Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

Het haam in de boom en andere actualiteiten

Dit artikel van auteur E. Heupers is eerder gepubliceerd in Neerlands Volksleven, uitgave Zomer 1964

Op 6 april jongstleden werden wij te Eemnes vrij onverwachts gekonfronteerd met een „survival", een overleefsel, dat ons wel bekend was uit de daarover bestaande literatuur, doch dat wij zelf nimmer hadden mogen aanschouwen, daar, zoals ons meermalen werd meegedeeld, deze gewoonte in Eemland had opgehouden te bestaan. In de nacht van 5 en 6 april 1964 evenwel om drie uur precies, schonk de achtjarige merrie Marjan van de landbouwer Herman Post, Wakkeredijk 136, te Eemnes, het leven aan een hengstveulen. De gehele nacht was men er voor op de boerderij in de weer geweest, doch gelukkig had de „blijde gebeurtenis" een voorspoedig verloop en deden zich geen komplikaties voor. Tijdens en na de geboorte worden de dieren met bijzondere zorg omringd, want moeder en kind vertegenwoordigen voor de boer een niet geringe ekonomische waarde en daar komt bij de zorgende liefde voor zijn vee. De boer slaapt desnoods dagen achtereen op de deel in een leger van stro en hooi, in de nabijheid van de stal van de merrie. Een veulen kan immers in het haarli vastzitten, doordat
dit om de neusgaten sluit [1]. En zo zagen wij in de namiddag van bovengenoemde datum, dat twee zoons van Post de nageboorte van het paard in een op het erf staande boom hingen. Met behulp van een lange hooibergleer en een gaffel werd het roze-roodachtig gekleurde haam, circa 15 meter hoog, op een zijtak van de wilgenboom gedeponeerd, als de meest hiervoor geschikte plaats.
Hier blijft het hangen, totdat het is verteerd door wind en regen. Van enige plechtigheid was geen sprake, zoals vroeger in Drente wel het geval was [2]. Een oeroude gewoonte, van vader op zoon overgegaan, waaraan de boer nog zoveel waarde hecht, dat hij hiermee tot op de huidige dag is blijven doorgaan. Elk jaar wanneer er op de boerderij van Post een veulen wordt geboren wordt het haam in de boom gehangen. Overigens is hij een boer, die met zijn tijd is meegegaan, moderne en rationele opvattingen in zijn bedrijf toepast, doch aan de andere kant zo aan de oude traditie is gehecht, dat het haam in de boom moet worden opgehangen; daar wijkt hij niet van af. Hij wil het zo, zo deden zijn vader en grootvader het, en zo zet hij de traditie voort. Of zijn zoons dit zullen blijven doen, betwijfelt hij ten zeerste, daar zij van mening zijn, dat het veulen evengoed zijn kop omhoog zal houden, al komt het haam niet meer in de boom. 

Vroeger, ongeveer dertig en meer jaren geleden, was het een algemeen voorkomend verschijnsel, aan iedere boer bekend, dat daarna door betere voorlichting op veeteeltgebied zo goed als verdwenen is. Boer Post gelooft al lang niet meer, dat door het ophangen van het vruchtvlies van een paard in een boom, het veulen later de kop omhoog zal houden en een fiere gang krijgt, zoals destijds bijna iedereengeloofdewaarom het ook gedaan werd. De boer ziet nu eenmaal graag een mooi paard, dat in de gang het hoofd recht omhoog houdt. Het is zijn trots, wanneer het is aangespannen voor de koets of het Utrechtse tentwagentje en hij met zijn echgenote naar de kerk rijdt of op familiebezoek gaat; een fier paard, zelf gefokt, uit eigen stal.
Het voortbestaan van dit gebruik en andere in het volksgeloof levende opvattingen uit preahistorie en voorchristelijke tijden afkomstig wortelt dieper op het platteland, dan in de steden waar men weinig waarde hecht aan tradities en gebruiken.
Voortdurend is er strijd geleverd tegen bijgeloof en onchristelijke gebruiken, die bij het volk zijn blijven voortleven, die zich hebben weten te handhaven, al hebben zij hun vroegere inhoud in onze moderne tijd veelal verloren, waardoor de band met het verleden verbroken is. Eemnes nu heeft zijn agrarisch karakter weten te behouden en is slechts zwak aangetast door de industrialisatie, waardoor de instandhouding van het oude gebruik alleszins is te verklaren. Niet dat de boer niet met zijn tijd is meegegaan en er primitieve toestanden zouden voorkomen op landbouw- en veeteeltgebied, maar de zin voor het oude yolksgebruik is nog niet verloren gegaan en leeft er nog onder de boeren, waarvan dit verleefsel een stille getuige is.
Bezien wij de Volkskunde-atlas voor Nederland en Vlaams-België aflevering 1, „de nageboorte van het paard", waar de gegevens zijn opgetekend, aangaande datgene wat er in die gebieden met „het haam" wordt gedaan, (in de boom hangen, op de mesthoop gooien, begraven of opvoeren aan de varkens), dan valt het op, dat in het gewest Eemland — gezien de tekens — het gebruik slechts op enkele plaatsen bekend zou zijn. Met de ons ten dienste staande gegevens is het mogelijk de frequentie van het verschijnsel voor dit gewest nog aanmerkelijk op te voeren. Als plaatsen waar de nageboorte van het paard in de boom werd opgehangen, noemen wij alsnog: Hoogland, Hamersveld, Soest, Leusden, Baarn, de Lage Vuurse, De Bilt en in de naaste omtrek van Amersfoort, waar de boeren het gebruik eveneens kenden. In Maartensdijk werd het haam in een eikeboom gehangen, nooit in een andere boom. Daarentegen deponeerde men het in het naburige Westbroek in een appelboom. In Appel, onder de gemeente Nij kerk, werd ons verteld, dat het vruchtvlies werd  begraven; ouderwetse boeren echter hingen het hoog in de boom. Doorgaans werd het in een meest hiervoor geschikte boom opgehangen, meestal op het erf. Een spar- of denneboom kwam hier nooit voor in aanmerking. Een bepaalde voorkeur had men niet; een wilgeboom werd zelfs vaker genoemd dan een eikeboom [3]. 
De algemene benaming voor het vruchtvlies van het paard in Eemland is: het haam, hoewel wij in De Bilt een oude boer hoo,rden spreken van „het ham". Etymologisch zou het woord „haam" nog samenhangen met het Nederlandse „hemd" en het Engelse „hom". In Drente was een der benamingen voor het haam „het hamer", terwijl men in het Platduits ook spreekt van ,,ham" [4] Zo zijn de woorden haan-i, ham, ame en hamer, die vooral in het westen en noorden van ons land bekend zijn, nauw verwant met een aantal oudere germaanse woorden, die omkleedsel, omhulsel, huid betekenen en die men ook terugvindt in ons „lichaam" (letterlijk het omhulsel van het vlees [5].
Het ophangen van het haam zou een gebruik zijn uit voorchristelijke tijden. Hierbij dacht men aan boomgeesten en aan een Wodansoffer. De benaming Wod en Wodbaum voor de nageboorte van het paard en de boom waarin ze wordt opgehangen, die hier en daar in Noord-Duitsland zijn aangetroffen, hebben tot die veronderstelling aanleiding gegeven [6] Het haam als geneesmiddel is minder bekend en het zou interessant zijn hiernaar eens een onderzoek in te stellen. Van Theodorus van Agterveld, wonende te Blarikum, die in zijn jonge jaren als bouwmeester diende bij een boer te Eemnes, hoorden wij, dat het haam van een paard in de boom werd opgehangen. Was het opgedroogd, dan werd er, wanneer het geval zich voordeed, een stukje van afgesneden en op de zwerende handen en voeten gelegd. Het werd natgemaakt en op de zweren geplakt. Of het haam als voer diende voor de varkens is in Eemland niet bekend. Dit was wel het geval met de zogenaamde „pootebloas". In een buitengewoon geanimeerd gesprek lichtte Post ons nader hierover in. De „pootebloas" of pootjesblaas is een deel van het vruchtvlies van een koe; het licht. Dit werd opgevoerd aan de fokzeug, wanneer het dier pas jongen had geworpen en zou het een stimulerend middel zijn voor de zeug en de biggen. Het gebeurde meestal bij oudere boeren, anderen wachtten zich er wel voor en hier werd de „pootebloas" en het „licht" na de geboorte van het kalf begraven. 
Zulke huismiddeltjes kenden de boeren overal en bij gebrek aan een goede veearts werd vaak met deze middeltjes gedokterd. Er waren „paardemiddelen" onder: het zieke dier ging er aan dood of het kwam er weer boven op.
Dikwijls werd de hulp ingeroepen van een „belezer", iemand die de gave bezit, dat hij pijn kan belezen of aflezen zowel bij mensen als dieren. Stond een paard op drie benen; was het kreupel of een koe „overkoot", dan werd de belezer verzocht even op de boerderij te komen. Hij bekeek het zieke been, streek er langs met beide handen zonder het evenwel aan te raken, maakte er een of meer kruisjes over en de behandeling was geschied. Gebeurde het „belezen" in de weide, dan werd de graszode, waarop het zieke been stond, rondom de hoef uitgesneden en de „zooi" onder de pannen te drogen gelegd. Was de koe of het paard twee dagen kreupel geweest, dan was het dier, nadat het was belezen, ook na twee dagen absoluut weer beter. Zoveel dagen al het kreupel was geweest, zoveel dagen duurde de genezing. Al het vocht in de graszode was er intussen uitgetrokken, een overtuigend bewijs dat de behandeling sukses had gehad. Wel moest men vertrouwen stellen in de „belezer", anders hielp het niet. Voordat de behandeling zou beginnen, werd aan de boer gevraagd of hij geloof in hem stelde en het zieke beest aan hem durfde toevertrouwen. Destijds geloofde iedereen aan deze „magische" praktijken, zodat men de behandeling nimmer uitstelde op grond van ongeloof, temeer daar zij geen geld kostte. Geld was in die tijd schaars en lang niet iedere boer kon een veearts betalen. Hij dokterde daarom liever zelf met huismiddeltjes aan zijn zieke dieren. 
Vanzelfsprekend kwamen deze oude bekende huismiddeltjes op tafel. En de vrouw des huizes had nog iets bijzonders van heel heel vroeger: ergens uit een lade diepte zij een  zogenaamde „brandbriefje" op. Bij haar mans familie was het altijd gebruikt, wanneer een kind en ook wel ouderen zich op een of andere wijze hadden verbrand, onvoorzichtig waren geweest met vuur of kokend water.
Het was een klein stukje papier, uit een of ander boekje gescheurd, waarop stond geschreven:


BRANDBRIEFJE
te leze voor brand
zelf schrijven
Jezu ging aalthaksland
leuslette zijne Juke
Dumat erge de Jult
erebrand
J. H. S.


De laatste letters zouden betekenen: „Jezus Harte Smarten", volgens de echtgenote van boer Post, die er bij vertelde, dat het vroeger wel gebruik werd. Wanneer een kind, dat niet kon schrijven, zich had verbrand, dan hield vader of moeder pen of potlood vast. Zelf overschrijven was echter het beste en de pijn werd opslag minder, doch men moest er wel aan geloven, anders had het geen zin.
Nadat wij het briefje hadden overgeschreven, werd het zorgvuldig weer opgeborgen. 
Misschien, je kunt zo iets toch maar zo niet wegdoen, wat zolang bewaard is gebleven in je familie — heb je het nog eens nodig. En als het weggegooid wordt, heb je helemaal niets. Grootvader en grootmoeder deden het er vroeger toch ook mee en die hadden het weer van hun ouders. „Neen, weggooien kan altijd nog, laten wij het maar bewaren." En met deze woorden verdween het papiertje in de lade van de kast, waar het al meer als dertig jaar tussen andere papieren had gelegen.
Al zijn er in Eemnes nog enkele boeren, die oude gebruiken in ere houden, (waaronder het ophangen van het haam in de boom), omdat de traditie het zo wil, jongeren hechten hieraan toch ook wel waarde, wanneer het levensvatbaar is. Het is juist de jeugd, die naar nieuwere vormen zoekt en die ook vindt, al zal men dit in de steden minder dan op het platteland waarnemen. In Eemnes is een bijzondere manier van „Abraham zien" in zwang gekomen. Wanneer de boer of de baas vijftig jaar is geworden wordt vaak een levensgrote pop op het dak van zijn huis aangebracht, door personeel of familie. Zo zagen wij het vorige jaar, op 26 juli 1963, een stropop op de schoorsteen staan bij de familie Melman, Meentweg 9, waar die dag de baas vijftig jaar was geworden. Men meende dit heugelijke feit te moeten vieren, door een pop op de schoorsteen te plaatsen gekleed in een blauwe overall en een breedgerande hoed op zijn stroblonde haren. 
De schoonzoon bevestigde het hele geval aan een staak en maakte deze vast aan de schoorsteen op het dak. En zo schommelde die dag „Abraham" zachtjes heen en weer in de wind. Midden in de nacht was men hiervoor opgestaan en een paar uren nachtrust waren er bij ingeschoten, voordat het zover was. Volgens mevrouw Melman, had haar man 's nachts niets vernomen, anders was hij vast wel naar buiten gekomen, om te zien wat er aan de hand was. En dan was feitelijk de aardigheid er af geweest. Eigenlijk is het een blijk van waardering voor de baas, die zijn vijftigste verjaardag viert. Melman was er bijzonder mee ingenomen.
Vaak heeft het een extra prettige kant, want de buurt wordt er attent opgemaakt, dat de heer des huizes „Abraham" heeft gezien en een welgemeende felicitatie wordt altijd nog op prijs gesteld. Het is een prettige en zinvolle ea. ditie, die men niet graag zou willen missen. Hieruit blijkt, dat iets heel ouds in een andere, hernieuwde vorm is teruggekomen en jongeren  evenveel zin voor traditie hebben als ouderen. Al te dikwijls wordt beweerd, dat in onze moderne tijd geen plaats meer is voor traditie, die in de vorige eeuw thuis hoorde en niet meer van deze tijd is. De „Abram" op het dak te Eemnes bewijst, dat de zin voor traditie bij het volk nog leeft.

NOTEN
[1] Zie: Neerlands Volksleven, jrg. IX. No. 2. Volksgebruiken bij veeziekten in Rijnland door A. Commandeur, destijds adjunkt-inspekteur van de Veeartsennijkundige Dienst.
[2] Nehalennia, jrg. 1 (1956) blzz. 104-107. Hier wordt door Ds. W. Tj. Klumper vermeld, dat de grootmoeder ieder jaar de plechtigheid verrichtte, waarbij de zoons met de pet in de hand toekeken.
[3] Mededelingen van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen, nr. 11, december 1959. „Begraven of in de boom" door J. J. Voskuil.
[4] Nehalennia, ibidem.
[5] Mededelingen enz. a.w.
[6]) ibidem.
 

NASCHRIFT.
De heer J. J. Voskuil, van de Centrale Commissie voor onderzoek van het Nederlandse Volkseigen, afdeling Volkskunde, te Amsterdam, was zo vriendelijk een toelichting te verstrekken op het zogenaamde „brandbriefje". Van het brandbriefje is niet veel meer te maken. Het is ongetwijfeld een variant van de Laurentius-Brandsegen, waarover een artikel in het Romansbiichlein van Adolf Spamer (Berlin 1958) staat. De formule luidt: „Vor den Brand. Unser lieber Herr Jesus Christ, ging über Land, da sah er brennen einen Brand, da lag St Lorenz auf einem Rost, unser lieber Herr Jesus Christ kan ihm zu Hlf und Trost, er hub auf seine g&tliche Hand und segnete ihm den Brand, er hub dass er nimmer tiefer grub und weiter urn sich frass, so sei der Brand gesegnet in Namen Gottes des Vaters, des Sohnes und des heiligen Geistes. Amen". Spamer geeft daarvan verschillende (ook Nederlandse varianten), die echter de tekst van het briefje niet verhelderen. De tekst is daarvoor in de afgelopen eeuwen teveel verminkt (de oudste tekst dateert al uit de vijftiende eeuw). Het onderschrift J. H. S. bestaat uit de beginletters van het Griekse woord voor Jezus, waaraan in de loop der eeuwen allerlei verschillende betekenissen zijn gehecht: in hoc signo — Jezus, Heiland, Saligmaker en ook: Jezus, hart, smart, die de vrouw van boer Post kende.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto