Auteur: Dik Top
De broers Albert en Louis Coblijn begonnen allebei hun carrière in militaire dienst. Hun vader was Louis Guillaume Coblijn die in 1882 als ‘particulier’ in Parijs woonde op de Avenue des Champs Elysées nummer 120. Hij was in deze periode diverse keren in het nieuws in de Nederlandse pers samen met de eveneens in Parijs wonende Moritz Anton Reiss. Uit de krantenberichten komt niet naar voren of Coblijn toen de Franse of de Nederlandse nationaliteit had.
Geslacht Coblijn
Albert Nicolaas Coblijn werd geboren op 19 december 1795. Hij trouwde met Guillaumine Clasine Rosine de Jager.
Dit echtpaar Coblijn-De Jager kreeg op 6 maart 1843 in Cheribon op Java zoon Louis Guillaume. Hij vertrok ca. 1870 naar Parijs. In 1876 woonde hij op de Rue de Laborde 48. Hij trouwde daar in 1876 met Julia Helena Machiels die in 1852 was geboren in Amsterdam. Zij was met haar ouders in 1862 naar Parijs verhuisd. Ze woonden daar in 1876 op Avenue des Champs Elysées 120. Na haar huwelijk met Louis bleef het echtpaar kennelijk bij haar ouders wonen. Louis deed in Parijs goede zaken met Anton Reiss.
Het Vaderland van 28 november 1882: "Coblijn…… bereid een Fransche maatschappij op te richten die zich ten doel stelt het exploiteren van een Kurzaal of Casino in denzelfden geest als de bestaande Kurzalen te Ostende, Trouville, Biaritz …."
Reiss en Coblijn moeten allebei zeer vermogend zijn geweest. Om hun plannen te kunnen verwezenlijken moesten ze onder meer de erfpacht van f 25.000 per jaar aan de gemeente betalen. Op de locatie in Scheveningen stond het gemeentelijke badhuis. Eerst richtten ze de ‘Maatschappij Zeebad’ op en uiteindelijk werd in 1884-1885 het Kurhaus gebouwd. Er waren nog enkele andere investeerders.
De oudste zoon Albert met zijn vijf voornamen A.N.S.W.L. werd in Parijs geboren op 1 november 1883. Zijn broer Louis Frédéric Edouard Coblijn kwam ook daar ter wereld, op 20 maart 1885.
Vader Louis Guillaume overleed in Scheveningen op 18 mei 1915. Zijn naam werd toen weergegeven als L.G. van Kuffeler-Coblijn. Bij de rouwadvertentie werden de zoons A.N.S.W.L. Coblijn en L.F.E. Coblijn vermeld met domicilie Soesterberg.
ALBERT
Een van de eerste berichten over hem in de pers was op 18 februari 1909 dat hij in oktober het jaar ervoor van zijn paard was gevallen en een been had gebroken. Hij was toen als tweede luitenant bij het 5de eskader van het 2de regiment huzaren in Venlo. Dit regiment werd voorjaar 1909 overgeplaatst naar Amersfoort. Daar werd hij per 17 mei als eerste luitenant ingedeeld bij de rijschool. Weldra begon hij deel te nemen aan wedstrijden, waaronder concours hippiques, en hij won regelmatig prijzen. Hij bereed daarbij meestal de merrie Angela.
In 1910 boekte hij het ene succes na het andere. Hij was toen bij het 3de eskader van het 3de regiment huzaren. Hij deed ook aan schermen en won op 1 maart een vierde prijs. Een paar van zijn grootste rivalen bij de paardensport waren de luitenants J.A. van Gellicum en H.W.C.E. Mathon. (noot [1]) In oktober werd aan Coblijn bij een concours hippique in Hoorn een zweep met een gouden knop uitgereikt. Eind mei deed Albert mee aan een springconcours in Breda, maar zijn paard Ceres was niet in vorm. Met Black Paddy van dr. Bemelmans haalde hij daar wel een 10de plaats. In juni 1911 veroverde hij de 7de prijs bij een wedstrijd in Londen. Daar waren honderd deelnemers.
Van juni tot aan september 1911 won hij met het paard Black Paddy achtereenvolgens in Amsterdam, Den Haag, Tiel en Groningen.
Coblijn, Van Gellicum, Labouchère en Mathon vertrokken samen met hun paarden met de S.S. Noordam op 25 oktober naar New York, waar ze onder meer aan de National Horse Show van 12 tot 19 november deelnamen. Coblijn bereed Black Paddy en won een eerste en een derde prijs. Op 22 november wonnen ze, net als luit. Van Voorst tot Voorst het jaar daarvoor met Black Paddy, de Muurlingbeker. Later in november won Coblijn ook een concours hippique in Chicago.
Begin december waren de mannen weer in Nederland. Op 9 december kwamen ze aan op het station van Amersfoort. 16 januari 1913: "Coblijn van het depôt huzaren te Haarlem is weder gedetacheerd bij de rijschool alhier".
LOUIS
Hij was bij de Infanterie en werd per 2 oktober 1905 toegelaten tot de K.M.A. in Breda, gelijktijdig met B.A.W. Schlimmer. Toen hij daar in de zomer van 1908 slaagde voor zijn examen 2de luitenant cadet, gebeurde dit ook met W.C.J. Versteegh en C. Land. Schlimmer, Versteegh en Land werden enige jaren later allemaal bekende namen op Soesterberg.
Het Algemeen Handelsblad meldde op 21 september 1910 dat tweede luitenant L.F.E. Coblijn van het 10de regiment infanterie te Hoorn van 13 oktober tot 2 november werd gedetacheerd bij de werkplaatsen voor draagbare wapens bij de Hembrug, samen met o.a. luitenant F.A. van Heyst.
Coblijn kreeg in januari 1911 een jaar verlof om bij vliegenier Archer op de Molenheide bij Breda vlieglessen te nemen. Op 9 maart 1911 zou Louis als passagier met d’Hespel naar Gilze-Rijen vliegen. Door mist verdwaalden ze en landden ze bij Dongen. De schade werd hersteld en ze konden weer starten. Op Gilze-Rijen maakte d’Hespel diverse vluchten met passagiers en een vlucht boven Breda. Met vertraging door schade vlogen ze terug naar België. Verder is over de lessen bij d'Hespel vrijwel niets te vinden.
Tijdens de herfstmanoeuvres maakte Coblijn op 22 september 1911 als waarnemer voorin de tweedekker Zodiac van Jacques Labouchère vanaf een veld aan de Pettelaarsche Weg bij ’s Hertogenbosch een vlucht van vijf kwartier (afstand 91 km!) over delen van de Betuwe en de provincie Utrecht. (noot 2) Luit. Ter Poorten vloog vanuit Genck naar De Pettelaar met een De Brouckère. Marinus van Meel nam ook deel met de door hem gekochte Farman, met Van Heyst als waarnemer. Tevens waren Frits Lütge en Henri Bakker er met ieder een verkenningsvliegtuig.
Sumatra Post 6 november 1911, overgenomen uit De Sirene: Luit. Coblijn die al vliegscholen in Frankrijk en België heeft bezocht, heeft zich aangemeld bij Verwey & Lugard op Soesterberg. Van Heyst vloog daar al met succes. Van Meel kwam met zijn ‘grote vogel’ aan. Ondanks dit verblijf op Soesterberg ging Coblijn begin november 1911 naar Antwerpen samen met luit. Ter Poorten en luit. J. Visser om bij de Maatschappij Aviator op het vliegterrein St. Job bij ’t Goor zijn vliegopleiding te vervolgen bij graaf d’Hespel. Ter Poorten ging spoedig over naar de vliegschool van De Brouckère in Genck in Belgisch Limburg, die zelf vliegtuigen bouwde onder deze naam.
Henri Bakker wilde eind november het hoogterecord verbeteren dat Kimmerling op 23 juni op Soesterberg met 1100 m had gevestigd. De poging mislukte waarschijnlijk, want hierover werd niets meer vernomen. Hij had zich als vaandrig voor vijf jaar gebonden aan de vliegdienst van het leger.
Op 15 december 1911 moet Louis zijn F.A.I.-brevet in België hebben verkregen. Volgens een bericht in het Amersfoortsch Dagblad gebeurde dit in Douai in Frankrijk bij Reims (Thijs Postma schrijft 6 februari 1912 met een Bréguet).
William Versteegh, Floris van Heyst en Louis Coblijn, allen in de rang van 1ste luitenant, werden op 15 augustus 1912 op Soesterberg gedetacheerd, om er hun vliegvaardigheden te onderhouden en verder te ontwikkelen. Ze kregen onderricht op de Farman van Marinus van Meel. Medio november bleef Van Heyst bij tamelijk ongunstig weer boven Soesterberg 3 uur en 5 minuten in de lucht. Dit had waarschijnlijk niemand eerder in Nederland gepresteerd. Dezelfde dag maakte Coblijn een mooie vlucht op ca. 200 meter hoogte.
De Luchtvaart Afdeeling (oude spelling - L.V.A.) werd op 1 juli 1913 opgericht met genoemde drie luitenants als vliegenier. Van Meel kwam daarbij als vaandrig. Op 8 oktober 1913 kreeg Coblijn de een week eerder aangekomen Farman HF-20 met nummer LA 4 toegewezen (foto 1). Tijdens zijn eerste vlucht ermee op 10 oktober maakte hij al twee keer brokken en dit herhaalde zich dezelfde week nog een keer. Op 15 oktober ging hij met de LA 4 over de kop. Dit was het eerste ongeval van betekenis met een Farman op Soesterberg. Dit vliegtuig was pas op 31 december weer vliegklaar. Kort daarvoor had Coblijn de Farman van Van Meel gekraakt, die niet meer gerepareerd kon worden.
Op 29 april 1914 besloot commandant Walaardt Sacré dat Coblijn geen overlandvluchten meer mocht maken en zich eerst moest oefenen in het landen. Dit deed hij en veroorzaakte dezelfde middag weer schade: één wiel en twee assen gebroken. Ondanks zijn opleiding in België kreeg hij op Soesterberg zijn F.A.I.-brevet pas op 14 november 1914. Aan de laatste eisen voor zijn militaire brevet voldeed hij op 13 september 1915. Op 27 oktober maakte hij een vlucht die 2 uur en 6 minuten duurde.
Samen met luit. Van Heyst en luit. Hofstee woonden de beide boers Coblijn in 1915 in het pension Huize Nellysteijn in Soesterberg. Hofstee had daar telefoonnummer 5, de andere drie hadden gezamenlijk nummer 8.
Mogelijk omdat Louis als vliegenier niet zo’n bolleboos was, werd hij door Walaardt Sacré voor allerlei andere klussen ingezet. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat de benaming ‘brokkenpiloot’ in het leven werd geroepen door de slechte prestaties van Louis Coblijn. Hij was dikwijls op dienstreis. Over zijn vliegactiviteiten is behalve diverse kraken niet zoveel bekend. Van 1917 tot 1919 was hij commandant van de automobieldienst. Dit was misschien wel bedoeld om hem bij de vliegtuigen weg te houden.
ALBERT (vervolg)
De oudste van de twee broers kwam later naar Soesterberg. Hier had hij op 11 december 1913 zijn luchtdoop gekregen. Het gevolg was dat hij voortaan ‘Grote Co’ werd genoemd en Louis kreeg de bijnaam ‘Kleine Co’. Als ‘Coblijn sr.’ werd Albert voor het eerst in het dagboek van W.S. vermeld op 30 juli 1914. Hij kreeg zijn F.A.I.-brevet op 3 december 1914 (foto 2). Op 6 april 1915 vernielde hij bij de landing de LA 6. Deze zelfde LA 6 werd op 28 mei opnieuw door een slechte landing beschadigd door Coblijn (niet vermeld welke van de broers). Het militaire brevet van Albert volgde vermoedelijk pas in juli 1916, want op 3 juli voerde hij samen met luit. Koppen een overlandvlucht uit als ‘herhalingsproef’ voor dit brevet. Verder komt zijn naam bijna niet voor het in dagboek van W.S.
De vliegers op Soesterberg bleven ingedeeld bij hun oorspronkelijke legeronderdeel en behielden ook de bijbehorende uniformen. Daarom, nog steeds als huzaar, fungeerde Albert op 26 juni 1918 als 1ste luitenant samen met o.a. Labouchère in het uitvoerend comité bij het concours hippique op Soesterberg. Zo’n concours met paarden was ook al op het vliegveld gehouden in 1916.
Aan zijn carrière als vlieger kwam een abrupt einde op 4 oktober 1918. Hij vloog samen met lt. C. Duinker. Hun Duitse Rumpler raakte een balmast van het vliegveld en stortte neer. Duinker liep alleen een wond op aan zijn gezicht, maar Coblijn raakte levensgevaarlijk gewond. Zijn beide benen waren gebroken en men vreesde dat door embolie een longontsteking kon ontstaan. Hij werd opgenomen in een ziekenhuis. W.S. schreef op 7 oktober dat het iets beter met hem ging. In april 1919 werd hij weer opgenomen in de Emmakliniek voor verdere behandeling. Met ingang van 7 juli 1920 werd hij op non-actief gesteld.
De Revue der Sporten van 6 oktober 1920 vermeldde dat de bekende ruiter Albert Coblijn salesmanager was geworden bij de Amsterdamsche Automobielfirma Tasche & Co. Niettemin werd in mei 1922 opnieuw aangekondigd dat hij (bij Koninklijk Besluit) op non-actief was gesteld, <geplaatst bij de luchtvaartafdeeling.> Op 31 augustus 1923 (de verjaardag van koningin Wilhelmina (!) werd hij bevorderd tot ritmeester.
Hij probeerde waarschijnlijk sinds lang een schadevergoeding te krijgen voor het letsel dat hij op 4 oktober 1918 had opgelopen. Na veel touwtrekken kwam de Haagsche Rechtbank tot het besluit dat hij f 53.000 zou ontvangen, boven zijn pensioen. Een van zijn argumenten voor het hoge bedrag was dat hij veel inkomsten was misgelopen, omdat hij niet meer had kunnen deelnemen aan paardenwedstrijden. In de kranten verschenen daar veel en kritisch komische opmerkingen over.
LOUIS (vervolg)
Louis Coblijn woonde in 1918 in Soesterberg op kamers samen met zijn collega Van Heyst in Villa Sonnevack op Amersfoortschestraat 35. Louis kreeg in november 1918 van W.S. met zijn auto’s diverse opdrachten i.v.m. de aankomst van de Duitse keizer die in ons land asiel had aangevraagd. Deze ‘hoge’ politieke vluchteling vertoefde eerst in Amerongen. Op 1 februari 1919 werd Louis gelijk met Roeper Bosch ontheven uit zijn functie van vlieger - en belast met een ‘speciale betrekking’. Op 29 april ging hij met 18 dagen verlof naar Parijs.
Op 17 september kreeg hij twee maanden ziekteverlof. Dit doet vreemd aan, omdat hij begin augustus Frits Koolhoven op de ELTA had ontmoet en zij samen de luchtvaartmaatschappij COBOR oprichtten, waarmee zij - met door Koolhoven in Engeland gebouwde F.K.26’s -vanaf september 1919 een aantal passagiersvluchten uitvoerden tussen Soesterberg en het vliegveld Hounslow bij Londen, net voordat zijn collega Plesman met de KLM van start ging. De organisatie was te snel en primitief opgezet om dit project te doen slagen. (zie boek Frits Koolhoven)
Met ingang van 25 februari 1920 werd Louis op non-actief gesteld, "ter zake van een tijdelijke ongesteldheid, geplaatst bij de luchtvaartafdeeling".
Op 21 januari 1922 trouwde de 37-jarige Louis in Amsterdam met de aldaar geboren Madeleine Henriot, 21 jaar oud. Hij zou toen vertegenwoordiger zijn geweest van de vliegtuigfabriek Schneide & Co. Maar ook in 1922 leidde hij de N.V. Handelmaatschappij Cobor op Prinsengracht 542 in Amsterdam. De Revue der Sporten van 12 april |922 publiceerde een hele pagina met foto's van luxe auto's en vermeldde dat de oud-vlieger Coblijn aan het hoofd stond van deze firma die de in één woord schitterenden wagens van Automobile Avions Voisin verkocht. De firma Cobor bestond nog in de jaren '50, maar Coblijn zal zich kort na 1922 hebben teruggetrokken want hij woonde al in 1923 in Parijs.
Pas op 15 februari 1924 volgde het bericht dat L.F.E. Coblijn van de infanterie eervol uit de dienst was ontslagen.
Louis Coblijn kwam als gevolg van tyfus om in het concentratiekamp Dachau op 14 maart 1945.
NOTEN
Noot [1]. In het dagboek van Walaardt Sacré staat op 3 september 1914:
Noot [2]. Jacques Labouchère had zijn brevet op 23 december 1910 in Frankrijk gekregen (nr. 344) en zelf meegeholpen bij de bouw van zijn Franse vliegtuig van het merk Zodiac.
Bronnen:
Dagboek van commandant Hendrik Walaardt Sacré.
Historische kranten en tijdschriften.
Foto: Achter Karel Doorman Nieuwenhuizen Muller Drost Van Heyst Van Wulfften Palthe Walaardt Sacré Van Bevervoorde Kleine Coblijn Versteegh Wallast. Voor B Schimmer Daendels onbekende De Brouw (Collectie D. Top)
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.