Dit artikel van auteur E. Heupers is eerder gepubliceerd in Neerlands Volksleven, uitgave februari 1965
Er verschijnen in kranten, tijdschriften en andere periodieken van verschillende aard, soms een overvloed van artikelen, die alle gewijd zijn aan het kind en zijn spel; tenslotte leven wij in „de eeuw van het kind". Opvoeding, pedagogiek en psychologie van het kind, zijn dankbare en aantrekkelijke onderwerpen waarvoor in het algemeen grote belangstelling bestaat. Af en toe vinden volkskundigen hierin wel eens iets, dat van hun gading is, want het kinderspel, zowel als de kinderspelen en -liedjes zijn folkloristische onderwerpen van historische, regionale en lokale aard, waarvan wij in ons land nog maar weinig weten.
Op 23 oktober 1963 e.v. verscheen er in de Amersfoortse Courant een serie artikelen onder de titel: ,,Kinderen spelen . . . niet meer". Een plaatselijk hoofdonderwijzer verleende hieraan zijn medewerking. Het schijnt de bedoeling te zijn geweest, een aantal verdwenen of weinig of niet meer gespeelde kinderspelletjes te laten herleven. Zeer verdienstelijke foto's van diverse kinderspelen verhoogden in niet geringe mate de leesbaarheid van het artikel en gaven een goede kijk op het kinderspel, zoals het nu nog wordt gespeeld. Hoewel hier van een belangstelling voor het kinderspel kan worden gesproken, is of was het t6ch niet meer dan een journalistieke reportage, die de aandacht wilde vestigen op het feit (en o.i. zeer terecht), dat de straat geen speelplaats meer is voor het kind en dat een pleidooi inhield voor meer speelruimte voor de tegenwoordige jeugd. Wij citeren hieruit:
Als speelplaats heeft het kind de straat moeten afstaan aan het vervoermiddel van de mens: de auto, de brommer en de fiets. De jeugd heeft de openbare weg als speelplaats verloren en daarmee een groot aantal kinderspelen met rijke inhoud, waaraan kinderen pret en plezier beleven.
Nu: de dood loert op elke straathoek, langs iedere stoeprand en geen kind is meer veilig op straat. Kinderen hebben niet meer de ruimte, die ze willen hebben voor hun spelen. En de ruimte, die ze willen hebben, is de straat, de laan, het plein. Dat zijn de terreinen waar ze met elkaar kunnen hollen en rennen en vliegen. Wat is er voor aardigs aan een afgesloten speeltuin, met een hoog hek, omdat je er niet binnen mag en als je er wel binnen mag, voel je je als in een soort concentratiekampje. Bovendien staan de speeltuinen vol met ouderwetse apparaten, waar het plezier na vijf minuten af is.
Daarom speelstraten opdat de jeugd weer meer ruimte krijgt om te spelen, zoals vroeger.
Tot zover dan dit enigszins in mineur gestelde relaas, waarin betreurd wordt, dat een groot aantal kinderspelen verdwijnen, die honderden jaren hebben getrotseerd en die overgingen van generatie op generatie. Er wordt in aangetoond, dat de jeugd de gelegenheid mist te spelen op de plaats, die hiervoor het meest in aanmerking komt: de straat. De openbare straat heeft tegenwoordig een andere funktie. Door het enorme, steeds toenemende verkeer is zij niet veilig meer. En dat was vroeger wel het geval, toen niet met zulke grote snelheden werd gereden en het verkeer niet zo intens was. Dat hierdoor het kinderspel en de kinderliedjes tot uitsterven zouden zijn gedoemd, lijkt ons al te voorbarig, daar men steeds veranderingen kan konstateren in het kinderspel en -lied, die het leven in stand houden.
