Artikel uit blad Flehite, mei 1972
Auteur: E. Heupers
Tot de oudste verenigingen van Soest — beter is te spreken van corporaties — behoren het Sint Aagten Schutters- of Groot Gaesbeeckergilde en het Sint Annagilde, in de volksmond nog altijd aangeduid als: het Grote en het Kleine Gild. Beide gilden, overleefden de Reformatie en de storm der Franse Revolutie. Na de reformatie bleven de gilden te Soest bestaan hoewel ze geen ambachtsgilden waren. Al kon het Grote Gild als een schuttersformatie worden aangemerkt, met het Sint Annagild was dit beslist niet het geval. Dit had meer een liefdadig en godsdienstig karakter.
In navolging van wat er in Frankrijk in 1795 had plaats gevonden werden in ons land in 1798 de gilden afgeschaft. Maar de revolutie was toch niet zo machtig, dat de oude gilden van Soest werden weggevaagd. Zij bleven bestaan, ondanks dat zij het getij tegen hadden, als vrije verenigingen, dank zij hun samenhorigheid, de verbondenheid aan de rooms-katholieke kerk en de gehechtheid aan het oude: de traditie. Tot op de dag van vandaag zijn zij nog springlevend al hebben de teerdagen plaats gemaakt voor rustige potverteerdersavondjes, waar het genoegelijk toegaat.
Aan het hoofd van het Groot Gaesbeeckergilde staat een Ouderman, d.i de voorzitter met zijn Raden, samen het bestuur. Het Kleine Gild heeft als hoofd een Deken of Decan die ook door een aantal Raden wordt bijgestaan.
De leden moeten rooms-katholiek, van onbesproken gedrag, geboortig van Soest zijn, te Soest wonen en de leeftijd hebben bereikt van negentien jaar. Als bijzondere voorwaarde wordt genoemd dat men zijn godsdienstplichten moet waarnemen. Men kan lid worden door inkopen en het lidmaatschap ook erven van zijn vader. De vrouwen van de leden worden als gildezusters toegelaten, mits ook zij katholiek zijn. Dit wat betreft in het kort het toetreden als lid van het Grote Gild. Voor het verkrijgen van het lidmaatschap van het Kleine Gild gelden dezelfde bepalingen behoudens dat ook worden toegelaten niet in Soest geboren inwoners, maar wel weer dat men te Soest moet wonen.
De teerdagen met zijn overvloedige maaltijden vormden in het verleden evenzovele hoogtepunten in het dagelijkse leven van de oude Soestenaren: de gildebroeders en hun vrouwen, die met hart en ziel waren verknocht aan hun gilde.
Oudtijds werd geteerd op 2e Pinksterdag. Later veranderde dit en werden drie teerdagen gehouden eind september of in de eerste helft van oktober. De oogsttijd was dan voorbij. Eens in de vier jaren teerde het Groot Gaesbeeckergilde en om de zes of zeven jaar het Sint Annagilde, maar minstens twee maal in de dertien jaar.
De teerdagen waren beroemd en berucht. Vers vices, gekookt en gebraden was er in ongekende hoeveelheden. Drie koeien werden geslacht, voor elke teerdag één. 's Morgens na de Mis in de kerk, opgedragen ter intentie van de overleden gildebroeders en zusters en het voortbestaan van het gild, kreeg men broodjes belegd met ham en kaas. De hoofdmaaltijd 's middags, bestond uit groentesoep met veel vices er in, gevolgd door dikke rijst met grauwe erwten en weer ,,net zoveul vleis a's je lustte". 't Kon eenvoudig niet op. Na de maaltijd werden de ketels met de overgebleven resten buiten gezet en mochten de armen en natuurlijk niet te vergeten de lieve jeugd uit die tijd, de ketels leegschrapen. Zo was het voor hen ook feest.
