franschen als verteeringe bij den rendant gedaen int reysen na Utrecht toe de soe van |
f27- 8 - 0 |
| Betaelt aan twee Sauvegarde waer van een qtie is de somme van drie & vijftigh gulden negentien sty dus |
f53- 19-0 |
| Betaelt voor een Voer Klaps voor de Sauvegarde de soe van |
f 6 - 10 - 0 |
Klaps of klapspanen kunnen kleine losse turven zijn geweest, doch ook hout. Het eerste lijkt ons iets waarschijnlijker.
| Item noch betaelt aen een Sauvegarde mitsgrs. voor Boeckweyt ende verdere aen Vteeringe gedaen bedraegende inf31- 10-0 alles een & dertigh gl seventien stv dus |
f31- 10-0 |
| Item betaelt aen Andries de Sauvegarde de soe van twee ende dertigh gulden tien stv dus |
f32 - 10 - 0 |
| Item heeft den Rendant aen zijn eygen hangden betaelt voor een mudde boeckweyt die een Sauvegarde genomen heeft. Ende voorst aen verteeringe gedaen de soe van |
f13- 2 - 0 |
Kennelijk was deze sauvegarde niet betrouwbaar en is hij er van door gegaan met de boekweit om die misschien aan anderen te verkopen. Wellicht een zwarthandelaar uit die tijd. De Rendant draaide er voor op.
| Item betaelt aen de Franschen die op Sloth der Eem lagen tot onderhout van haer, met noch eenige andere dingen daar onder gereeckent tot |
fl I - 2 - 0 |

Het vervallen Huys Ter Eem. Anonieme tekening (o.a. in Museum Flehite)
De schade die aan de Utrechtse kastelen werd toegebracht tijdens de opmars en bezetting van de Franse troepen is zeer groot geweest. Het kasteel Ter Eem bij Eemnes werd zwaar toegetakeld en is niet hersteld.
Na het vertrek van de Fransen werden nog een tweetal posten vermeld en verantwoord:
| In de maent van luny 1674 betaelt aen eenigh bier dat de koerlanders verconsumeerde en verder aen alle andere schulden die bij haer waren gemaeckt ofte bij andere, tot |
fl8 - 19-0 |
Koerlanders zijn soldaten uit Koerland, voorheen een Baltische staat. Zij zullen niet behoord hebben tot de bezetters. Tijdens het beleg van Groningen in 1672 vochten Koerlanders van een regiment Kiiningsmarck in oprichting, aan de zijde van het garnizoen, dat de stad verdedigde. Het waren huurlingen, evenals de soldaten van de Zonnekoning Lodewijk de XIVe, wiens leger bestond uit een allegaartje van nationaliteiten, die slechts door strenge tucht en soldij in toom konden gehouden worden.
Duidelijk betreft het hier oude schulden uit de tijd van of kort na de bezetting, evenals de volgende:
| Betaelt aen de Sauvegarde die sijn goet tot Maria Scho(n) genomen wierdt de some van |
f80- 0 - 0 |
Vermoedelijk werde begeleidende sauvegarde toch beroofd van de goederen die zijn opdrachtgeefster Maria Scho of Schon, (de naam is onduidelijk geschreven), zo graag had willen vervoeren buiten het bezette gebied. De waarde f80,— voor die tijd is vrij aanzienlijk. Aert Huyberts een ingezetene van Soest ontvangt alsnog een vergoeding voor het rijden met paard en wagen in het leger. Voor welk leger dit geschiedde is niet duidelijk. Het is niet uitgesloten dat hij voor de Staatse troepen heeft moeten rijden tijdens de terugtocht, doch dit wordt niet vermeld. Aileen al dat hij voor de door hem verleende diensten nadien toch werd betaald, wijst hier wel op. De Fransen presenteerden in die dagen hun rekening wel op een andere manier.
| Betaelt aen Aert Huyberst voor het ryden in 't Leger de somme van |
f85 - 14 - 0 |
Als sluitpost vonden wij
| Betaelt op twee Sauvegarde Cedulle dies den rendant alhier V antwoort ter some van |
f 6 - 8 - 0 |
Na het wegtrekken der Fransen in 1673 breken er weer rustiger tijden aan die zich weerspiegelen in het dagelijks gebeuren van het ook weer zich herstellende Soest, dat nog steeds met financiële moeilijkheden als gevolg van de oorlog en bezetting te kampen heeft.