Niettemin, in de 20ste eeuw is in ons land het kinderspel hard achteruitgegaan, tot schade van het kind zelf en van zijn opvoeding [1]. Juist nu zien wij, dat de jeugd elk stil hoekje of straatje weet te gebruiken voor haar spel, daar de straat hiervoor geen gelegenheid meer biedt. Wij mogen niet ontkennen, dat in groeiende steden en dorpen hiervoor hoe langer hoe minder plaats en ruimte overblijft. Op het platteland is nog voldoende ruimte om naar hartelust te spelen en zien wij dat de aloude spelen nog door de jeugd worden beoefend. Zij blijken nog springlevend te zijn: knikkeren, vliegeren, tollen, hinkelen, vang- of krijgertjespelen en touwtjespringen met al zijn variaties zijn nog lang niet verdwenen of op hun retour. De oude liedjes die hierbij worden gezongen wisselden nogal eens in de loop der tijden. En wie zijn ogen goed de kost geeft zal spoedig zien, dat overal in het land, in stad en dorp de jeugd nog volop speelt, al heeft zij de straat noodgedwongen moeten prijs geven. Een niet te ontkennen feit is, dat de georganiseerde sportbeoefening, specifieke jongensspelen heeft teruggedrongen, die hierdoor zullen verdwijnen. Voetbal heeft het terrein veroverd en het wordt boven andere spelen gesteld. Zelfs het ongeorganiseerde voetballen, het zogenaamde straatvoetbal, behoort hiertoe, want ook hieruit blijkt, dat de jeugd graag iets spontaan doet, zonder inmenging van ouderen of pedagogen, die hiertegen misschien stelling nemen. Is het voetballen op het schoolplein, als te ruw of te gevaarlijk, voor de kleinere kinderen, verboden, dan zien wij, dat de oude spelletjes van stal worden gehaald: diefje-verlos en bokspringen blijken nog niet te zijn vergeten. Zelfs „toernooien" zagen wij nog eens, waarbij twee jongens paard en ruiter vormen en anderen proberen van hun paard te trekken. Uit onze jeugd herinneren wij ons dit spel nog levendig, dat de voetbal deed vergeten, doch ook maar al te dikwijls ontaardde in een ruw smijt-en-gooispelletje, dat evenals het voetballen vrij spoedig werd verboden. Het herinnert aan de Oudengelse tweegevechten. Bij deze spelen treedt echter naast de vechtlust ook de zucht op om zich te onderscheiden en in het openbaar van zijn moed en flinkheid te doen blijken [2]. Bij het „toernooien" soms van klas tegen klas, waarbij de sterkere jongens als paard fungeerden, was een flinke schram of buil lang niet denkbeeldig, evenmin een gescheurde bloeze of broek. Het laatste was misschien nog erger dan de buil aan je hoofd, want dat beloofde een geduchte schrobbering van moeder, die allerminst op dit spelletje gesteld was.
Hoepelen, bokspringen (in Utrecht; piejeeën), bok-sta-vast, petjebal — welke jongen draagt tegenwoordig nog een pet —, steltlopen, allemaal kinderspelen, die niet alleen door de enkeling worden gespeeld, doch ook gezamenlijk; spelen die een sociaal karakter dragen; ze zijn langzamerhand verdwenen. Misschien nog niet helemaal vergeten, doch niet meer zo gewild onder de jeugd, als vroeger het geval was. Haasje-over kent men nog wel. Men ziet het zelfs meer bij meisjes dan bij jongens. Vroeger was dit voor een meisje onmogelijk. Het was zuiver een jongensspel.
Verandering in kleding (kortere rokken) is hieraan niet vreemd. De jongens kennen het nog wel, maar dan meer als een trainingsoefening, behorende tot een onderdeel van de training. Op straat en op het schoolplein wordt het niet meer gedaan. Het echte bokspringen, waarbij wordt begonnen bij de stoeprand en als allen een beurt hebben gehad, de bok een stap opschuift en opnieuw wordt begonnen, wordt in Soest niet meer gespeeld door jongens.
Knikkeren is nog altijd geliefd onder de jeugd. Enige periodiciteit hebben wij er niet in kunnen ontdekken. Op een gegeven ogenblik knikkerden alle jongens en meisjes om er ineens ook weer mee op te houden. Oude en verouderde uitdrukkingen bij dit spel hebben, plaats gemaakt voor andere benamingen. „Spannepik- twee", een destijds gewone benaming voor het knikkeren in „een kuultje", hoort men tegenwoordig niet meer. Op weg van — en naar school ziet men nog wel eens een enkele keer dat jongens met elkaar aan het op- of naschieten zijn.
Hierbij worden knikkers van groter formaat gebruikt dan de normale. Een koegel, zei men vroeger; tegenwoordig zijn het gekleurde glazen knikkers, die men in de winkel kan kopen. In onze jeugd maakten handige jongens de knikkers zelf van stopverf. Zij hadden echter het nadeel, dat zij, wanneer ze te droog werden, uit elkaar vielen. De mooie ronde vorm, die de fabriekmatige knikkers kenmerkte, ontbrak aan deze met de hand gevormde. Zij waren niet in tel en golden als minderwaardig.
Naast het knikkerspel is het vliegeren vooral onder de jongens nog buitengewoon populair. Tegenwoordig ziet men meer dan vroeger vliegeren op ongewone tijdstippen.
In het algemeen werd er „gevliegerd" in augustus [3]. Dit is zeer zeker niet meer het geval. In het voorjaar en in de maanden mei, juni en juli zagen wij te Soest, Soesterberg en Amersfoort jongens met elkaar vliegeren. Het schijnt dat sommigen onder hen niet onbekend zijn met de „thermiek" (luchtstromingen), die bij de zweefvliegsport een rol speelt. Bij gunstig weer, d.w.z. bij gunstige wind, trekken zij er op uit om hun vliegers op te laten. Geheel onwaarschijnlijk lijkt dit niet, daar het zweefvliegen met verschillende, vaak zelfgebouwde modellen,
onder de jeugd veel beoefenaars vindt. Eenmaal per jaar, in de grote vakantie vindt te Amersfoort een groot vliegerfestijn plaats. Het gebeurt door partikulieren in georganiseerd verband, waarbij winkeliers prijzen uitloven voor de beste prestatie en de mooiste zelf gemaakte vlieger. Voorwaarde is, dat deze ook werkelijk de lucht ingaat. Het „vliegeren" is een onderdeel van de aktie „de jeugd van de straat" en langzamerhand is het een traditie geworden. Een klasse apart is het zogenaamde „vechtvliegeren". Het eist grote behendigheid, waarbij het er om gaat de vlieger van een tegenstander in de kortst mogelijke tijd buiten gevecht te stellen.
De winnaar ontvangt een wisselbeker, die hij het volgende jaar moet verdedigen. Wordt hij driemaal achtereen kampioen dan mag hij de beker behouden. De kringspelen schijnen de jeugd van tegenwoordig weinig meer te boeien. De spelletjes worden nu op de kleuterschool en in de laagste klassen van de lagere school geleerd. Oudere meisjes vinden deze spelletjes al gauw kinderachtig en doen er niet meer aan mee.
Wel is het opmerkelijk dat zij de liedjes die hierbij gezongen worden nog niet zijn vergeten en dat zij wisten hoe er gespeeld werd. „Zakdoekje leggen, niemand zeggen" en „Klein Anna zat op blauwe steen" kent ook de huidige generatie, dank zij het kleuteronderwijs. Op straat wordt het echter niet meer gespeeld. Touwtjespringen is vooral bij de meisjes nog altijd een geliefd spel, dat zijn aantrekkelijkheid nog niet heeft verloren. Naast meer moderne liedjes van onze tijd worden ook de oude versjes gezongen. Zo hoorden wij te Soest bij het touwtjespringen door een aantal meisjes, het overal elders bekende liedje:
Mammesjeu, de meisjes bukken,
Mammesjeu, hela, hek.
Engeland is overwonnen,
Engeland is in de strijd.
Laat je zoenen door een jongen;
Laat je zoenen door een meid.
Het springtouw wordt door twee meisjes gedraaid. Is het liedje uit, dan wordt het boven het hoofd van de springster gedraaid, die haar plaats afstaat aan haar opvolgster.
Volgens S. J. van der Molen gingen de kinderen in Drachten hetzelfde liedje [4], op dezelfde melodie, doch met een enigszins afwijkende tekst. In het Friese Drachten zingt men „Nederland heeft overwonnen, Nederland is kampioen" en hij schrijft dit toe aan de sport (internationale voetbalwedstrijden).
Dit voorbeeld maakt het duidelijk vari hoe groot belang het is het kinderspel en -lied te noteren. Tot nu toe werden slechts willekeurige notities gemaakt.