Data en plaats waar de maaltijden werden gehouden, werden in de 19e eeuw door aanplakking in het dorp bekend gemaakt. Een ander middel van convocatie was het door het dorp gaan van de tamboer van het Grote Gild. Al roffelend op zijn oude gildetrom maakte hij bekend dat er gildspraak werd gehouden en verzocht hij de gildebroeders ter vergadering te komen om de teerdagen te komen vaststellen. Zodoende was een ieder bekend dat het grote gildefeest weer ophanden was.
Hieronder een afschrift van het aanplakbiljet van het jaar 1903:
----
Bekennt maakking (sic!)
Het Bestuur van het Groote Gaesbeecker gild maakt by deze bekent aan al de leden van het Groote Gaesbeker gild, dat de teering zal plaats hebben op de gebruikelijke wijze in het café bij de Wed. J.J. Kamerbeek te Soest, op Maandag 5 October, Dinsdag 6 October en Woensdag 7 October
Er wordt tevens verzocht zooveel mogelijk 's morgens in de kerk te zijn, om alzoo gezamenlijk te gaan naar de plaats, waar het Gild zal worden gevierd
De nieuwlinge, die in het Gild gekomen, worden ook tevens verzocht om 's morgens bijtijds te zijn, om zich voor twalefe (sic!) te komen aanmelde, zoodat het Bestuur kan zorgen, dat voor ieder nieuw lit (sic!) dinsdagsmorgens een kaars kan worden opgestoken in de kerk, zoodat alles in de beste orde kan geschieden
De leden van de werkende stand, die door drukte of anderszins verhinderd zijn en geld wenschen te hebben, die kunne zich aanmelde vanaf Zondag 20 September tot en met Zondag 27 September bij P. van den Bremer Hzn. Na dien tijt (sic!) worde niemant meer aangenomen.
Meer gegoede behoeve zig niet aan te melde, die worden er niet onder berekent
Het bestuur voornoemd
Jan van den Bremer, Ouwderrnan.
-----
De feestmaaltijden waren dikwijls wilde braspartijen, drie dagen lang werd er onmatig gegeten en nog onmatiger gedronken.
Alvorens men zich hierover afkeurend uitlaat, moet men zich wel terdege realiseren, dat sport en spel, reizen en andere vormen van recreatie niet bestonden, zeer zeker niet onder de boeren en boerenarbeiders van Soest in die tijd. Hierbij zij vooropgesteld, dat de gildebroeders en hun vrouwen, nette, ordentelijke mensen waren, die dagelijks hard en lang op het land moesten werken en niet of nauwelijks enige ontspanning kenden. Naast de jaarlijkse kermis in october waren de teerdagen van het Grote en Kleine Gild hoogtepunten in hun bestaan; feesten waarnaar reikhalzend werd uitgekeken.
Het feest kostte immers geen cent; geen stuiver behoefde te worden betaald. Het was dan ook geen wonder, dat tijdens de gildspraak de overgrote meerderheid van de leden stemde voor het „teren", inplaats van, zoals in de jaren dertig en daarna gebruikelijk was, de opbrengst van de verhuur van de g,ildslanden: wei- en hooilanden, onder elkaar te verdelen. Traditie en gewoonte speelden hierbij een belangrijke rol. De meeste gildebroeders en zusters voelden voor de aloude opvattingen en wilden feesten. Het vieren van de gildemaaltijden was niet slechts genot maar ook plicht. Er was geen beter middel „tot continuatie van goede buurschap ende vermeerdering van vrientschap", dan gezamenlijk eten, drinken en vrolijk zijn. Men genoot van het „vette der aarde", drie dagen lang smullen en schransen van vers vlees, rijst en andere spijzen, bier, wijn en „jannever", die men alleen kende van deze maaltijden. Thuis moest men het door de regel stellen met een stamppot met uitgebakken spek en kreeg men weinig anders te eten dan roggebrood, met een schraapseltje boter of reuzel. Wijn kende men alleen van de gildefeesten.