Soldaten en matrozen van 's Lands vloot worden afgedankt. Vele oud militairen, waaronder voor het leven verminkten zwerven zonder middelen van bestaan langs de weg, aangewezen op de liefdadigheid van de burgers en boeren. Te Soest krijgen twee afgedankte matrozen van de armmeesters een fooi van drie stuivers. Een niet al te royale geste tegenover deze landverdedigers.
| Noch den 4en May betaelt aen twee passanten die te Zee hadde geweest. En cl een sijn been had (V)looren ende de ander kreupel gaende oock op een paer krucken zes sty |
. f 0- 6 - 0 |
| Noch den 23en Feb: betaelt aen Lambert Gijsbertsen 6 sty dat hij de prins en garde van Soest gebracht heeft naede bilt dat Sij de wegh niet en wisten |
f 0- 6-0 |
De Stadhouder Prins Willem III zal een bezoek gebracht hebben aan het Paleis Soestdijk en en passant een bezoek gebracht hebben aan Soest waarvan hij Ambachtsbeer was.
Op 26 april 1674 kocht Prins Willem III van mr. Jacob de Graef, heer van Zuidpolsbroek, burgemeester en raad van Amsterdam, de hofstede Soestdijck en liet op het terrein een jachthuis bouwen en prachtige tuinen aanleggen. Eenige maanden later, namelijk op 13 september 1674, werd hem door de Staten van Utrecht eeuwig en erfelijk opgedragen de vrije, hoge, middelbare en lage jurisdictie in de heerlijkheden Soest, Baarn en Ter Eem, waarbij nog werden gevoegd de heerlijkheden Eemnes, binnen- en buitendijks.
De Prins zal zich hebben willen oriënteren over verschillende zaken, waarover hij als ambachtsheer het recht had te beschikken. Ook was hij blijkbaar geïnteresseerd in de financiën van het dorp. In het bijzijn van zijn secretaris en de schepenen van Soest gebruikt hij een maaltijd in de herberg van Merrij Petersen, vermoedelijk in de herberg De Drie Ringen, achter de Oude Kerk (Ned.Herv.Kerk) van Soest. Een andere en betere gelegenheid was er niet in die tijd.
Onder de uitgaven vinden wij:
| Noch den 25en Feb: betaelt aen Merrij Petersen drie gul vier Sty, van verteringe te haren huyzen gedaan met de Stadthouder en de Secretaris en de Schepens doen wij de briricken Vpacht hadden |
f 3 - 4 - 0 |
Beide betalingen vinden plaats in de maand februari en staan in verband met het bezoek van de Prins.
Onvoorstelbaar voor ons is de onherbergzaamheid van de omgeving, de grote leegte in een vrijwel onontgonnen landschap, zodat de Prins en zijn gevolg op de terugtocht een gids nodig hadden, omdat men de weg niet wist naar het toch betrekkelijk dichtbij gelegen dorp De Bilt.
Tot slot:
| Den 14 dito aen gijsbert jansen Coelen betaelt van Vteeringe gedaan over het Victory luijen over de vrede met Vranckrijck |
f 6-0-0 |
In 1678 was de vrede met Frankrijk gesloten. De woelingen en onlusten in de Republiek waren zo goed als voorbij. Soest deelden in de vrede en vreugde hierover. Maar hoezeer het lot van de Zeven Provinciën i.c. Nederland aan een zijden draad heeft gehangen werd maar onvoldoende beseft, ook door latere geschiedschrijvers. Het was een dramatisch tijdperk in onze geschiedenis en het is goed hier even bij stil te staan, al is het drie honderd jaar geleden.
Noten:
[1] Dr. D.J. Roorda, „Partij en Factie". Groningen. 1961. bladz. 107
[2] Ibidem
[3] Drs. R. Fruin, ,,De oorlog van 1672". Groningen. 1972. bladz. 121
[4]) Rampjaar 1672. Tentoonstellingsgids. Museum Flehite, te Amersfoort.
[5] Kort verhaal van De Nare en zeer beklagetijke toestant der Provincie en Stad van Utrecht, des gclyks van gantsch Nederlandt, in de lanen 1672 en 1673 door de invadeeringe der
Franschen, neven dezelfs gecombineerde Machten & c. en hoe dat van hun dreygent eeuwig Verderf, door den Heere Prince van Orange, Willem de III (naast het bestier van den Hemel) daar van sijn verlost. Strekkende tot den Jaarlijkse Utrechtsen Dankdag voor de Burgers en inwoonders aldaar door B. V., Utrecht 1757. bladz. 51 en 52.
[6] Dr. D.J. Roorda, bladz. 93
[7] Oud-Archief Gemeente Soest. No 114
[8] Schriftelijke mededelingen van de heer Dr. D.J. Roorda, eerdergenoemd, auteur van „Het Rampjaar 1672". Bussum, 1972
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.