Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

HET PONTVEER VAN DE STAD AMERSFOORT AAN DE GROTE MELM TE SOEST (1675-1930)

Opgenomen in het blad Flehite, otober 1968
Auteur J. Hovy (als reactie op artkel van E. Heupers)

In zijn bijdrage in het Maandblad van Oud-Utrecht over "De Grote en Kleine Melm te Soest" heeft E. Heupers ons opmerkzaam gemaakt op het feit, dat de veerpont, die eeuwenlang op eerstgenoemd punt beide oevers van de Eem heeft verbonden en dit thans ook nog doet, eigendom is van de gemeente Soest. [1]  Bij velen zal wellicht reeds in het vergeetboek zijn
geraakt dat de exploitatie vóór 1930 namens de gemeente Amersfoort geschiedde. Aangezien, naar ik meen, nooit iets over de oorsprong van deze toestand is gepubliceerd, lijkt het interessant, eens na te gaan, waaraan de op het eerste gezicht merkwaardige toestand is te danken, dat Amersfoort een pontveer onderhield op het grondgebied van een andere  gemeente. Deze situatie is niet te begrijpen zonder dat wij een kleine driehonderd jaar in de geschiedenis teruggaan.
Vanouds hadden de burgers van Amersfoort een groot belang bij de rivier de Eem als waterweg voor hun verbinding over zee met Overijssel en Amsterdam.Doordat de Gelderse beken, waaruit de Eem zijn water ontvangt, veel zand en slib aanvoerden, was deze waterweg reeds sedert de Middeleeuwen een echt zorgenkind voor het stadsbestuur. Zo moesten grotere schepen hun goederen, bestemd voor de stad, bij de Me1m overladen. Bekend zijn de vele pogingen tot verbreding en uitdieping van de Eem tussen Amersfoort en de Melm sedert 1551, die weinig succes opleverden, ondanks de steun van de landsheer Karel V en later van de Staten van Utrecht. [2] Wij laten dit onderwerp verder rusten en richten onze aandacht op het jaagpad langs de Eem, dat ten nauwste met het pontveer aan de Grote Melm samenhangt.
Een "treckwech" van de stad tot aan de Grote Melm was reeds van zeer oude datum: o. a. in 1603 en 1613 horen wij van plannen ter verbetering en doortrekking tot aan Eembrugge. 3) Vanaf 1656 zetten de Regeerders van
Amersfoort vaart achter de aanleg van een nieuw trekpad, nadat verschillende belanghebbenden (schippers, enige gilden) zich per rekest hieromtrent tot de Raad hadden gewend. De Magistraat verzocht aan de Staten van Utrecht om octrooi voor de aanleg van een "bequame, besande dijck ofte kaede langes deselve rivier tot omtrent de Zuiderzee", daar bij windstilte of tegenwind de schepen zeer moeilijk de stad vanuit zee konden bereiken en omgekeerd.Tevens verzochten zij om een "liberale subsidie", omdat het jaagpad niet alleen voor Amersfoort, maar ook voor de gehele oostelijke provincie van belang was, in het bijzonder voor de stad Utrecht, waar men plannen koesterde voor de aanleg van een kanaal naar de Eem. [4]

Het is juist deze laatstgenoemde omstandigheid geweest, die heeft veroorzaakt dat van het octrooi niets is gekomen: de stad Utrecht immers dacht aan een scheepvaartverbinding met het mondingsgebied van de Eem en een verbeterde vaarweg langs de Eem zelf zou voor dit project wel eens nadelig kunnen werken. [5] Hoewel de Statenleden van Geëligeerden en Ridderschap welwillend tegenover het Amersfoortse plan stonden, schoof het verzet van Utrecht de zaak op de lange baan, zodat het stadsbestuur van Amersfoort in 1674 besloot, niet langer te wachten en het project geheel op privaatrechtelijke basis, door middel van onderhandelingen met de eigenaren- der grondpercelen, langs de Eem gelegen, te verwezenlijken. Ondanks enige strubbelingen heeft men het Trekpad in de daarop volgende decenniën kunnen aanleggen en bij gedeelten tot de Zuiderzee kunnen doortrekken.

Wij weten dat het reeds bestaande gedeelte van het pad tussen Amersfoort en de Grote Melm ten Z. W. van de Eem liep, dus bij de Kleine Koppel buiten Amersfoort begon. Het vervolg, voorlopig tot Eembrugge, zou echter aan de oostzijde van de rivier komen te lopen. [6] Bij de Grote Melm zouden de jagers met hun paarden dus met een veerpont moeten worden
overgezet. Deze veerpont, alsmede de daartoe getroffen voorzieningen, vormt het onderwerp van de hierachter afgedrukte magistraatsresoluties, waarnaar wij verder verwijzen.
Hier volgen nog enige bijzonderheden, die in genoemde resoluties niet worden vermeld of die hieruit niet direct begrijpelijk zijn. Nadat het stadsbestuur in februari 1675 de "schouw" of "praem" voor het pontveer had laten vervaardigen voor de som van f 125, -- werd aan Jan Geurts. Bos "t waernemen van 't schoutje aan de Grote Melm" opgedragen, waarvoor deze over de jaren 1675/7 een som van f 103, -- in 8 gedeelten ontving. [7] In 1680 werd het veer aan de brouwer Assuerus van Dolre gegund, waarbij hem een
jaarlijkse toelage van stadswege, groot f 50, --, werd toegekend (zie Bijlage IV). Reeds spoedig daarop overleed deze brouwer, waarna zijn weduwe, Aletta van Lielaer, hertrouwde met Johan Vosch van Avezaat. [8] Genoemde weduwe zette de exploitatie van het pontveer voort, met dien verstande dat in 1691 het bedrag der stedelijke toelage verminderd werd tot f 36, -- per jaar (zie Bijlage V).
Ten behoeve van het veer werd een overeenkomst gesloten met de eigenaar van huis en grond aan de Melmkant, Wolbertus van Muylwijck, waaraan soortgelijke overeenkomsten met de eigenaren van de uiterwaarden aan de andere zijde der rivier, in de Slaagse polder, waren voorafgegaan (zie Bijlagen resp. III en II). Bovengenoemde Assuerus van Dolre en Johan Vosch, beiden familieleden van Muylwijck, hadden kennelijk het bouwhuis op diens land in gebruik (mede als herberg?). In de loop van de 18e eeuw werd de exploitant van het pontveer tevens eigenaar van de nabijliggende boerderij, annex veerhuis, zodat de uitkering van f 7,50 per jaar voor het onderhoud van het Trekpad ter plaatse (zie Bijlage HI) en de jaarlijkse  uitkering van f 36, -- voor het veer steeds aan dezelfde persoon werden gedaan. Vanaf het einde van de 18e eeuw is aan het pontveer steeds de naam van de familie Butzelaar (Butselaar, Budselaar) verbonden geweest. Sedert het midden van de 19e eeuw werd echter het bedrag van f 7,50 voor de ene helft aan leden der familie Butzelaar, voor de andere aan leden der familie Van Roomen uitbetaald. [9] In 1841 werd op verzoek van de veerman S. Butselaar een tarief voor het veer vastgesteld: voor het overhalen van man en paard mocht overdag 5 ct. , 's avonds 7-1- ct. worden gevraagd, voor een koebeest 5 Ct., voor een passagier 21 ct. [10] Het veer gold niet als een openbaar veer in de zin van de wet, maar als een onderdeel van het Trekpad; de veerman mocht echter, zoals uit het bovenstaande blijkt, ook vee en reizigers overzetten. Beide laatste categoriën schijnen op den duur wel de  belangrijkste passagiers van de veerboot te hebben gevormd. Immers, als gevolg van verzanding van de Eem werd deze rivier in de loop' van de 19e eeuw steeds minder als vaarweg gebruikt. Pogingen tot verbetering hiervan leverden niets op. [11] In 1844 verzocht dan ook de veerman Hendricus van Butselaar, "bouwman" te Soest, om verhoging bf van het tarief van het veergeld, of van de jaarlijkse gemeentelijke toelage, die sedert 1691 onveranderd f 36, -- was gebleven. [12] Hij verkreeg het laatste. In 1879 ontving de landbouwer-veerman ter plaatse f 75, -- per jaar van de gemeente Amersfoort; de opbrengsten der veergelden werden toen geschat op f 60, -- f 70, -- per jaar. [13] In 1929 droeg de Raad van Amersfoort alle waterstaatswerken, met de pontveren, over aan de Provinciale Waterstaat, met uitzondering echter van het veer bij de Grote Melm, dat in het volgende jaar door de gemeente Soest werd overgenomen. De veerman A.P. Butzelaar ging toen over in dienst van laatstgenoemde gemeente, tegen dezelfde bezoldiging van f 75, -- jaarlijks. [14]

NOTEN:
[1] Maandblad van Oud-Utrecht 37 (1964), no. 2, blz. 13-20. Over de functie van de Grote Melm als laad- en losplaats vindt men bijzonderheden in dit artikel. Ten onrechte ziet Heupers de "Eerste Melm" over het hoofd: men vindt vanaf Amersfoort de "Eerste Melm" tegenover Hogehorst, verderop rivierafwaarts de "Kleine Melm", tegenover Cragtwijck, ook "Nieuwe Melm" genoemd (zie ook: Heupers in Maandbl. Oud-Utrecht 38, 1965, blz. 50-54), en tenslotte de "Grote Melm" of "Oude Melm" tegenover de Slaagse polder, bij Hamelenberg. Op de bekende kaart van De Roy (ca. 1700) worden Eerste en Kleine Melm duidelijk onderscheiden; zo ook b. v. in het verslag van een schouw van de rivier de Eem in 1837, aanwezig in: Dossier Jaagpad en pontveeren langs de Eem enz. , dl. I, op Gem. archief Amersfoort.
[2] Zie: W.F.N. van Rootselaar, Amersfoort 777-1580 (Amersfoort, 1878), dl. I, blz. 12 vlg.
[3] A.w. , blz. 59-62, 77.
[4]) Resoluties Regeerders Amersfoort (Gem. archief no. 35), 15 sept., 20 okt. 1656.
[5] De uitbreidingsplannen van de stad Utrecht van Moreelse (1664) en Everard Meyster (1670), waarin ook een haven en een Eemkanaal waren begrepen, zijn afgedrukt in: Tijdschr. voor Gesch. , Oudheden en Statistiek van Utrecht (uitg. v. d. Monde) 6 (1840), blz. 361, 373L 415, 437.
[6] Zie voor het voorafgaande: Resol. Amersf. 9, 25 juni, 1 juli, 10 aug. 1674 en passim dit en vlg. jaren. Een samenvattend relaas voorin de cameraarsrekening van het Trekpad, 1675/7 (Gem. archief no. 109). Stukken betreffende de aanleg van het Trekpad c. a.: t. a. p., no. 845 - 918.
[7] Gem. archief Amersf. , no. 882 (Staat van uitgaven voor het Trekpad, 1675/7). In de jaren 1684-1687 woonde in de herberg aan de Grote Melm, annex veerhuis, Jan Maessen, die toen ook wel--als veerman zal zijn opgetreden (Heupers, a. w. , 1964, blz. 15).
[8] Register van huw. afkondigingen van het Gerecht van Amersf. : ondertr. 20 febr. , huw. 6 maart 1683.
[9] Vgl. Heupers, a. w., 1964, blz. 14.
[10] Dossier Jaagpad enz. I (Raadsverg. 15 maart 1841).
[11] Zie hierover: Bundel Waterwegen, rivier de Eem, 1830-1910 (Gem. archief Amersf. ).
[12] Dossier Jaagpad I (Raadsvergadering 24 juni 1844).
[13] T. a. p.: Corresp. Gedeputeerde Staten - gem. bestuur Soest - idem Amersf. , 21 dec. 1878 - 21 jan. 1879.
[14] Raadsnotulen Amersf. , 26 nov. 1929; 29 april 1930; Dossier Jaagpad III; Dossier rivier de Eem.
 

RESOLUTIES VAN HET AMERSFOORTSE STADSBESTUUR INZAKE DE VEERPONT AAN DE GROTE MELM
(Gem. archief Amersfoort no. 35)

I. 12 oktober 1674
(Uit een rapport, ingediend door Jacob Morray, burgemeester, en Samuel Thiens, schepen, gecommitteerden tot het Trekpad langs de Eem, bij de Stadsraad)
Eerstelijck dat het voorz. Treckpad albereets leyt ende lange jaren gelegen heeft van de voorz. stad Amersfoort tot aen de Grote Me1m over de dijken op de landen langhs de Eem, soo onder de Vrijheyt deser stad behorende als onder Isselt, Birkt ende Soest.
Dat voor de herberge op de Grote Melm moste geleyt worden een praem ofte schouwe, geapproprieert om een ofte twee peerden over de Eem te konnen oversetten op de buytendijxe maten van de polre De Slaegh onder Hamelenbergh. 
Op welke maten, competerende Dirk Reyerz., Sr. Rutger de Beer, Assuerus van Dolre, Anthoni van Snellenbergh ende de erfgenamen van Willem van Lommetsum zaliger ende Henrick Jan Thonisz., geleyt moste worden een kade, behoorlijck besant ende soo hoogh ende breet, als vereyst wert, onder voldoeninge, betalinge ende onderhout van de voorz. stad, omme
over deselve te komen op den Slaeghsendijck, alle welke voorz. personen daertoe haer consent hebben gedragen.
Dat tot het oversetten van de voorz. peerden met de geseyde praem ofte schouwe ende 't waernemen van deselve een bequaem persoon aldaer moste worden gedespicieert.

II. 25 januari 1675
(Betreffende de kade enz. aan de oostzijde van de Eem, in de Slaagse polder, tegenover de Grote Melm)
Is goetgevonden.... dat de kade, tot gebruyck van 't Jaeghpad langhs de riviere d'Eem geleght ende gekoght van Dirk Reyerz. .... (enz., zie excerpt I) nu ende ten euwigen dage tot coste ende laste van dese stad sal worden onderhouden ende haer, verkopers, vergunt als vergunt wort bij desen, het vrij acces ende reces tot ende van de Eem om op ende over haer lant te konnen komen.

III. 30 juli 1677
(Betreffende de werf aan de Grote Melm)


Aghtervolgende de authorisatie, van de Heren Regeerders deser stad op de Gecommitteerdens tot het maken vant Treckpad langhs de riviere de Eem verleent, soo sijn deselve in de name van hare Heren principalen, ter eenre, en dé Here Wolbertus van Muylwijck, eigenaer van sijne huysingen ende werf, gelegen aen de Eem, aen de Grote Melm, ter andere sijden, geaccordeert in manieren naervolgende, alse:
Dat gemelte Here Muylwijck, voor hem, sijn huysfrouw ende haer beyder erfgenamen, bij desen aenneemt, de werf metten aencleven vandien, beginnende van de schuttinge ter sijden de eerste kalckoven, sodanigh te verhogen, verbreden ende maken ende repareren tot sijnen costen, soo van aerde, paelen, planken ende rijs, nietwes uytgesondert, dat het peert ofte'
peerden voor het treckschip ofte schuyten deselve werf, sooverre die hem alsnu eygen is, bequamelijck sullen konnen passeren int heen ende wederkeren, ende also ende in dien selven staet euwighlijck ende erfelijck onderhouden, mede tot sijnen costen, ofte wel soolange sij, Heren Regeerders, de voorz. werf tot het Treck- ofte Jaeghpad komen te gebruyken.
Voor alle 't welke de Heeren Regeerders aen de heere Muylwijck eens in gelde gereet sullen betaelen een somme van eenhondert seven ende vijftigh gulden, thien stuyvers, boven nogh jaerlijcks, tvoorz. gebruyck geduyrende, ten reguarde van het onderhout: seven gulden, thien stuyvers, aenvanck nemende het le jaer, den 10en deser lopende maent July.
Blijvende ten laste van de Heren Regeerders 't maken ende onderhouden van een beschoyinge voor 't schoutje, aen ofte op 't geschey van de werf van de voorn. Heer Muylwijck ende Sr. Rutger de Beer, mitsgaders het onderhout vant bruggetje, leggende tusschen beyde sijne huysingen; ende sullen daerenboven de Heren Regeerders de voorz. werf jaerlijcks behoorlijck moeten besanden 't haren coste.
Ende sal de Here Muylwijck, soo dickmaels het hem gelieft, tot sijn gerief 't schoutje van de Heren Regeerders, om sijn peerden ende beesten heen ende weder over de Eem te doen komen, mogen gebruyken, sonder daervoor ytwes te betaelen. Ende of het gebeurde, dat de werf int geheel ofte voor 't grootste gedeelte door hogen watervloet, storm ende onweder quame wegh te spoelen ende dat dienvolgens tot herstellinge vandien merckelijcke onkosten bij de Here Muylwijck mosten werden geadhibeert, dat het sal staen aen de Heren
Regeerders om in gevalle voorz. naer discretie den Here MuyIwijck ende sijne successeurs dienaengaende te subveniëren enz. 

IV. 11 oktober 1680
(Exploitatie van het stedelijke veerpontje aan de Grote Melm)

Op de requeste van Assuerus van Dolre, brouwer, was gedisponeert: De Regeerders etc., gehoort het rapport van de Heren Gecommitteerdens over het Treckpadt, accorderen ende vergunnen den suppliant de schouwe, daermede de paerden van de veerscheepen ende anders werden overgevoert voor sijn huysinge op de Oude Me1m in de Eem, voor altoos in continuatie te houden, ende dat daervoor jaerlijckx sal genieten vijfftich gulden; des dat effectuere, dat iemant oppasse tot continueel gerieff int oversetten ende vaerdelijck overbrengen van de paerden van de veerschepen ende anders ende ieder houde clachteloos.

V. 6 juli 1691
Gehoort het rapport van de Heeren Borgermeesteren ende andere Heeren Gecommitteerdens vant Treckpadt, aanlangende 't gene op behagen van den Raad met Johan Vosch, nomine uxoris, nader hadden geconvenieert, over de vijfftich gulden, bij appointemente den lie october 1680 op de requeste van Assuerus van Dolder, voor de schouw, die aan de Melm in de Eem gehouden was te houden, gegeven, daarinne bestaande dat hij, Jan Vosch, ter sake als in denselven appointemente in plaatse van de voors. vijftich gulden, sal genieten jaarlijcks sesendertich gulden, inganck genomen hebbende met den lie october 1689, ende over den jare, verschenen den 11e october 1689 sal genieten de somme van drie en veertich gulden; is naar deliberatie goetgevonden, 't voors. geconvenieerde bij desen te approberen enz.

VI. Aanteekeningen ter gelegenheid van de schouw van het Trekpad langs, en het paalwerk aan den mond van de rivier den Eem, gedaan door.... burgemeester.... se -
cretaris.... architect en fabriek der stad Amersfoort, op den. . . . (niet ingevuld) juni 1837.
(Uit: Dossier Jaagpad en pontveeren langs en over de Eem enz. , deel I, op Gem. archief Amersfoort)

5. De schouwing aan de Groote Melm moet door de eigenaars worden onderhouden.De Stad betaalt voor regt van overgang van het Trekpad aan de eigenaars jaarlijks vijf of zes  guldens. De aldaar leggende pont over den Eem is van de Stad en ten haren lasten. De Stad moet ook de steiger of vleugel bij het pontveer onderhouden.


Utrechtse vaart naar den Eem anno 1641 door J Ruysch

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto