Dit artikel van auteur E. Heupers is eerder gepubliceerd in Neerlands Volksleven, editie winter 1962-1963.
In vrijwel ieder opzicht beleven wij thans een tijdvak, waarin diep ingrijpende veranderingen in het volksleven het aanzijn schenken aan tot-voor-kort nog weinig vermoede situaties. Niet in het minst geldt dit ten aanzien van het dienstbaar maken van de grond waarop wij wonen en het uiterlijk aspect van het ons omringende landschap. In de levensduur van nauwelijks één generatie, in luttele decenniën slechts hebben zich in het uiterlijk van onze vaderlandse bodem veranderingen voltrokken, waarvan men in de historie vergeefs de weerga zoekt. En
met het verdwijnen van vele van deze oude landschapsvormen en het ontstaan van nieuwe, andere en veranderde vormen zagen wij alom gepaard gaan een rasse verdwijning van tal van oude en ons zo vertrouwde cultuurmonumenten, de overoude handwerken en bedrijven, die eens uit de ongerepte natuur van ons land waren voortgekomen en daarmee innig waren samengegroeid.
Voor al die beroepen, bedrijven en handwerken waarvan het arbeidsveld is gelegen in de natuur, de open ruimte, het vrije veld en die daaraan inháerent zijn, heeft het stervensuur reeds lang geslagen of zij hebben zich tot onherkenbaar worden toe aangepast aan onze hedendaagse gemechaniseerde tijd. Onze moderne samenleving laat ternauwernood of bijkans in het geheel geen plaats meer over voor de welhaast vergeten, legendarisch geworden figuren uit onze jeugd en jongensboeken: schaapherders, jagers, stropers, vinkers, kooikers, koddebeiers en imkers, levende in de wildernis met haar dichte, duistere bossen en onafzienbare heidevlakten. Voor vele van deze personages was de grote stille heide her terrein
waarzij hun dagelijks werk verrichtten. Anderen verbleven in de eenzame polderlanden, waar zij jaagden op eenden, ganzen en ander waterwild. Komende generaties zullen ze nog slechts kennen als romanfiguren uit een voorbije, hun volkomen onbekende tijd.
Nog niet helemaal onbekend en stellig nog niet vergeten in Soest is het oeroude handwerk der bijenhouderij, een bedrijf, dat welig tierde in de dorpen van Utrecht en het Gooi, die nog konden beschikken over uitgestrekte heidevelden en waar op de hooggelegen bouwgronden — de engen — boekweit werd verbouwd. Op de heide graasden de schapen die zorgden voor wol en mest. De schapemest was bijzonder geschikt voor de boekweitteelt. Zo bestond er tot voor een kleine vijftig jaren een evenwicht, waarin heide, schapen, boekweit en bijen de belangrijkste schakels vormden. Invoering van kunstmest en rationele landbouwmethodes verstoorde deze harmonie volkomen. De heide werd ontgonnen of bebost; de boekweit
verdween als landbouwprodukt van de akkers, om plaats te maken voor gewassen met een hogere rentabiliteit: op de zandgronden, rogge en aardappelen.
Tegelijkertijd verdween het heideschaap als mestproducent voor de boekweitteelt en met de boekweit de zoemende bijtjes, die in de bloeitijd (omstreeks Sint-Jan, 24 juni) de geurende bloemen bij duizenden bezochten. En met het verdwijnen van de bijen verdwenen ... de bijmannen of beroepsimkers, met hun bijkorven, bijenwagens en andere tot het bedrijf behorend gereedschap.
In het Sticht is de imkerij, zowel op de klei (fruitbomen) als op de hoge zandgronden met hun heidevlakten eeuwenlang een belangrijke bron van inkomsten geweest. Te Soest hield in de vorige eeuw nog iedere boer een paar stok bijen, terwijl de beroepimkers (de bijmannen) er soms honderd en meer korven hadden staan. Dat de bijenhouderij eertijds veel belangstelling ondervond, zowel van deftige als eenvoudige lieden, blijkt wel uit vergeelde papieren, waarin wordt beschreven hoe de Oude Kerk (Nederlands-Hervormde kerk) van Soest het zogenaamde Stuyversgeld vaststelde: een belasting op het huren en verhuren van bij- of bijesteden [1]. In het gewest Utrecht noemde men de plaatsen waar bijenkorven werden neergezet, hetzij op de heide hetzij nabij de boekweit Bijsteden. In het Gooi noemde men deze plekken bijenschansen [2] Oude dokumenten met betrekking tot deze primitieve bijenhouderij zijn in Soest wel bewaard gebleven. Het oude gereedschap daarentegen, bij iedere imker bekend, is helaas verdwenen. Het werd als een niet meer bruikbaar voorwerp weggeworpen. Voor velen was het een onbekend voorwerp geworden. Niemand hechtte er enige waarde aan en met andere oude rommel werden deze historische realia opgeruimd.
Tot de oudste bekende gegevens waarin melding wordt gemaakt over de imkerij in Soest, behoort een getuigenverklaring van 12 september 1593. Op genoemde datum compareerden voor Schout en schepenen van Soest enige met name genoemde mannen, allen hoogbejaard, die hun leven lang in Soest hadden gewoond en verklaarden:
dat haer zeer well kennelick is, datter bynnen Soest een usantie ende gebruyck is geweest van ouder heercomste, dat een yder stall vreemde byen ofte immen, die in die jurisdictie ofte gemeente van Soest aen den berch off op ymants eygen goet geseth worden, dat de zelve kerck tot Soest alle jaer betaelden een pondt was ende die byluiden, die dezelve byen ofte ymmen competerende waeren, haer immen ofte byen by den kerkmeisters opgehaelt.
Het bijzondere hiervan is, dat de horigen der Sint-Paulusabdij in casu de Soestenaren zelf blijkbaar geen wastinsen aan de kerk hadden behoeven op te brengen, doch dat er alleen was moest worden opgebracht door de niet ingezetenen van Soest, die binnen dit district bijen hielden. [3] Uit deze oude usantiën zal zich waarschijnlijk mettertijd het stuyversgeld hebben ontwikkeld, waarbij allen, dus ook ingezetenen, die binnen het rechtsgebied van de Kerk (dit is de gemeente Soest) één of meer bijsteden in bezit namen, hiervan belasting moesten betalen.
Kerkmeesters waren belast met het invorderen van het stuyversgeld. Zij waren eveneens belast met het opzoeken van de bijsteden in het veld. De oude Soestenaren stelden hun korven op verafgelegen en verborgen plekken, waar zij haast onvindbaar waren. Werden zij niet ontdekt, dan werden zij ook niet geregistreerd en behoefden zij de verschuldigde belasting niet te betalen.
Uit een Utrechts plakkaart van. 6 april 1614 blijkt, dat de imkerij in het Sticht gedurig toenam en de overheid bepalingen en voorschriften opstelde, om ongewenste toestanden tegen te gaan. [4] Zo bepaalt artikel II van deze Ordonnantie:
Dat ook alle bye-luyden gehouden sullen wesen een merkteken van een rant, ofte stuk van een byekorf uyt te hangen ter plaatse daar haar luyder byen staan, omme een yegelyck daar mede te veltoonen, dat sy de plaatse sullen moeten wyken.
Te dicht mocht men niet bij andermans korven gaan staan en tenminste een onderlinge afstand bewaren van „honderd roeden". Een nieuwe bijstede in het veld of aan een heg plaatsen mocht niet worden gezet of gemaakt in de onmiddellijke nabijheid van een andere stok bijen, tenzij met toestemming (consent) van de daarbij geïnteresseerde. De afstand die hierbij in acht moest worden genomen varieerde van vijf en zeventig tot honderd vijftig roeden. Op de heide en de berglanden oftewel heuvels (daaronder niet begrepen hooggelegen bouwgronden) bedroeg de afstand 150 roeden, in de klei 75 roeden, tenzij met wederzijds goedvinden een kortere afstand geen moeilijkheden geacht werd te geven tussen de eigenaren van de korven. Zwermen mochten niet worden geschept „omme eygendom daar aan te praetenderen" binnen de lengte van honderd roeden waar andermans bijen stonden, of men moest kunnen bewijzen dat de bijenzwerm langer dan 24 uren had gehangen en de eigenaar ze niet had vervolgd om ze wederom in zijn bezit te krijgen. Binnen het afgepaalde gebied. van een ander, die zijn bijen had verplaatst, mocht men geen honing of droge vellen (raten) waar nog was in aanwezig was, laten staan, noch honingraten of korven op die plaatsen brengen, alvorens de korven gestopt waren, zodat er geen bijen konden wegvliegen. Deze bepaling komt in het kort hierop neer, dat in het algemeen geen vreemde bijen gelokt mochten worden. In de vorige eeuw hielden de oude bijmannen zich nog altijd aan de voorschriften van dit plakkaat, dat zijn rechtskracht al lang had verloren.
Het minste aantal korven, dat een imker op een bijstede mocht neerzetten bedroeg vier; het grootste aantal vijftig stuks. In grote trekken zijn dit de voornaamste bepalingen uit het Placcaat en Ordonnantie van 1614, waarna „de Byeluyden haar in 't setten ende verplaatsen van hare immen en Byen sullen hebben te reguleren".
Hoogtepunten der primitieve imkerij lagen te Soest in de 17de en 18de eeuw. Omstreeks het midden van de voiige eeuw ging de imkerij langzaam achteruit, zonder echter te verdwijnen. Er waren immers nog altijd Soestenaren, die de bijenhouderij uit liefhebberij volhielden. Zij waren uit het goede imkershout gesneden en stonden te dicht bij de natuur, waarin zij dagelijks verkeerden, om dit edele spel op te geven. Oude papieren, meest rekeningen berustende in het Oud-Archief der gemeente Soest herinneren aan deze oude imkerij, die hier in voorbije tijden zo volop gedijde.
Het Memorie Boek van Soest van 1623-1655 en van 1702-1735 [5] en diverse Buur- en Kerkmeestersrekeningen lopende vanaf 1673 tot en met 1721 bevatten talloze voorschriften en bepalingen omtrent deze primitieve bijenhouderij in Soest. [6]
Uitgaven en inkomsten verantwoord door kerkfunctionarissen en het toenmalige college van Schout en schepenen tonen aan, dat mannen en vrouwen (hoewel de laatste in de minderheid waren) zich met het oude handwerk, de imkerij hebben bezig gehouden. Het plaggensteken op de Brink was een euvel dat dagelijks toenam. Schout en schepenen verbieden dit op zeker moment, omdat anders de gehele Brink zou worden afgeplagd. De graszoden werden gebruikt om de bijenkorven mee af te dekken teneinde uitdrogen te voorkomen. De zode legde men met de aarde naar boven op de korf. Vooral in droge zomers was het plaggesteken een groot kwaad, waaraan vele Soestenaren zich schuldig maakten. De bepaling luidt:
Item dat ghene Ingesetenen ghene plaggen van brinck sullen halen ofte sticken omme op haer immen ofte bijkorven te decken op te v(er) bueren eene g. thien stuyvers ten behoeve als vooren.
De langgerekte Brink (de huidige Korte- en Lange Brinkweg) was eeuwenlang in gemeenschappelijk gebruik bij de „buren van Soest", die hierop kollektieve rechten hadden.
Uit de boven reeds vermelde Buur- en Kerkmeestersrekeningen blijkt hoe de overheid geïnteresseerd was bij de plaatselijke bijenhouderij, die een bron van inkomsten betekende. Er werd nauwkeurig toegezien wie de bijesteden gebruikt, wie er huurde of de plaats verhuurde en wie ten slotte het verschuldigde stuyversgeld had te betalen. Naast het registreren en het invorderen van deze belasting werden door of namens de Kerk van Soest de bijesteden van tijd tot tijd gevisiteerd.
Dit zoeken naar de plekken waar de korven werden of waren opgesteld, gebeurde door een manspersoon die hiervoor speciaal werd aangetrokken en een beloning ontving.
| Betaelt aen Lambert Lubberts voort op helpen soecken van alle bijsteden in Soest de som van |
f 1-8-0 |
| Den 24 augustus 1679 op batholomeus dach op den berge geweest om de bijensteden te besoecken doch weynighe gevonden V(er)teert & betaalt |
f 2-0-0 |
Naar het schijnt werden de korven op verafgelegen en verborgen plekken opgesteld, zodat het opzoeken niet weinig moeite veroorzaakte. Met „de Berg" ook wel eens „de Heyberch" wordt het huidige vliegdorp Soesterberg bedoeld, dat tot het grondgebied van de gemeente Soest behoort — eens was het een uitgestrekte heidevlakte tussen Amersfoort—Leusden—Zeist en Soest. Was de Berg een geliefkoosd terrein, ook het Soesterveld of voorveld met zijn zandverstuivingen en heide was zeer in trek en werd druk gebruikt. Het is nu bebost en beplant en staat tegenwoordig bekend onder de naam Soestduinen.
Stellig zijn er Soester imkers geweest die trachten zich aan betaling van het verschuldigde stuyversgeld te onttrekken; anderen echter offerden op tijd aan de fiscus.
| Noch ontfangen van de molenaar van een bijstee | f 0-12-0 |
| noch ontfangen van Rutger inde keerskorf drie bijesteden | f 1-16-0 |
| noch ontfangen een bystee van Gloedy de byeman | f 0-12-0 |
Tijdens de Franse overheersing werd het stuyversgald eindelijk afgeschaft, nadat reeds verschillende malen door de Soester ingezetenen ertegen was geprotesteerd,
zonder het gewenste resultaat [7]. Na 1795 laat de plaatselijke Overheid en de Kerk de bijenhouders volkomen vrij en werd er geen belasting meer geheven van de bijsteden. Hiermee kwam echter geen einde aan het oude bedrijf, dat een nabloei beleefde, met afwisselend goede en slechte jaren, totdat aan het einde van de vorige eeuw het blijvend verval intrad. Met het in cultuur brengen van de heide en het verdwijnen van de boekweitteelt op de Eng verdween ook de primitieve imkerij. Er bleven slechts een paar beroepsimkers over, die het handwerk voortzetten. Honing is nog altijd een zeer gewaardeerd voeding- en geneesmiddel, waar veel vraag naar is.
De herinnering aan de oude imkerij en haar bijmannen leeft thans nog voort onder een paar bejaarde mannen, die in hun jeugd veel gezien hebben, hoe hun vaders en grootvaders het deden. Deze ouderen vroegen op hun beurt weer om raad aan de oude bijmannen, die zoveel meer wisten dan zij. Harry Roos en Arie van Breukelen, twee bejaarde Soestenaren, die al meer dan veertig jaar lid zijn van de plaatselijke bijenhoudersvereniging, hebben het oude bedrijf nog meegemaakt en gezien hoe het vroeger toeging. Zij weten .nog, dat de korven
door de imkers zelf gevlochten werden van stro en gespleten braamtakken (zogenaamde spleut) .— welk gereedschap de imker gebruikte en hoe hij zijn bijen verzorgde. De oude bijmannen kenden zij bij naam en toenaam. Geen wonder, dat zij vertrouwd raakten met bijen en nu niet meer leven kunnen zonder in het bezit te zijn .van een stal bijen, die zij kunnen nalopen en verzorgen. „Toenk getrouwd wier, moest ik bieje houwe. Ik kon d'r niet buute, net zomin a's buuten een kachel", zei Arie van Breukelen, die heel zijn lange leven bijen heeft
gehouden en de diertjes niet kan missen. Het gaat hem niet om de winst van de verkoop van de honing, maar alleen om de liefhebberij. Liefde voor de natuur en omgang met allerlei dieren in het vrije veld typeert beide mannen in het bijzonder.
In hun jongensjaren was de Eng nog onbebouwd en kende Soest nog zijn wildernis, bossen, zandverstuivingen en heide. De Eng was toentertijd voor tweederde deel bezaaid met boekweit; in de bloeitijd een zee van witte geurende bloempjes, een dorado voor de bijen. Overal plaatsten de imkers hun korven; op sommige plaatsen stonden er meer dan eens honderd en meer korven tegelijk.
Aan de rand van de Eng, zogenaamde achter den Neng, stonden dikwijls rijen korven met het tiel(s)gat (= vlieggat) naar het oosten gekeerd, zodat zij 's morgens vroeg al door de zon werden beschenen. Tegen vocht en regen zette men de bijenkorven onder een smacht: een van stro en brummelaars (= braamtakken) gemaakt overkapping. De smacht werd gebreid en bestaat uit twee delen: een schuin aflopend dak met aan de voorzijde een voorhang, zodat de regen niet in de korven kan slaan. Tegenwoordig zet men kasten en korven, voorzover
die nog worden gebruikt, op elke willekeurige windrichting, al vermijdt men nog altijd het noorden.
Het vervoer van de bijenkorven an en naar de heide en de boekweitvelden geschiedde per hondekar of kruiwagen. De bijmannen die hun volken in het voorjaar naar de klei brachten gebruikten hiervoor een speciaal tot dit doel ingerichte wagen: de bijenwagen, een lange platte wagen met aan weerszijden hoge rekken.
Hierop werd een groot aantal korven gezet, in een lange rij boven elkaar.
Vooraf werden de korven opgedoekt. Hiervoor gebruikt men bijendoeken = linnen of jute doeken, die met draad-, hoef-, of balknagels aan het stro werden vastgestoken, zodat het doek strak over de onderzijde van de korf kwam te zitten.
Het tielsgat stopte men met een bosje gras dicht, om het wegvliegen te voorkomen. Door van te voren aangebrachte wilgenspijlen (spielen) — sporkehout van de vuilboom (Rhammus frangula) werd ook gebruikt — kregen de korven een zodanige stevigheid, dat ze zonder bezwaar in 3 tot 4 soms wel 5 lagen op elkaar konden worden gestapeld, zonder dat zij tijdens het vervoer in elkaar werden gedrukt.
Het korfspielen vergt een speciale manier van werken, want op een vakkundige hier niet weer te geven manier kon de bijman de spiel in de korf dringen. Oude korven bestreek men met leem vermengd met koemest, om er weer enige stevigheid aan te geven.
Albert Klein was een Soester bijman van de oude stempel. Hij was een rijzig man met lang golvend haar en een volle op zijn borst hangende baard. Iedereen kende deze enigszins zonderlinge figuur met zijn apostelenkop, die graag, bij zijn bijen gezeten, filosofeerde over de natuur. Hij was niet spraakzaam, behalve wanneer het zijn bijen betrof en bemoeide zich weinig met andere mensen. Deze bijmannen hadden enkele ongeschreven rechten, die door een ieder werden geëerbiedigd. Zo mochten zij met de bijenwagen altijd passeren, zonder voor een ander voer- of rijtuig uit te wijken. Zij hadden in het verkeer voorrang. Was er geen ruimte om te .passeren, dan moest de bestuurder van het tegemoetkomend voertuig stilhouden om de bijenwagen ongehinderd doorgang te verlenen. 's Nachts wanneer de bijenkorven naar de kleistreken werden gereden, was de bijenwagen voorzien van licht, meestal een stallantaarn, die wel onder de wagen bengelde, maar niet brandde. Het vervoer naar de boomgaarden gebeurde meestal 's nachts; haast nooit overdag. Geen veldwachter of dienaar der justitie die het in zijn hoofd haalde de bijman te bekeuren; zonodig begeleidde hij het transport naar
de aangewezen plek.
De bijen stonden in hoge ere bij het volk en zij stonden in nauwe betrekking tot de bijman en zijn gezin. [8] Wanneer de imker kwam te overlijden was het in Soest de gewoonte dat de oudste zoon de bijen erfde. Deze erfgenaam of ook wel andere nabestaanden gaven de korven een rouwstreek. „Aan de rouw" zetten noemde men dit gebruik. Werd het nagelaten, door onbekendheid, dan gingen, — zo wil de volksmond het — de bijen onherroepelijk dood. Dikwijls kwam het uit en gingen de diertjes inderdaad dood, wat meer een gevolg was van een niet goed verzorgen, dan van een geheimzinnige macht, die de bijen vroegtijdig dood had laten gaan. De nieuwe eigenaar besteedde weinig of in het geheel gem zorg aan zijn bijen, met het gevolg, dat zij stierven en het volksgeloof gelijk kreeg. Iedere dag moet men „noar z'n bieje kieken; moet je d'r gaanks mee weeze" zo luidt het devies van een goede imker, die zijn bijen door en door kent. Van de huidige techniek wist men zo goed als niets en men „prutste" maar op de oude manier voort. „Zo Gart het dee, zo dee Hent het ok".
De drukste tijden voor de imkers kwamen, wanneer de bijen gingen zwermen d.w.z. een groot aantal verlaat met de moer (= koningin) de korf, om een nieuw volk te stichten. In de hooitijd, reeds extra druk voor de boeren, kregen zij nog meer werk als „de bieje begosten te zwaarmen". Dan was het hard lopen geblazen om het zwermlustige volkje te achterhalen. Het kwam vroeger herhaaldelijk voor, dat men een hardlopende boer tegen kwam met de kieps en de koegel onder de arm. „Hoalt de kieps!" En als kleine jongen wist men al, dat er snel en met overleg gehandeld moest worden, wilde men de zwerm achterhalen en behouden.
Geen imker of hij behield graag zijn eigen volken. De kieps is een schepkorf van klein model, zonder vlieggat.. Zij wordt alleen gebruikt om een zwerm te scheppen, die dan later in een korf wordt overgebracht. De koegel is een masker of bijensluier, waarin een gat is gemaakt om de pijp, een onmisbaar instrument voor de imker, door te kunnen steken. Zij bestond uit een blauw stuk doek, met een soort vizier voor de ogen. Dit vizier was gemaakt van horregaas. Ouderwetse koegels hadden een hekje van dun gevlochten koperdraad, toen horregaas nog onbekend was. De eerste zwerm die er afkomt noemde men de bromzwerm. Dan komt de oude moer er af, waar een groot aantal bijen mee uitvliegt. Tien dagen daarna volgt weer een zwerm, minder dan de eerste, de jongemoerszwerm. Bij de tweede zwerm bevindt zich een jonge koningin. Na deze volgt een derde, de endeling of nazwerm. Bij deze laatste was het volk niet groot en in het imkersjargon werd zij de ellendeling genoemd. De huidige theorie spreekt alleen van een voor- en nazwerm. Grotere kennis en meer inzicht in het leven van de bijen stelt de imker niet meer voor zulke problemen als in de tijd van de primitieve imkerij. Het zwermen der bijen was vroeger altijd een onverwachte gebeurtenis, die in het dagelijkse dorpsleven een niet geringe opschudding kon veroorzaken.
„Ouwe kromme Riek", een destijds bekende Soestenaar, die maar een paar korfjes bijen hield, had er heel wat mee te stellen, als zijn volken zwermneigingen vertoonden en er op een voor de man kwade dag tussenuit gingen. Riek, of op z'n zondags Rijk, was niet meer zo vlug ter been en werd daarbij gekweld door de rimmetiek, die hem in zijn bewegingen belemmerde. In de zwermtijd liep hij rond met de kieps onder de arm. En wanneer zijn bijen er tussenuit gingen, dan trachtte hij „veur de zwaarm te komme", hij probeerde ze de pas af te snijden.
Zwaaiend met beide armen, met in zijn hand de kieps, liep hij wat hij lopen kon met zijn stramme benen, om de bieje te achterhalen. Als een vroom en goedgelovig mens zou hij niet nalaten een schietgebedje te prevelen, opdat de bijen zich toch spoedig zouden neerzetten. Zulke tafreeltjes waren in het oude Soest heel gewoon. Er werd danig gelachen om de kromme en potsierlijke sprongen die ouwe Riek maakte om,zijn bijen weer in zijn bezit te krijgen.
Hermanus van de Pol, een oude boer van een-en-negentig jaar — hij draagt nog gouden ringetjes in zijn oren — wonende Roevoeterstraat 1 te Hooglanderveen vertelde op 30 augustus j.l. een dergelijk staaltje. Iets dat hij, zo als hij verzekerde, meer dan eens had meegemaakt.
Je had hier in de ouwe tied in Hooglanderveen (gemeente Hoogland), wullie zeiden, in het veen — een nude man en die kon bijenzwermen bespreken. A's hij zo'n zwerm besprak, dan dee hij dat van een lijstje of een stuk papier. Hij zei:
Bijen van was en honing,
ik heb voor wullie een woning,
Zet je aan deze tak
In de naam van Jezus - Maria - Joseph.
De bijen zetten zich dan aan een tak of een struuk en dan mocht er gin ander ankommen. Later haalde hij de „kips" om de zwerm te scheppen.
Er waren ook oude Soestenaren, die de bijen konden belezen. Als een zwerm van de korf vloog, dan riep men:
Deez bijen en de koning (= koningin) bespreek ik.
ik stel je een perk.
ik zal je geven een korf met werk.
Hump, strump.
Tot in de eeuwigheid.
En hier zal je gaan zitten.
Bij de laatste woorden streek de belezer langs een tak van een boom of struik. En aan die tak gingen de bijen dan zitten.
Het scheppen van een zwerm was vrij, althans dit was regel op een paar uitzonderingen na. Aan ongeschreven wetten (Van de Water, Groot Utrechts placcaatboek) had men zich echter te houden, wilde men in vrede met zijn dorpsgenoten leven. Het was niet fesoendelik buurmans bijen te scheppen of bijen waarvan men zo goed als zeker wist wie de rechtmatige eigenaar was. Een zakdoek, een of andere tod of een stuk papier aan een boom of struik gebonden waar een bijenzwerm zich had neergezet, betekende, dat men er had af te blijven; hier was een ander je voor geweest. Lokken (het bestrijken van takken en struiken met honing) was een ongeoorloofde handeling, die beslist niet werd getolereerd. Vroeger waren de bijen zwermlustiger dan nu, wat zijn oorzaak had in de ondeskundige behandeling. Door het veelvuldig zwermen ontstonden kleine of lichte volken, die weinig hoenik leverden. In de winter verhongerden vele volken, daar men het bijvoeren met suiker niet kende. De bijman moest in het voorjaar maar afwachten hoe zijn bijen hadden overwinterd. Strenge winters met vorst decimeerden de volken en het was 's zomers een hele toer om een goed aantal volken bij elkaar en op peil te brengen, hoe zwermlustig het bijenvolkje ook was.
Het kweken van nieuwe volken stelde de bijmannen voor problemen, die de moderne imkerij niet meer kent. Lichte korven met prutsvolken trachtte men met elkaar te vermengen, wat lang niet altijd gelukte. Vreemde volken die in een korf werden samengebracht, vochten onbarmhartig met elkaar, zodat vele bijen sneuvelden. Noodgedwongen probeerde men het telkens weer en wachtte af hoe de twee volken zich zouden gedragen. Nadat de bijen op de heide hadden gestaan en het volk geslacht moest worden, ging men tot vermenging over. De
bijen waren eigenlijk overbodig geworden, de volken werden daartoe uit de korven gedreven. Men bracht twee korven bij elkaar, na vooraf uit een korf de moer te hebben doodgeknepen. De naakte volken werden met nagelwater besprenkeld (een aftreksel van kruidnagelen) en daarna met elkaar vermengd. De irnkersterm naakte volken duidt er op, dat de bijen uit hun woning, als zijnde overbodig, uitgedreven werden. Op de korf met de bij elkaar gebrachte volken zette men een lege korf. Dan trommelde de imker de bijen in de lege korf. Door
het lawaai verontrust zochten zij de lege korf op. Tussen de vermengde volken strooide men kort gesneden gras, dat zwaarder dan de bijen was en direkt naar de top van de lege korf zakte en de insecten tegelijk meenam. Zo wilde de-Ze manier nog wel succes hebben en lieten zich twee stamvolken tot één volk samenvoegen.
Tegenwoordig maakt men gebruik van salpeter. De bijen oriënteren zich hierdoor op hun nieuwe standplaats en de volken vermengen zich zonder dat noodlottige vechtpartijen ontstaan.
Een andere techniek was het inbrengen van eèn nieuwe moer, die in een moerkooitje werd bewaard. Gewoonlijk werd het kooitje gemaakt van een dik stuk vlierhout, waaruit de zachte kern was verwijderd. De onderzijde werd spits toegesneden, terwijl de bovenkant werd afgesloten door een houten propje. Het geheel werd een weinig opengesneden voor toevoer van verse lucht en voedsel. Een andere vorm was die van een klein model kinderklompje. Wilde men nu een to& een andere moer geven, dan stak men het kooitje met de gevangen koningin, aan de binnenzijde van de korf vast om de bijen te wennen aan de lijfgeur van hun nieuwe vorstin. Aanvaardden de volken de nieuwe moer dan werd zij uit het kooitje genomen en mocht zij zich vrij bewegen in de korf. De kans dat zij dood gebeten werd bleef bestaan, maar was toch vrij gering, wanneer de methode op de juiste manier werd toegepast. De moerkooitjes worden vrijwel nog op dezelfde manier gemaakt. In de handel zijn echter buisjes verkrijgbaar, die dezelfde naam dragen. Naast moerkooitjes zijn er echter ook nog arrestkooitjes, die dienen voor een langduriger opsluiten van de koningin.
Wanneer de dracht goed was geweest of de bijenhouder toch honing wilde afleveren, dan slachtte men de bijen. De zwaarste korven waar de meeste vlijen in zaten, werden hiervoor uitgekozen. De vlijen zijn gevulde honingraten, integenstelling tot de vellen, die geen honing bevatten. Bij goed gevulde korven hingen „de vlije d'r buute", dat was een zeker teken, dat de bijen goed hadden gedragen. Het Ilachten betekent, dat de bijen werden gedood door middel van zwavel. Daarna werden de hortingraten uitgebroken en aan de top van de korf weggesneden met behulp van een korfmes, een oud stuk imkersgereedschap. Het is een langwerpig mes met een steel, ter lengte van 30 tot 35 centimeter. De voorzijde is gebogen, zodat het mogelijk is met de kromme bek in de ronde top van de korf de raten weg te snijden. Kasten in plaats van korven maakten het gebruik van een korfmes overbodig, zoals er meer gereedschap is, dat heeft afgedaan, nu het imkersvak ook gemoderniseerd is. Met een stuk van een zogenaamd vel trachtte men de bijen te laten aanbouwen. Het aanbrengen van zo'n vel vereiste een zekere routine,, die pas na jarenlang gebruik verkregen werd. Het vel werd met behulp van spielen in de top van de korf bevestigd. De spijl werd door de imker door het vel gestoken en er zodanig ingedrukt dat het niet meer los raakte en stevig in de korf bleef zitten, zonder naar beneden te vallen, wat nogal eens gebeurde door het onoordeelkundig aanbrengen van de spiel. De moderne imker gebruikt kunstvellen, die van geperste bijenwas zijn gemaakt.
Door alle eeuwen heen is er gehandeld in bijen en een goede korf kostte voor de eerste Wereldoorlog f 7.— tot f 8.—. Honing was toen zeer schaars, mede doordat er geen suiker werd verstrekt. Lang, lang geleden hadden drie goede bijenvolken, de waarden van één koe. Maar dat herinnert zich niemand meer.
In Overijsel, jaarboek voor cultuur en historie (jrg. 1953) vermeldt J. B. M. van den Belt, in zijn artikel „Bijenhouden in Twente in vroeger tijden", dat voorheen de winst op het bijenteeltbedrijf soms groter was dan die op de koeien en dat de
opbrengst van de bijen, in vergelijking met die van de andere huigdieren al eveneens vooraan stond.
Honing — het produkt waarom het tenslotte de imker te doen is — was vroeger van veel meer belang, dan op het ogenblik. Suiker was een onbekend artikel [9]
Hoe hoog de honing in aanzien stond, blijkt uit verschillende aanhalingen in de Bijbel, waarin de honing wordt genoemd. „Jaweh belooft zijn yolk op re voeren uit het land (Egypte) naar een land (Kanaän) overvloeiende van melk en honing" (Exodus 3 : 7 en 8). Als zoetstof voor "spijzen en dranken gebruikte men honing, meer dan tegenwoordig, nu de suiker de honing van haar ereplaats heeft verdrongen. Als geneesmiddel van vele kwaaltjes had zij een goede reputatie. Verkoudheid, hoesten en andere lichte ongesteldheden werden bestreden met huismiddeltjes waarin honing was verwerkt. Doktoren, apothekers en drogisten gebruikten de zoete vloeistof voor hun geneesmiddelen. Daarnaast was de honing een voedingsmiddel en lekkernij van erkende faam.
De oude bijmannen legden de uitgebroken of uitgesneden honingraten op grote schalen: honingvloten, lage platte schotels, waarop de raten konden uitlekken. Andere imkers brachten hun gewonnen raten naar de zemerij, waar zij een zelfde behandeling of bewerking ondergingen. Aan het eind van de vorige eeuw kende men in Soest nog een zemerij, waar de honing werd uitgezeemd en uitgeperst.
Het laatste gebeurde door middel van een houten pers. Onbekend was toen nog het gebruik van een centrifuge, die de honing uit de raten slingerde. Pas veel later kwam dit toestel bij de imkers in gebruik. De honing op die manier verkregen noemt men: slingerhoning. De was perste men tot platte kazen en die werden verkocht aan opkopers, die het produkt weer doorverkochten aan de kaarsenfabrieken.
Van de honing vermengd met water maakte men mee of mede, een licht alkoholische drank. De drank werd in flessen gedaan en een tijdlang bewaard onder de grond. Na het gistingsproces was zij voor consumptie geschikt. (Zie hierover J. B. M. van den Belt, eerder genoemd, die hetzelfde gebruik beschrijft in Twente). De prijs bedroeg 15 cent voor een fles die slechts korte tijd in de grond had gezeten. Vijf en zeventig cent de fles betaalde men voor een fles, die tenminste drie jaar of langer bewaard was gebleven. Jacob van Lennep beschrijft in zijn Ferdinand Huyck (1840), de herberg „De Drie Ringen" te Soest, waar een uithangbord uithing met het gebruikelijke opschrift: „Vrij wijn en mee". De mee die daar geschonken werd, zal een produkt van eigen bodem zijn geweest.
Lekhoning is de beste honing en wordt verkregen doordat men de vloeistof uit de raten laat lekken. Pershoning is de minste in kwaliteit, daar door he persen zich kleine wasdeeltjes met de honing hebben vermengd. Boekweithoning heeft een scherpe smaak en is bruinachtig getint. Heidehoning wordt ook zeer om de smaak gewaardeerd. Zij is donkerbruin van kleur, maar niet zo scherp als boekweithoning. Honing verkregen van de fruitbomen is zoeter dan alle andere soorten. Koolzaadhoning was vroeger vrijwel onbekend, althans in Soest en omstreken, waar het gewas niet werd verbouwd. In het najaar haalde men de korven van de heide en slachtten de imkers hun volken. De prijs die men voor de honing maakte was wisselend en hing er geheel van af, hoe het weer in de afgelopen zomer was geweest. Was het een nat jaar met veel regen en wind geweest, dan was de dracht niet zwaar en de prijs vrij hoog. Bij een goed honingjaar („als de vlije oarig angelope ware"), dan was een potje honing beslist niet duur. Daarnaast bepaalde de kwaliteit de prijs. Over het algemeen was er meer vraag naar boekweit- en heidehoning dan naar andere soorten. De inheemse bevolking kocht en gebruikte weinig honing als voedingsmiddel; zij werd in de gezinnen nauwelijks gebruikt. Er stond echter wel in de spinde een potje met honing tegen ongemak en ziekte. De bakkers kochten de honing om ze te verwerken in koek en ander gebak. De zeute koek was zeer in trek en gold algemeen als een lekkernij. In meer gegoede kringen gebruikte men het produkt wel als voedingsmiddel en als een bijzondere gewaardeerde lekkernij.
Er leven te Soest nog enkel oude imkers, die zelf nog wel in staat zijn hun korven te vlechten (breien is hiervoor de plaatselijke benaming). Het vervangen van korven door kasten maakte, dat het breien van korven en smachten vrijwel verdween. Het zijn er nog maar een paar, die de oeroude vlechttechniek in de vingers hebben. De imkers kenden verschillende modellen korven; de gewone eivormige, hier inheemse, de bisschopsmuts en de Lunenburgse korf met maskers, langwerpig van vorm [10]. De bijmannen van vroeger breiden hun kiepsen, korven en smachten van het materiaal, dat de natuur voortbracht en dat haast altijd voorhanden was. Er werden zowel houten als benen voorwerpen gebruikt — oud
gereedschap, dat al lang is opgeruimd of naar de rommelzolder verhuisde of toevalligerwijs in musea terecht kwam. Men had aan deze gebruiksvoorwerpen nog wel herinnering, maar verzuimde in de achter ons liggende tijd deze vast te leggen, omdat men zich toen niet kon indenken, dat alles zo snel zou verdwijnen [11].
De braamtakken die bij het breien werden gebruikt bewerkte men tot spleut, door ze te splitsen met een leijer of spleuter, een houten of benen voorwerp. Meestal was het werktuig zelf gemaakt en bestond het uit een stuk hout of been, waarin aan het dikke eind kruiselings vier diepe kerven werden gesneden. Hiermee splitste men de braamstruiken. Later kwam het bamboe er voor in de plaats, dat meer geschikt bleek te zijn dan de braamtakken. Alvorens de braamtakken geschikt werden gemaakt om als spleut te kunnen worden gebruikt, moesten zij nog een voorbewerking ondergaan, met de zogenaamde kribbetrasp, een bijkans onbekend stuk gereedschap waarop wij straks terugkomen.
De bijenkorven werden gemaakt van een lange bundel stro, die voortdurend door het insteken van nieuw stro op de gewenste dikte werd gehouden. Die dikte werd bepaald door het materiaal door een trechtervormig voorwerp te steken. Wanneer dit opraakte werd het hierdoor bijgestoken om de juiste dikte te kunnen aanhouden. Aan het dunner worden van het stro kon de vlechter zien, dat er nieuw bijgestoken moest worden. Als trechter gebruikte men in oude tijden een afgezaagde koehoorn. Het spitse uiteinde was verwijderd, waardoor twee openingen ontstonden, zodat het stro op eenvoudige wijze door de hoorn kon worden gestoken. Een blikken trechter heeft de koehoorn vervangen. De bundel stro wordt spiraalvormig gewonden en zo bouwt men van boven af een bijenkorf op. Het verband tussen de windingen wordt verkregen door de laatste winding altijd op de voorlaatste vast te naaien. Dit vastnaaien geschiedde met spleut, gesplitste braamtakken, later bamboe, dat zich gemakkelijker liet splijten. Het gebeurde met behulp van de leijer, spleuter of spleutsteker, die men zover tussen de twee bovenste windingen doorstak, dat het geutje, gevormd door de mergholte van de braamtakken, aan beide zijden van de korfwand uitstak. Het werktuig wordt daardoor gestoken en aan de binnenzijde weer vastgepakt om daarna stevig aangetrokken te worden. Dan pas wordt de spleuter teruggetrokken. Telkens wordt de spleut over de laatste winding heen en weer aan de buitenkant van de korf gebracht en iets verder opnieuw doorgestoken. Volgens Dr. A. Roes, in zijn interessant artikel „Vethoorns en spleutstekers" in De Vrij Fries van 1960 (dl 44), bevindt zich in het Friese MUseum te Leeuwarden een schat aan terpenmateriaal, dat voor het grootste deel bestaat uit benen en hertshoornen voorwerpen, waaronder een spleutsteker, die in prehistorische tijden gediend kan hebben voor het maken van korven.
Wij vermelden reeds, dat de spleut een voorbewerking moest ondergaan om de braamtakken geschikt of meer geschikt te maken voor het gebruik. En hiertoe diende de kribbetrasp. Nu er zo weinig meer over is, dat nog aan de oude bijenhouderij herinnert, spreekt het haast vanzelf, dat ook de herinnering aan het oude materiaal verdwenen is. Waartoe, vroeger alledaagse gebruiksvoorwerpen hebben gediend, is volkomen vervaagd en vergeten. Dit was ook het geval met een onbekend voorwerp, dat in een vitrine bewaard werd in het Amersfoortse Museum „Flehite". Niemand kon het voorwerp thuis brengen — noch de naam, noch het gebruik waren bekend. Het had iets te maken met het vlechten van
bijenkorven, maar verdere bijzonderheden wist men niet meer. Het voorwerp was een doodgewone koehoorn. Het bijzondere hieraan was, dat er verschillende grote en kleine gaten in waren geboord. Wij kregen het ding in ons bezit, om de identiteit hiervan vast te stellen en na te gaan waartoe de koehoorn was gebruikt. Oude imkers, die in hun tijd de korven nog zelf gemaakt hadden, konden het niet thuis brengen. Zij hadden het voorwerp nooit bij het korvenvlechten gebruikt, noch hun vader en grootvader. Een was er: Arie van Breukelen,die verband zag tussen de koehoorn en spleut, maar geen nadere uitleg hieraan wist te geven. Zoals wij verder zullen zien, was hij er niet ver naast.
De raadselachtige koehoorn werd opgezonden naar het Rijksmuseum voor Volkskunde „Het Nederlandse Openluchtmuseum" te Arnhem, met het verzoek ons te willen mededelen of men daar in staat was het voorwerp te identificeren. Spoediger dan verwacht werd kregen wij bericht, dat de koehoorn inderdaad iets te maken had met het vlechten van korven, d.w.z. het voorbereidend werk op de oude manier, het geschikt maken van braamtakken (niet bamboe). Voordat de braamtakken geschikt waren om als spleut te kunnen worden gebruikt,
moesten de lastige stekels worden verwijderd. En hiertoe gebruikte men de koehoorn met zijn gaten. Men haalde eenvoudig de braamtakken door de gaten en ritste op die wijze de stekels van de takken. Vroeger werd de koehoorn wel kribbelrasp genoemd, een benaming, die onder de imkers van Soest niet meer bekend bleek te zijn. Uit welke tijd het voorwerp dateert is moeilijk vast te stellen. Het is heel goed mogelijk, dat de kribbelrasp in de vorige eeuw hier in de omtrek nog werd gebruikt en op een goede dag in het museum terecht is gekomen. Uitgesloten is het niet, dat voor hetzelfde doel een afgezaagde koehoorn werd gebruikt. Door dat men een klein gedeelte van de koehoorn afzaagde, ontstond een instrument met aan weerszijden gaten van ongelijke grootte, waardoor de braamtakken werden gehaald met een eender resultaat als bij de kribbelrasp.
Tijdens een vakantietrip in België bezochten wij het volkskundig zeer bezienswaardig Museum ,Die Swaene" te Heist op den Berg. Naast spleuters en ander materiaal voor het vlechten van bijenkorven, wannen enzovoort, bevond er zich een kribbelrasp. Het was een eender voorwerp als dat uit Flehite, met dit verschil echter, dat de punt van de hoorn was afgezaagd. Men kon mij toen helaas niet mededelen, hoe de naarri van dit voorwerp in het Vlaams luidde. Op 22 oktober 1962 echter berichtte Dr. J. Weyns, konservator van het Openluchtmuseum te Bokrijk in België, dat zijn museum vier eksemplaren van het merkwaardige voorwerp bezit, beantwoordende aan de beschrijving die daarvan werd gegeven. Zij stammen allemaal uit het noorden van Belgisch Limburg, uit de Kempen. Slechts eenmaal wordt een naam vermeld en wel bramenschrapper. Dr. Weyns durft niet te bevestigen, dat dit de werkelijk ter plaatse gebruikte naam is geweest.
Naschrift.
Hierbij betuigen wij onze dank aan het Hoofd van de Afdeling Realia van het Museum voor Volkskunde „Het Nederlands Openluchtmuseum" te Arnhem, de heer J. de Kleyn, die ons de naam en het gebruik van de koehoorn mededeelde en die verdere gegevens verstrekte in de vorm van de in dit artikel verwerkte literatuur. Ook de heer. B. Jacobs van het Openluchtmuseum heeft ons terzijde gestaan. Verder betuigen wij dank aan de heer A. J. van Breukelen, sekretaris van de Soester Bijenhoudersvereniging, die ons inlichtingen verstrekte aangaande de techniek van het bijenhouden, het vlechten van korven en het specifieke imkers jargon.
NOTEN
[1] Oud-Utrecht, jrg. 1958, „Het stuyversgeld van de Nederlands-Hervormde kerk van Soest", blz. 105-111.
[2] Dr. A. C. J. de Vrankrijker, Naerdingcklant, Den Haag z.j., blz. 75.
[3] W. van Iterson, De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in de Provincie Utrecht, deel I, band II.
[4] Van de Water, Groot Utrechts placaetboek, I, blz. 639.
[5] Oud-Archief Gemeente Soest, nr. 18.
[6] Oud-Archief Gemeente Soest, nr. 114.
[7] Oud-Utrecht, a.v.
[8] Jos. Schrijnen, Zutphen 1930, Nederlandsche V olkskunde 2, I, blz. 299 en blz. 336.
[9] Dr. M. de Waal, Zuivel, Ei en Honing, Zutphen z.j.
[10] Zie Neerlands Volksleven, jrg. IV, nr. 3, blz. 68.
[11] Vethoorns en spleutstekers" van Dr. A. Roes in De vrije Fries, 1960, 44 dl.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.