
Overgenomen uit blad Flehite, februari 1976
Auteur: Engelbert Heupers
Marijke-Meu is de populaire naam van Prinses Maria Louisa, landgravin van Hessen-Kassel (1680-1765). Zij huwde in 1709 te Kassel (Did) met de Friese Stadhouder Jan
Willem Friso.
Zij was in Friesland en vooral te Leeuwarden een bijzonder geziene figuur, die door het volk op handen werd gedragen. Marijke-Meu was een gemoedelijke vrouw, grootgebracht
in de stille en huiselijke omgeving van een Duits potentaatje, die een streng en ingetogen leven leidde.
Marijke-Meu woonde geheel haar leven te Leeuwarden, maar vertoefde vooral 's zomers, graag op het Paleis Soestdijk. Dikwijls bezocht zij haar plaats van herkomst, Kassel.
In 1711 na de dood van Prins Willem III, de Stadhouder-Koning, ontstond bij ontstentenis van kinderen tussen de naaste erfgenamen, met name de Friese Stadhouder
Jan Willem Friso en de Koning van Pruisen een geschil over de nalatenschap. Dit had tot gevolg dat de Staten van Utrecht de Hoge Ambachtsheerlijkheden Baarn, Soest,
Eembrugge, Eemnes binnen en buitendijks weer tot zich trokken.
Op 17 november 1714 droegen de Staten van Utrecht de ambachtsheerlijkheden van Soest en de Birk over aan H.M. de Prinses Douairiére Maria Louise, de weduwe van
Prins Johan Willem Friso.
Zo kwam de Prinses zomers uit Friesland naar Soestdijk. Zij liet het Paleis dan ook aanmerkelijk verfraaien. De stallen bij de ingang van het voorplein liet zij afbreken.
Deze werden naar de overzijde van de weg verplaatst, bij het huis van de Rentmeester van het Paleis. Zij besteedde veel geld aan de vernieuwing van het lustslot en de tuinen, waarvoor zij een bekwaam hortulanus in dienst nam.
Zij was geen onbekende Ambachtsvrouwe en evenals in Friesland werd zij te Soest, Baarn en verdere omgeving door de bevolking geacht en toonde zij zich een waardige
Ambachtsvrouw begaan met het lot van armen en minder bedeelden.
Van alle gebeurtenissen en zaken, die voorvielen binnen haar heerlijkheden, wenst zij persoonlijk op de hoogte te worden gesteld. Twist en tweedracht tussen haar onderdanen
was haar een gruwel. Steeds trachtte zij hieraan een einde te maken door de partijen met elkaar te verzoenen en een bemiddeling tot stand te brengen. Zij duldde beslist
geen onderlinge vete's of onverdraagzaamheid.
Zes weken na de dood van haar gemaal, schonk de toen 23 jarige weduwe het leven aan een zoon: Willem Karel Hendrik Friso, de latere Willem IV. Als Regentes had zij
een nieuw levensdoel; zij had een stadhouder op te voeden. Tot 1731, toen de Prins meerderjarig werd was Marijke-Meu regentes.
Twist tussen Amersfoort en Soest
Niet oninteressant is haar interventie tussen het Gerecht van Soest en het Sint Anthonis bijengilde van Amersfoort, die elkaar in de haren zaten om één korf bijen.
Op 2 september 1721 had een buitengewone vergadering plaats van het Gerecht van Soest. In het Raadhuis, annex Schoolhuijs aan de Eemstraat vergaderde het voltallig
Gerecht: de Schout, alle schepenen en raadslieden. Ook de publieke tribune — voorzover hiervan kon worden gesproken — was goed bezet.
Wat was namelijk het geval: Amersfoort — de stad — en met name het Sint Anthonis bijengilde had zich vergrepen aan de rechten van Soest en hiertegen wilde het Gerecht
van Soest in verweer komen.
„Alsoo er op den 25en Augusty deses lopende jaars 1721 verschil ontstaen was tusschen de Overigheden van St Anthonis Broederschap binnen Amersfoort, ende de Gecomderende vant Soesderveld aen den Bergh, over 't ophalen van een im uyt een stal van agtien immen gestaen hebbende int veertiende vack op de vervallen Hofstede van Veldhuijsen gelegen tusschen Amersfoort & Utrecht aen de Utrechtse wegh, gedaen door de overigheden van St. Anthonis Broederschap voomt.: die tot het ophalen van die imme Sustineerden geregtigd te wesen,
Omme daer aen 't regt van Stuijversgelt te verhalen, dat de Overigheden off Gecomderende van Soest het contratie van dien hadden gesustineert op fondament, dat Sijlieden tot 't stuijvergelt — der immen int veertiende vack staende off gebragt wordende geregtigh waren, ende dat sulx een emolument van de kerk van Soest was ...."
Zoals het oude charter vermeldt lagen op de Berg (is Soesterberg) aan de weg Amersfoort-Utrecht, dicht nabij de grensscheiding tussen Soest en Amersfoort in de heide de zogenaamde „vakken", waar als de heide bloeide veel imkers hun bijenvolken heen brachten.
Zowel Soestenaren als imkers van elders konden hier hun bijenkorven plaatsen tegen betaling van een stuiver per im of korf.
Dit „stuiversgeld" was een oud recht van de Kerk van Soest, dat reeds bekend was voor de Reformatie in 1580 zich voltrok in Eemland. Als belasting moest toen een pond was aan de kerk worden gegeven.
Vak 14 ging door voor een bezit van de Kerk van Soest, hoewel de Sint Anthonis Broederschap van Amersfoort, waaronder ook veel bijenhouders, hierover reeds met het Gerecht van Soest verschil van mening had gehad.
In 1721 plaatste een Biltse bijenboer, genaamd Tijmen Aalbertse, op de omstreden plaats achttien bijenkorven en weigerde het stuiversgeld te betalen aan de Sint Anthonis Broederschap. Aalbertse weigerde het verschuldigde bedrag aan de Broederschap te betalen, omdat hij stijf en strak volhield, dat vak 14 op grondgebied van Soest was
gelegen en de Broederschap hierop geen recht had.
Daarna liet de Sint Anthonis Broederschap één korf met bijen inbeslagnemen en naar Amersfoort overbrengen. Tegen betaling van achttien stuivers kon Aalbertse zijn eigendom terugkrijgen. Deze weigerde het verschuldigde recht te voldoen, waarop het Gerecht van Soest een vergadering belegde, waarin de te nemen maatregelen aan de orde werden gesteld.
De vroedschap van Soest benoemde een commissie om ter plaatse de situatie in ogenschouw te nemen. De Schout, een buurmeester, twee schepenen en een zestal ingezetenen
kregen zitting in deze commissie. Voor het te verrichten schrijfwerk werd een secretaris toegevoegd.
Reeds de volgende dag vertrok het gezelschap op een boerenwagen naar de bewuste plek en liet zich daarbij voorlichten door de bijenboer uit De Bilt.
Ter plaatse werd bevonden en vastgesteld, dat het omstreden vak No 14 tot de Kerk van Soest behoorde en tot het grondgebied van het Gerecht van Soest. Unaniem was men van mening dat de Amersfoorters ten onrechte hadden gehandeld en ,,in de rechten van Soest waren getreden".
In een kort nadien belegde vergadering van het Gerecht van Soest werd met algemene stemmen besloten om een request op te stellen en de Ambachtsvrouwe van Soest,
geboren Landsgravinne van Hessen-Kassel en Princesse van Oranje oftewel Marijke- Meu over het geschil in te lichten, opdat zij een beslissing zou nemen.
De „Soesders" waren verontwaardigd met deze gang van zaken en meenden niet alleen dat het recht van de Kerk was aangetast, maar ook dat de rechten van de Ambachtsvrouwe
met voeten waren getreden.
De secretaris stelt in zijn brief dat vak No 14 weliswaar op de grens van Amersfoort en Soest ligt en het grillig verloop van de „limiten" moeilijk is te bepalen. Er werd een verklaring bijgevoegd van een aantal hoog bejaarde Soestenaren, die onder ede verklaarden, dat volgens hun weten vak 14 altijd was gelegen geweest onder „den Dorpe van Zoest".
Het antwoord van Marijke-Meu, die tijdelijk te Kassel vertoefde, kwam daaraanvolgend binnen. De missieve hield in, dat de Schout en het Gerecht van Soest door haar werden gemachtigd bij de Staten 's Lands van Utrecht een protest in te dienen, tegen het willekeurig optreden van de Sint Anthonis Broederschap van Amersfoort, met het dringend
verzoek van haar zijde, het recht van de Kerk van Soest te Handhaven.
In eerste instantie hadden de Soestenaren het pleit gewonnen. Door de secretaris wordt een lijvige protestbrief opgesteld, waarin de broederschap wordt gesommeerd de inbeslaggenomen bijenkorf weer naar vak No 14 terug te brengen en de ontstane onkosten te betalen.
Na een dag of tien komt een schrijven van het Amersfoortse bijengilde binnen. Tot verbazing van het Gerecht van Soest, dat hiervoor met spoed bij elkaar was getrommeld,
verzoeken de Amersfoorters slechts een copie van het schrijven. Mogelijk heeft de deurwaarder, die de brief aan het Sint Anthonis bijengilde moest overhandigen, dit niet gedaan, hem voorgelezen, maar niet afgegeven.
Nogmaals worden twee folio-bladzijden volgeschreven en opnieuw gaat de deurwaarder naar de Amersfoortse broederschap om de brief te overhandigen.
Vrede hersteld.
Het stuk wordt in Amersfoort nauwelijks gelezen en de deurwaarder krijgt de boodschap mee „dat de broederschap van ouds het recht bezit op het stuiversgeld van vak No 14 en dat zij beslist geen inbreuk duldt en ten alle tijde het recht door geldende rechtsmiddelen zal handhaven". Voorlopig houden de Sint Anthonisbroeders het been stijf, maar tenslotte beloven zij toch de bijenkorf maar terug te geven aan de Biltse bijenboer. Zij kiezen eieren voor hun geld.
Op 5 oktober tekenen zij zelfs een overeenkomst met het Gerecht van Soest. Wel zeggen de bijmannen van Amersfoort, dat zij overtuigd zijn van hun goed recht van eigendom,
maar zij willen de kwestie ,,in den minne schikken om kostbare rechtsgedingen te voorkomen en goede vriendschap te bestendigen".
Zeer waarschijnlijk was hun een wenk van hogerhand gegeven om zich niet verder te verzetten tegen het Gerecht van Soest, dat de protectie genoot van de Ambachtsvrouwe
Marijke-Meu, die vrede en rust wenste in haar Heerlijkheid.
Wanneer noemde men een gebied een heerlijkheid?
In het voorgaande zijn enige malen de termen „Ambachtsvrouwe" en „Heerlijkheid" genoemd, die nu misschien niet meer zo goed worden begrepen en enige uitleg behoeven.
Een heerlijkheid was een gebied, aan welks bezit een titel en sommige rechten zijn verbonden. Vroeger bezat een vorst in zijn rijk het recht van jurisdictie, de hoge en lage rechtspraak
kwam hem toe. Hij benoemde in het onder zijn gebied staand gezag de Schout en Schepenen die met de rechtspraak waren belast.
Nu waren de rechten van de jurisdictie niet overal gelijk. Er waren heerlijkheden waar de „Heer" het recht van berechting alleen had in kleine zaken. In zo'n geval sprak men van „lage jurisdictie".
De Heer van een Hoge Heerlijkheid was gerechtigd tot berechting van zwaardere delicten: diefstal, stroperij of andere criminaliteiten, waarop niet de doodstraf stond.
Hem kwam zowel de lage- als de hoge jurisdictie toe.
In ons land waren slechts enkele Hoge Heerlijkheden waar de Heer het zogenaamde hals-recht had. Hij mocht een doodvonnis uitspreken en ten uitvoer doen leggen.
Baarn, Soest, Eembrugge, Eemnes-binnen en -buitendijks waren ambachtsheerlijkheden, waarbij wij onder ambacht moeten verstaan de benaming van een gebied met eigen rechten en de eigenaar was een ambachtsheer of ambachtsvrouw. Het woord is ontleend aan het woord „ambt" of „ampt" eens bepaalde benaming voor een onderverdeling van het platteland (v1. het Oldampt) [1].
Vele zaken werden gewoonlijk „verzoend" met het betalen van een boete, die de ambachtsheer toeviel.
Er waren trouwens nog meer inkomsten, die de ambachtsheren toekwamen. Dit was het jachtrecht en het recht van visserij. Van oudsher immers behoorde het wild op de grond en de vis in het water, tot het eigendom van de „Heer" van de Heerlijkheid. Hij alleen had het recht dit te verpachten of te verhuren.
NOOT:
[1] J. Verdam, „Middelnederlandsch Handwoordenboek". 's Gravenhage. 1932.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.