Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

Op de druup komme

Artikel uit Nederlands Volksleven
auteur: E. Heupers

Veel van ons modern leven was vroeger onbekend of in elk geval anders. Maar eten en drinken is zo oud als de mensheid zelf, al veranderde in de loop der tijden de verscheidenheid
en samenstelling van de dagelijkse gerechten voortdurend. In niet geringe mate werd in de laatste decennia het ritme van de dag aangetast, de tijden waarop de maaltijden werden gebruikt. Toenemende industrialisatie, met haar continubedrijven, waarin veelal in ploegendienst wordt gewerkt hebben verandering gebracht in vele gezinnen wat de tijden betreft waarop wordt gegeten, al ziet men vaak, dat men vasthoudt aan het gebruik van de hoofdmaaltijd, om twaalf uur, vooral wanneer de kinderen nog naar school gaan en tussen de middag thuiskomen. Bij boeren op het platteland handhaaft zich deze oude gewoonte nog steeds en wordt er warm gegeten om twaalf uur 's middags, slechts in bijzondere gevallen wijkt men hiervan af. Naarmate de industrie in stad en dorp terrein veroverde, veranderde er meer. Gaandeweg paste men zich aan, zonder dat dit een ware revolutie veroorzaakte,
het ging allemaal geruisloos. Wat zich wel handhaafde was het „koffieuurtje"; 's morgens om een uur of half elf; op kantoor, fabriek en werkplaats wordt koffie gedronken en bij de boer houdt men tegen die tijd „schafttied".

Het was en het is onder de boeren van Soest een goede gewoonte om de komende en gaande man, die men goed kent en die meermalen de boerderij bezoekt, uit te nodigen om op de druzip te komme, wat niet anders wil zeggen, een kopje koffie mee te drinken: omstreeks half elf was gewoonlijk de koffie „gaar". Er was pas een verse druup gezet. En dan kon en mocht je niet weigeren. Kwam echter de bezoeker op een ongebruikelijk uur, hetzij heel vroeg, hetzij later, dan kreeg hij meestal opteutsel, optuitsel of lariekoffie voorgezet, die nog wel genietbaar was, maar waar weinig smaak aanzat. Het was dan ook meermalen.opgegoten koffie, met water anelangt, waardoor de kwaliteit er niet op was vooruitgegaan, al deed de vrouw er overvloedig hete melk bij en trachtte zij door toevoeging van wat cichorei er meer smaak aan te geven. Het bleef: geutnat, dunsel, of treksel, leut en nog erger, benamingen die wij hier achterwege zullen laten, doch die bij het volk genoegzaam bekend zijn. Men stak zijn waardering over deze slechte koffie niet onder stoelen of banken; men
had er weinig goede woorden voor en het was gauw in de buurt bekend bij welke boer de vrouw een lekker bakje koffie zette, zonder of met heel weinig suukerei er in, ook al kwam men onverwacht.

Koffie heeft de wereld veroverd. En in ons land kunnen wij gerust spreken van een nationale drank, die bij alle gelegenheden wordt geschonken, wat wij van thee nog niet kunnen zeggen. Thee is bij lange na niet zo populair als koffie. Onder de boeren van Soest en omstreken drinkt men weinig thee, doch haast bij iedere werkpauze wordt koffie gedronken, al zijn er nu jonge gezinnen waar men 's middags tegen een uur of drie, thee krijgt aangeboden.