De oude Gildeboeken van het Groot Gaesbeeckergilde van Soest waarin de teerdagen in de loop van een paar eeuwen worden vermeld, lichten ons nader in over deze copieuze maaltijden. Wij bepalen ons hoofdzakelijk tot de 19e eeuw, waarin de notities duidelijk worden omschreven. Een paar noteringen uit de 18e laten wij echter niet onvermeld om een beeld te krijgen hoeveel personen aan zo'n maaltijd aanzaten.
In 1732
| Betaalt aan Jan Valk voor 3 dagen mont kost voor 449 persoone maakt same |
f 159-16-2 |
| Betaalt uyttappen van 10 tonne bier aan Jan Valk |
f 15-0-0 |
Op de Rekendag, dat is de dag, dat iedereen, die nog iets had te vorderen van, of moest betalen aan het Grote Gild, ontvingen in 1795 nog 48 personen montkost (sic!):
| Int Jaar Anno 1795 | |
| Aan onze verteering van Janever en Brandewyn | f 2-5-0 |
| Nog aan wijn | f 11-14-0 |
| Nog aan wijn met Sluyten van de Rekening | f 18-0-0 |
De Bataafse vrijheid werkte schijnbaar inspirerend op de vrijheidszin van de oude Soestenaren. In dat jaar nam men het er in de besloten kring van het gild nog eens goed van.
Wij slaan dan een aantal jaren over. Wij zijn aangeland: ,,In Jaar Anno Domino 1800 sesde Jaar der Bataafsche Vrijheid". Ondanks de druk der Franse tijden in ons land wordt er in dat jaar op het gildefeest te Soest, geschonken en geklonken en geen stukje minder om gegeten. De schrijver van het gild verantwoordt:
| Nog aan de paartjes op paartjesdag | 10-4-0 |
| betaalt voor 17 flesse Jannever | 30-0-0 |
| by het inhaalen van de Nieuwe ingangers | 11-18-0 |
| Aan onze verteering aan Jannever &c betaalt | 6-18-0 |
| Verteert op proefmaal | 2-0-0 |
| 12 flesse wyn aan de Nieuwe lngangers | 6-0-0 |
| 28 flesse wyn aan de Sten | 14-0-0 |
| 8 flesse wyn aan de koks | 4-0-0 |
| Aan verteering aan wyn in de Camer | 16-8-0 |
| Aan uyttappen van Bier | 12-0-0 |
| Aan papier penne en inkt | 0-0-6 |
De uytgaaf bedraagt de Zomme van Een Duysent agt en tagtig Gulden Dertien Stuijvers twaalf penningen.
| De Ontfangst bedraagt | 1104-17-2 |
| De Uytgaaf bedraagt | 1088-13-12 |
Dus word bevonden meerder ontfangen te hebben als uytgegeven de Zomme van Sestien gulden Drie Stuyver Sea penningen
(16-3-6)
,,In de Camer" van het huis waar de teerdagen werden gehouden, een afgezonderde kamer of ruimte waar de Ouderman en zijn Raden (het bestuur), de bode, de schrijver of secretaris, de tamboer en de vaandrig verbleven, werden deze bediend door de bode van het gild. Het behoorde tot de taak van de bode de Overheid te bedienen. Als laatste bode van het Grote Gild fungeerde Peter van den Breemer, beter bekend als Peter van Mart, oud-raadslid, loco burgemeester en ereburger van Soest. Deze functie is later afgeschaft.
In 1867 wordt „Aan Wijn en lekuiren" (lees: likeuren) in drie dagen uitgegeven een bedrag van f 598,50, aan ,te Bak en Siegaarren" f23,50.
Het ledenaantal groeide steeds en de bestaande herbergen bleken langzamerhand te klein, om een zo groot aantal personen te ontvangen, zodat het bestuur een grote tent huurde om daarin feest te vieren.
Na 1867 veranderden de tijden en andere maatschappelijke toestanden kondigden zich aan. Er zijn dan gildeleden, die niet meer op het gildefeest willen verschijnen en
werden uitbetaald voorzover zij hierop recht hadden:
(1888- 1891)
Uitbetaalt aan de Werkende Stant die niet in het gild zijn geweest de somma van f 615. -
Dit was in die tijd een vrij groot bedrag.
Dan in 1895 wordt de gildegeest weer vaardig over de oude Soestenaren en volgen er weer ouderwetse teerdagen. De maaltijden werden aanbesteed:
| Uitbetaalt aan de aannemer van het grooten Gaasbeker Gild A. Dijkman te Soest (herbergier in de Teut) op de aan besteding Prijse en proefmaal |
|
| 30 September 248 Persoone gegeten f 1.50 de persoon | 372 |
| 1 October dto 266 Persoone dto dto | 399 |
| 2 October dto 299 dto | 442 |
| Voor 10 Ankers wijn A 54 per Anker | 540 |
| Voor Siegaarren 6000 A 17 Per Duizend | 102 |
| Aan Lekeuren | 135 |
| Voor het opbouwen en afbreken van de tent | 100 |
| Aan C. Uytendaal voor 10 faten bier betaal | 62,50 |
Deze rekening spreekt voor zich zelf. Het was een daverend feest, een geweldige eeten hospartij, waaraan door velen, die dit in hun jonge jaren mochten meemaken, met weemoed in het hart wordt teruggezien: het driedubbele gildefeest bij Dijkman in de Teutsteeg.
De teerdagen van het Kleine Gild deden beslist niet onder voor die van het Grote Gild. Ook hier was overdaad van spijs en drank. Grote hoeveelheden vlees, rijst met suiker, grauwe erwten, vis en brood vonden hun weg naar hongerige magen en werden besproeid met kannen bier en wijn.
De maaltijden werden aanbesteed en het gildebestuur stelt zijn voorwaarden aan de herbergier-aannemer. Oude papieren in particulier bezit en in die van de schrijver vermelden:
---
CONDIETIE
En voorwaarden waar na Helmis
Logtesteyn als deeken van het sunt
Anna gild met zijn Raaden willem
Dijkman en Gijsbert Janse kok
zijn van meening peilbliek an de
Minst aan neemende te besteeden
De behoorende mondkost voor de
Ingeschreven Broeders en Susters van
Het kleijne Sunt anna Gild
Eerstelijk zal den aanneemer van het
Hier voorgenoemde Gild Besteeding
Het Zelve moeten aanneemen voor den
tyd van twee dagen en derde dag zogenaamd
paartjesdag en dat het zal toeren over drie
Weeken op den 25 en 26- en 27 September 1815
Voors zal den aanneemer gehouden
Zijn te bezorgen goede mondkost
als vis met smos en booter en een
Hutspot Item Drie stukken gekookjt
Vies (= vlees) tegen een stuk gebraaden vies
En Reijst met suijker en boter en brood
En kaas en boter
En verders goed gezond en vet Runtvlees
En het moet van te vooren zien zijn
En de schaapen moeten niet ongans zijn
Maar gezond en vet volgens oude gewoonte
Of anders bij gebreeken van dien 6 Stuijvers
Per paar moogen Corten en
Dewelke twe daagen Eer zij geslagt woorden
Zoo als meeden het Runt vee en ook de Schaapen
twee daagen te voeren te zien zijn of dezelve goed
En naar genoegen zyn van de overigheid
Den Aanneemer zal moeten bezorgen Een vreij
Huijs voor de gilde Broeders en Susters en een
Vreij kaamer voor de overigheid en haare vrouwe
Alsmeede Een vreij kelder voor koppen en
Kannen en glaase
Daar voor zal den aanneemer genieten voor
Het Uyttappen van Ider ton bier genieten
Eene gulden en tien Stuijvers onder de gilde broeders
En Susters gebruijkt woord in die tyd
-----
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.