Het zo juist genoemde: „mammesjeu" (op andere plaatsen „larnmesjeu") wordt door Jan van Mourik [5] als minder bekend genoemd en hij noteert het als volgt:
Mamescheu, de menschen bukken
Mamescheu van Engeland.
Engeland is overwonnen,
Engeland, halelua
Do-re-mi-fa-sol-la-si-do.
D o-si-la-sol-ƒ a-mi-re-do .
Het overal verspreide „Groene zwanen, witte zwanen" is veranderd in:
Zwarte zwanen, witte zwanen.
Wie wil mee naar Engeland varen;
Engeland is gesloten.
De sleutel is gebroken.
Daar is geen smid in 't hele land,
Die de sleutel maken kan.
Laat doorgaan, laat doorgaan,
En de laatste zullen wij vangen.
Aan Engeland (Groot-Brittannië) behoeft hier niet te worden gedacht (al zouden deze liedjes een herinnering levendig houden aan de slag om Engeland in de tweede Wereldoorlog, zoals ons eens werd meegedeeld). Als men weet hoe oud de rijmpjes zijn, en hoe in schier ieder land zij in de vroegste tijden ontstonden, dan is het begrijpelijk, dat vele begrippen, zoals wij ze thans nog terug vinden in de rijmpjes en kinderliedjes, tot de grijze oudheid teruggaan en ons vertellen kunnen van allerlei godsdienstige gebruiken bij onderscheiden volken [6]. Veeleer moet gedacht worden aan het Lichtland, het Engelen- of Zielenrijk, of het dodenrijk dat men na een laatste boottocht bereiken zal. Te Utrecht hoorden wij een variant op dit lied, doch met een andere tekst, dan de beide voorgaande liedjes.
Koekoek laat me dansen,
Laat me springen;
Laat me trouwen met je kind.
Laat me trouwen met je dochter.
Maak je moeder (vader) dan maar blij.
De liedjes bij het touwtjespringen zijn variabel en plaatselijk verschillend. Ook het springen kent nog onderscheid. Er wordt „gewoon" gesprongen en „show", d.w.z. in een langzaam en een vlug tot zeer vlug tempo. Bij het gewoon springen wordt meestal een liedje gezongen dat.yeel weg heeft van een aftelliedje. Hiermee wordt meestal begonnen.
Ik trouw met een koning,
Edelman, bedelman, dokter,
Pastoor, koning, keizer,
Schuttermajoor.
Advokaat, winkelier, grossier.
Dit wordt gevolgd door:
Ik trouw in het rood, wit, blauw, oranje.
Ik trouw in het licht donker, licht donker.
Maakt de springster nog geen fout, dan wordt het touw vlugger rondgedraaid en zingt men:
ik trouw met één man, twee man, drie man,
vier man, enz. . . (tot tien aantoe).
Er wordt doorgeteld tot men af is, d.w.z. een fout maakt en een ander meisje als springster aan de beurt is. Is dit niet het geval, dan zingt men in een nog vlugger tempo:
ik krijg één kindje, twee kindjes,
Drie kindjes, enz. . .
Iets minder vlug dan de vorige wijsjes is het volgende. Er wordt bij gezongen en
niet afgeteld:
Tante Nel trekt aan de bel,
Trekt aan het touw.
Rood, wit, blauw.
Op dezelfde wijze volgt dan:
Zie de vlag Marie.
Van je één, twee, drie:
Sol, fa, mi.
Dit zijn springliedjes waarbij met een touw wordt gesprongen, dat door twee meisjes wordt gedraaid. Wordt er met twee touwen gesprongen, die tegen elkaar in worden rondgedraaid, dan geschiedt dit in een langzamer tempo dan met een touw. Het ritme verandert en men begint steevast met het bekende:
In spin de bocht maar in,
Van je uit, spuit de bocht maar uit.
Van je één,
Van je twee,
Van je drie.
Twee meisjes springen gelijk. Is het liedje uit, dan verlaat een meisje de draaiende touwen en springt een ander meisje er tussen, waarbij wordt gezongen:
Drop en er tussen;
Je mag volstrekt geen jongen kussen.
Van je hi, ha, ho.
Brengt het springende duo het tot een goed einde en worden er geen fouten gemaakt, dan gaat men over op:
Karel een,
Brak z'n been.
Karel twee,
Sprong over de Zuiderzee.
Karel drie,
Brak z'n linkerknie.
Karel vier,
Drinkt een slokje bier.,
Karel vijf,
Sloeg z'n wijf.
Karel zes,
Stand op de fles.
Karel zeven,
Staat te beven.
Karel acht,
Stond op wacht.
Karel negen,
Voetjes vegen.
Karel tien,
Kust z'n vrouw in de vliegmachien.
Touwtjespringen vergt een niet al te grote ruimte. Een stil en afgelegen plekje waar weinig verkeer is, is gauw genoeg gevonden en het is nog altijd bijzonder populair onder de meisjes. Jongens doen hieraan niet mee. Het is dan ook nog lang niet verdwenen; evenmin de oude liedjes die hierbij worden gezongen.
Even bekend is het „pik-oly-Graefspel", het klassieke raadspelletje, dat over ons hele land verspreid is. Het komt onder verschillende benamingen voor. Het is een oud spelletje en in de 17de eeuw al onder de jeugd bekend [7]. Het wordt door drie kinderen gespeeld. Een staat in gebukte houding tegen een speelkameraadje aan, die zijn hoofd in de samengevouwen handen houdt. Nu springt de derde speelmakker op zijn rug. Is hij goed en wel gezeten, dan maakt hij een figuur met zijn vingers. Hetzij een mes, een schaar of een bril. Degene die gebukt staat moet nu raden welke figuur de op hem zittende heeft gemaakt. Raadt hij goed, dan is het zijn beurt om te springen. In onze jeugd noemden wij dit raadselspelletje „Scheer (= schaar), mes of bril". In Soest is het bekend onder de naam: .,Pik-olie-dik". De duim is „pik", de wijsvinger „olie" en de middenvinger „dik".
Het onderwijs op school wordt voortgezet, — machtige, nu eens voortstuwende, dan weer stremmende faktor in de volksontwikkeling van het kind [8]. Hierbij mag niet vergeten worden het kleuteronderwijs, dat er op gericht is het kind al spelende te leren. De op de kleuterschool geleerde eenvoudige, kinderlijke spelletjes en liedjes zullen voor een latere generatie van betekenis kunnen zijn. „Klein Anna zat op blauwe steen" wordt de kleuters op hun schooltje door de juf geleerd en de meeste kinderen (vooral de meisjes) herinneren zich deze spelletjes, al zijn ze er aan ontgroeid en vinden ze op latere leeftijd flauw en kinderachtig. De reidans wordt hun ook geleerd, hoewel de liedjes die hierbij worden gezongen nogal variëren. Zij schijnen met hun tijd mee te gaan. Een van de populairste dansliedjes, die nu worden gezongen luidt:
Mariska is een danseres;
Komt uit verre landen.
De lipjes rood,
De billetjes bloot,
Zo danst zij in het rond.
Het meisje (Mariska) danst voor de meisjes langs; terwijl zij zingt, strijkt zij met haar vinger langs de lippen. Bij de „billetjes bloot" licht zij haar rokken op charmante wijze omhoog. Is zij aan het einde van de rij, dan kiest zij een vriendinnetje, dat dan als danseres optreedt en op haar beurt langs de rij meisjes danst. „Bedeltrekkertje", eigenlijk „Beeldtrekken" is nog lang niet verouderd en wordt dikwijls gespeeld door meisjes, meer dan door jongens. Een schoenmaker, smid, tuinman, muzikant, groenteboer en melkboer worden met veel fantazie uitgebeeld. Er staat een rij meisjes tegen een muur opgesteld. En een der meisjes gooit telkens een meisje uit de rij, dat dan een houding aanneemt die moet lijken op een van de vermelde beroepen. Een ander meisje moet dan raden wat de figuur voorstelt. Raadt zij het dan mag zij „beeldtrekken".
De oude aftelversjes hebben zich nog het best gehandhaafd. „Wie hem is?" vinden wij in de korte zogenaamde aftelversjes of -rijmpjes. Het lijken onzinnige deuntjes, die door de eeuwen heen door de kindermond zijn vervormd — veel is er weggelaten en evenveel toegevoegd. Het oude is niet meer te rekonstrueren. Het bekendste is wel:
Ikke — pikke — porretje,
De meester heeft een snorretje,
De meester heeft een sik,
Af ben ik.
Zeer veel wordt nog gebruikt (zoals Soester meisjes ons vertelden):
Iene — miene — matte
Tien pond grutte
Tien pond kaas,
lene — miene — matte is de baas.
Het oude rijmpje wordt nog zeer veel gebezigd, doch daarnaast heeft de moderne tijd zijn invloed laten gelden. Zo hoorden wij verscheidene malen:
Donald Duck zat op de kruk.
Krak zei de kruk,
En weg was Donald Duck.
Een enkele rnaal speelt het getal een zekere rol:
1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - elf
Het bootje vaart naar Delft,
Het bootje vaart naar Rotterdam,
Wat lust jij op je boterham?
Koek, spek, kaas of honing,
Dan ben je morgen de koning.
Bij het woordje „koning" is men af. Maar twee meisjes vragen dan, wat zij op haar boterham wil hebben. Wordt er nu geantwoord: kaas dan fluisteren de meisjes haar in het oor: „Dan ben je morgen de baas". Is het „spek", dan volgt er: „Jij bent gek". Raadt het meisje „koek", dan volgt onder veel hilariteit: „Doe het in je broek". Er bestaan een groot aantal zogenaamde aftelrijmpjes, waaronder het in mijn jeugd zeer eenvoudige:
Ot — bot — kat — vôt!
Dit hoort men tegenwoordig niet meer; toch was het vroeger in Twenthe het meest eenvoudige aftelversje, dat door de jeugd werd gebruikt, Zoals de meeste berust het op stafrijm en klankeffekt.
Naast het vrije spel kennen wij een aantal spelen, die voor zover bekend, nooit anders dan i in georganiseerd verband worden gespeeld, tijdens volksfeesten, bijvoorbeeld op Koninginnedag: zaklopen, blokjesrapen, eierenlopen en wasophangen.Zij staan nog altijd op de programma's van volks- en zomerfeesten [9]. Als spontaan vrij spel zagen wij de jeugd ze nooit op straat of speelplaats beoefenen.
Ook gaat onze aandacht uit naar het kinderspeelgoed, dat in de loop van onze beschavingsgeschiedenis, in zijn ontwikkeling zoveel veranderingen heeft ondergaan. In de Oudheid speelden de jongens al met een leren bal en vermaakten de meisjes zich met hun poppen. Hoepelen en tollen was de Griekse jeugd bekend. Eenvoudig, zelf gemaakt speelgoed voor de kinderen is er aldoor geweest, doch telkens vervangen door ander materiaal. De fraai bewerkte, zilveren rinkelbel waarmee het kind uit de gegoede stand in de aanvang van de 17e eeuw speelde is tenslotte verdrongen door het „plastic" speelgoed van onze tijd.
En zo is en blijft de kinderfolklore een rijk veld van studie!.
NOTEN
[1] Kinderspelen voorheen en thans, inzonderheid in Nederland door A. Hallema en J. D. van der Weide, 's Gravenhage 1943.
[2] H. Zondervan, Het spel bij dieren, kinderen en volwassen menschen, 1928, Nederlandsche Bibliotheek
[3] A. Hallema en J. D. van der Weide, a.w.
[4] S. J. van der Molen, Kinderspel en -lied in Drachten, in Neerlands Volksleven, jrg. X, nr. 3.
[5]) Kinderspel en kinderlust in Noord-Nederland (I) door Jan van Mourik in De Wandelaar, 3de jrg. 1931, bladz. 87 e.v.
[6] Jan van Mourik, a.w.
[7] A. Hallema en J. D. van der Weide, a.w.
[8] Dr. Jos Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde, dl. II, bladz. 224.
[9] Op het zomerfeest van de Speeltuinvereniging „Jeugdstad Eemzijde" te Amersfoort, gehouden op zaterdag 4 juli 1964, vermaakten zich driehonderd kinderen in onderlinge wedstrijden met zaklopen, blokjesrapen, eierenlopen en wasophangen (Amersfoortse Courant van maandag 6 juli 1964).
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.