In het verleden, in de 17e en 18e eeuw was in Nederland bier de nationale volksdrank bij uitnemendheid, mede een gevolg van de slechte drinkwatervoorziening en waterverontreiniging zowel in de steden als op het platteland. Zelfs de armen kregen in die tijd dagelijks een rantsoen bier toebedeeld, iets wat wij meermalen terugvonden
in de oude armenboeken van de gemeente Soest en aldaar vonden genoteerd staan:[1]

    Betaelt aen Assuerus van Dijck ter saecke van gehaelt
    bier voor den armen, en dat in V (er) scheijde reisen volgens
    quitantie de somnze van                                                            f3 — 0 — 0
    betaelt aen de brouwer in de Posthoorn wegens geleV t
    bier aen de armen                                                                     f 3 — 0 — 0

Wanneer in 1686 de kerk een grote schoonmaakbeurt krijgt, wordt aan het werkvolk bier verstrekt:

    Den 2e april 1686 beth: aen Jurianus van Lommertsum
    brouwer der stadt Amersfoort ter saacke van een halff
    vat acht gl. bier 't gene d Schoonmakers ten tijde sij d
    kerck hadde schoon gemaeckt naderhant hebben geconsumeert,
    de somme van                                                                          f  4 - 0 - 0
    voor de vracht betaelt                                                               f  0 - 4 - 0
    voort Segel bet.                                                                         f  0 - 1 - 0

In de achter ons liggende 19e eeuw steeg het verbruik van de koffie hoe langer hoe meer. En wanneer wij statistieken mogen geloven is dit nog steeds in stijgende lijn.Thee en chocolade zijn ver in de minderheid wat het verbruik betreft, al zijn er nog altijd landen waar het bier in de meerderheid is.

Maar laten wij eens terugkeren naar de Soester boerin van vroeger, zo'n vijftig, zestig jaren geleden en eens zien hoe die koffie zette, want er is intussen heel veel veranderd,
ongemerkt, zo zelfs, dat niemand het meer opvalt. Vanouds werden de koffiebonen gemalen in een koffiemolen, een ieder nog wel bekend, doch langzamerhand een antieke bezienswaardigheid geworden. Tegenwoordig gebruikt men het elektrische apparaat, dat de bonen vergruist inplaats van maalt. 

Verpakte koffie was vrijwel onbekend, zij werd in zakken aangevoerd en door de winkelier zelf gemalen in een grote koffiemolen, die op de toonbank stond en met de hand moest worden gedraaid. De meeste vrouwen echter gaven er de voorkeur aan zelf de koffiebonen te malen, dan kreeg men telkens weer versgemalen koffie. Dit gebeurde in de welbekende koffiemolen, die op de schoot werd gezet en tussen de knieën werd geklemd. Later kwam de wandkoffiemolen in zwang waarmee men staande de koffiebonen kon malen, die op zijn beurt werd verdrongen door de elektrische. Het malen was een soort ritueel, waarvoor men goed ging zitten. Eerst werd een heel of een half loodje koffiebonen in de molen gedaan en dan net zo lang gedraaid tot zij gemalen waren. Een loodje is een tinnen of blikken cylindervormige schep met een handvat, verdeeld in twee ongelijke helften, in het spraakgebruik een heel of een half loodje genaamd. Was men bar zunig, dan gebruikte men het halve loodje en vulde de koffie aan met suukerei; doorgaans werd het hele loodje gebruikt en slechts weinig of in het geheel geen cichorei toegevoegd. De gemalen koffie werd in een stenen of geemailleerde koffiepot gedaan en hierna opgegoten met kokend heet water om vervolgens op het fornuis te worden gezet om te trekke. In Twente is gebruik van de smodde bekend [2]; in Eemland is dit gebruiksvoorwerp onbekend en voor zover na te gaan ook niet gebruikt. Wanneer de koffie goed brung was, dan werden de kommen of kopjes gevuld en kreeg men naar smaak er melk bij ingeschonken. De melk moest goed heet zijn, koude melk was niet gebruikelijk. Sommigen gaven de voorkeur aan zwarte koffie. Er waren boeren die altijd zwarte koffie, dronken, doch dit waren luu, die het zonde van de kostelijke melk vonden, die ze liever verkochten en die te knieperig waren om goede koffie te schenken. Suiker in de koffie was hier geen gewoonte, gewoonlijk werd een bal gepresenteerd (een vierkante bruine steek, balletje, zuurtje), soms een kluntje. De bal deed men in de koffie of men hield hem in de mond om er telkens een slokje langs
te laten lopen; zo hoorde het, dan pas genoot men echt van zijn druup. Er zijn nog Soestenaren die een bal meer waarderen dan een klontje of suiker. Een koekje als toegift kende men nauwelijks, alleen tegen de tijd van Sint Nicolaas kreeg men een kloasjevoartje, een spekuliasje. Was de koffie al te warm, dan goot men ze over op de schuttel; dronk men uit kommen, dan werd er flink ebloazen, waarin men niets onbetamelijks zag.

Vroeger begon de dag met koffie. Niet zodra was men uit de bedstee gekomen, om zes uur in de morgen of nog vrceger, of er werd koude koffie gedronken, een overgebleven restje van de vorige avond. Was de rogge of boekweit gedorst en het vee verzorgd, dan, om een uur of acht, kregen de meiden en knechten hun welverdiend ontbijt: dikke sneeën roggebrood met een schiefie spek; natuurlijk werd hierbij koffie gedronken, nu vers gezet. Was de eerste maaltijd van die dag afgelopen, dan ruimde de boerin of de meid de tafel af, door de vaatdoek er over heen te halen. Een tafellaken was een ongekende weelde, ten hoogste lag een zeiltje over de tafel. De overgebleven koffie werd overgegoten in een andere kan of pot en bewaard en diende later als broodkoffie, die meegenomen werd naar het land. Een niet verwacht bezoeker kon het gebeuren dat hij dit spul kreeg voorgezet, als de boerin het niet zo nauw nam en geen nieuwe koffie wilde zetten voor de onverwachte gast. Veel melk en cichorei moesten het enigszins genietbaar maketi. Wanneer deze koffie werd meegenomen, dan kon het gebeuren dat er dikke stukken roggebrood in werden gebrokkeld, vandaar misschien de benaming: broodkoffie. Omstreeks half elf dronk men weer gezamenlijk koffie. Was men niet ver van de boerderij aan het werk, dan werd de koffie op het land gebracht. Om twaalf uur 's middags was het middagschaft, dan werd de warme maaltijd gebruikt. Om drie uur in de middag volgde weer koffie; thee vond men een drankje van de dokter. Vroeger dacht men er niet aan thee te drinken, ofschoon men het wel kende. Men beschouwde het meer voor stadse mise, burgers, die er andere gewoonten op nahielden dan boeren. Nu pas — wij herhalen het even — wordt het gewoonte, dat men 's middags thee drinkt, ouderen storen zich hieraan niet en houden zich aan hun kofje; thee is hun te slap, niet pittig genoeg.

Het is niet zo, dat in die tijd kinderen ook koffie kregen te drinken evenals de grotere mensen. Wanneer je als kind anenomen was, je plechtige eerste kommunie had gedaan, dan kreeg je voor het eerst koffie. Kinderen kregen als het enigszins kon melk te drinken, anders moesten zij genoegen nemen met water. Af en toe trakteerde moeder le kleinen op saliemelk en kaneelmelk. Laatstgenoemde behoeft geen nadere uitleg, het is slechts melk met een dosis kaneel vermengd; saliemelk wordt verkregen door blaadjes van de saliestruik, echte of gewone salie (saleria of ficinalis) af te trekken in melk, waardoor zij een sterk geurend aroma verkrijgt.

Iedereen in die tijd had een saliestruuk in de tuun staan. Was men verkouden, dan plukte men gauw een handvol van die blaadjes, deed ze in een linnenzakje en hing dit in de melk, die op het vuur gezet, zachtjes moest koken. Saliemelk was vroeger ook een geliefkoosde drank op het ijs, als er schaats werd gereden. De drank maakte warm, vandaar ook, dat men saliemelk dronk als men verkouden was of griep had. Ronde kommen zonder oor waren het meest in gebruik, alleen op zon- en feestdagen dronk men uit een kopje met een schoteltje. Het serviesgoed werd zuinig bewaard en slechts als de klitstied3) weer aanbrak, dan kwamen de mooie kopjes en schoteltjes voor den dag. Op een gewone door-de-weekse dag dronk men uit ronde kommen, zowel grote als kleine. Kwam de pastoor onverwacht op visite, dan haalde de boerin gauw een mooi kopje en schoteltje uit de kast, want een pastoor kon je toch niet uit een boerenkom laten drinken. Bij de minder met aardse goederen bedeelde daggelders en boerenarbeiders was het net zo: ronde kommen voor dagelijks gebruik en een mooi servies, dat men alleen op hoogtijdagen gebruikte.

Tijdens de avondmaaltijd, tussen zes en zeven uur 's avonds werd weer koffie ingeschonken, nu geen opgewarmde, of broodkoffie, maar verse koffie. De dikke sneeën roggebrood met een schroapseltje boter of nog minder: reuzel er op, werden weggespoeld met drie of vier kommen koffie. Het roggebrood was bijkans zo hard, dat je het haast niet kon biete. Om een uur of acht volgde de laatste maaltijd, een bord pap met siroop. Hiermee werd gewoonlijk de dag besloten en kort daarna ging men bij de boer naar bed. Een verandering was de betere verlichting, waardoor men langer opbleef en gelegenheid had om wat te lezen of om nog wat te mulle op de deel. Toen pas werd het gewoonte nogmaals koffie te zetten en werd de papmaaltijd verschoven naar half tien. Behalve de kleine kinderen, die reeds om zeven naar bed waren gebracht, knielde het gehele gezin voor de stoel en ging vader voor in het avondgebed. Na het kruisteken liet een grote lummel zich nog wel eens een spotgebed ontvallen, wat vader minder en moeder helemaal niet kon waarderen, doch
overigens van vrij onschuldige aard was.

Heer ik weet, dat ik je bemin:
ik neem een sprong,
En spring er in!

Er was weinig variatie in het dagelijks menu, koffie was de meest geschonken drank, slechts bij bijzondere gelegenheden kreeg men wat anders, dan koffie alleen, te drinken. Na afloop van de hooibouw, een tijd van hard en lang werken, wanneer het hcoi was geborgen: de hooibarg op de knuppel sting, dan trakteerde de boer op het traditionele hooivet, een beste borrel. Dit betekende het einde van een vermoeiende tijd, van veel koffie waar roggebrood ineko okt was voor de stevigte, en de wrange zure bijsmaak van deze leutkoffie werd gauw door een paar borrels weggespoeld. De boer was in een goede luum, trakteerde gul en keek niet op een borreltje, alles was vlot verlopen en de fles ging nog eens extra rond. 's Avonds kreeg jong en oud volop suukeloa (chocolademelk) te drinken. En voor het naar bed gaan werd er nog eens een borrel ingeschonken: „'t Kon lieje, alles was an de kaant".
Later werd het gewoonte een fooi te geven, een gulden, soms een rijksdaalder. Doch dit dateert van recente datum en kwam pas in de mode, na de Eerste Wereldoorlog, toen vreemde, hier ingekwartierde soldaten hielpen bij de hooibouw. Het geven van geld was zeer zeker vroeger geen gewoonte in Soest. 

Hoogtijdagen waren de dagen wanneer het keu werd geslacht, zo tegen het midden van de maand november. Had de huisvilder gedaan wat van hem verwacht werd en hing het varken op de leer, dan kwam de hele buurt vetprieze. Het waren genoeglijke, gezellige avonden, die bij sommigen uitgroeiden tot een daverend feest als er te veel jannever geschonken werd. Menigeen denkt hieraan met enige weemoed aan terug: „Ming kan de tillevisie er veur estole worde", werd ons verteld, zo gezellig als het was. Eerst werd er koffie gedronken, daarna wandelde men naar buiten of op de deel waar het varken werd bekeken en de dikte van het spek werd gemeten, dan werd het feest voortgezet. De boas, de eigenaar van de dooie, zette er een beste borrel op en de vrouwen kregen niets anders te drinken dan brandewien met suuker. Zij lieten zich niet onbetuigd en hielpen dapper mee, de fles leeg te maken. Men begon in het begin van de avond over de bouw te praten, het vee, de slacht. En naarmate het heerlijk avondje vorderde, ging het gesprek over.., spoken, de vurige Beer en de veurschiemsels, die men had gezien. Dit waren geliefkoosde thema's op zulke vetpriesoavondjes waarmee de tijd gekort werd en waarover men
nooit uitgepraat raakte.

Erf huusdagen waren bij de boerenbevolking populair en even zovele welkome afleidingen in de sleur van het dagelijks leven van die tijd. De koopman in sterke drank deed er goede zaken, geheelonthouding was iets waarvan men nog nooit had gehoord. Bij een dergelijke gelegenheid als een erfhuusdag kon men alleen maar sterke drank krijgen; andere werden niet geschonken, zelfs geen koffie.

Wanneer er in de buurt een kleine was geboren, werden de kinderen getrakteerd op een beschuut met suukerdemuusjes. Waren het gladde muisjes, dan betekende dit, dat er een jongetje was geboren; zaten er van die sprieteltjes op, dan was het een meisje. Heel vroeger (werd ons verteld) kregen de kinderen bij die gelegenheid een sukerdestuk, een stuk roggebrood dik met suiker bestrooid. Het was toentertijd een hele traktatie en het werd bijzonder gewaardeerd, als een uitzonderlijke lekkernij. Als de kleine (de naam baby was toen niet gebruikelijk) een paar dagen oud was, dan kreeg de kraamvrouw bezoek van de vrouwen uit de buurt, die de kleine moesten zien. De visite kreeg een brandewientje met suker ingeschonken, nadat vooraf koffie was gepresenteerd. Was de kraamheer in goede doen, een dikke boer, dan kreeg men boerenjongens, boerenmeisjes en soms een citroentje te drinken. Brandewijn met suiker was de gebruikelijke traktatie voor vrouwen; mannen kregen iets straffers, als zij in de gelegenheid waren met hun vrouwen op kraamvisite te gaan.

Doorgaans gingen de vrouwen alleen, al brachten de mannen hun echtgenoten wel met het tentwagentje. De kraamvrouw werd overladen met krentebrood en eieren. Andere vrouwluu brachten een pannetje met vleis mee; maar dit was geen gewoonte onder de boeren, maar meer onder gewone mensen, daggelders en die het arm hadden. „Kan ze opknappe" werd er gezegd. En meteen sloegen ze het glaasje achterover. „'t Smoakte moar wat bes."

Tijdens of na afloat) van een begrafenisplechtigheid werd geen sterke drank geschonken — zeer zeker niet als het een droevig sterfgeval betrof — een begrafenismaal waar men volop kon eten en drinken, was hier niet de gewoonte. Wel gebruikte men na afloop in het sterfhuis een snee wittebrood met koffie. Het wittebrood werd naderhand vervangen door broodjes (kadetjes). Iedere man kreeg een goudse piep aangeboden en kon zich de pijp stoppen uit een goed gevulde tabakspot, die in het midden van de tafel stond.

De jaarwisseling kenmerkt zich vroeger hier als overal elders door het maken van veel lawaai en het leegschieten van de ouderwetse voorlader of ganzeroer om toch maar vooral aan zijn buren te laten merken, dat men het Nieuwejaar had afgewacht. Nieuwjaarsdag was een feestdag, het werk lag stil voor zover mogelijk, men wenste elkaar „een Zalig Nieuwjaar". De gene die op die dag op de druup kwam, kreeg koffie met een schiefje zeute koek. En daarna twee borrels, niet meer. Zo was het vanoudsher altied het gebruuk geweest.

NOTEN:
[1] Oud Archief der gemeente Soest. No. 144.
[2] Dr. H. L. Bezoen, Taal en Volk van Twente, Assen 1948.
[3] Zie: Neerlands Volksleven, jrg IX. bladz. 213.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto