Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

BABILOONTJE VOL VAN VERSTANDE

Artikel is verschenen in Neerlands Volksleven, 1975
Auteur: E. Heupers

Te Soest bestaan nog altijd twee korporaties, die kunnen bogen op een respektabele niet exact vast te stellen leeftijd. Stamt het Sint Aegten-schutters of Groot Gaesbeeckergilde uit een grijs verleden, het Sint Annagilde is waarschijnlijk opgericht in de 15de eeuw, mogelijk in de 16de eeuw [1]).
De gilden staan bekend als het Grote en Kleine Gild. Soestenaren kunnen pas lid worden van het Grote Gild, als zij rooms-katholiek en in Soest geboren zijn. In de middeleeuwen (later in mindere mate) vormde het Sint-Aegten Schuttersgilde een staat in de staat en kon het worden beschouwd als een legertje — een vendel — dat niet schroomde zonodig de dorpsgrenzen te verdedigen [2].
Aan het hoofd van het Grote Gild staat een „Ouderman" en bij het Kleine Gild fungeert als zodanig een „Decan" of „Deken".

TEERDAGEN
De eet- en drinkgelagen, de teerdagen, speelden een voorname rol bij de Soester gilden. De kerk was fel gekant tegen deze smulpartijen, waar het soms nogal „heidens" toeging:  onmatig eten en drinken, vaak gepaard met zingen, dansen en vrolijk zijn en vechtpartijen, waarbij nog het mes werd getrokken. 
Het vieren van deze teerdagen was niet s:echts een genot, het was ook een plicht!  In 1927 heeft het Sint Aegten schutters- of Groot Gaesbeeckergilde voor de laatste maal zijn teerdagen op ouderwetse manier gevierd. Daarna bleef het stil rondom het Grote Gild, tot in 1960 aan de aoude gildegeest door jongeren nieuw leven werd ingeblazen. De Ouderman en zijn Raden verschenen bij de herdenking van het 400-jarig bestaan van het gild voor het eerst in jacquet met streepjesbroek en hoge hoed, zoals in Limburg en Brabant gildefeesten worden gevierd.

IN OPTOCHT NAAR DE GILDSBOOM
Veel van de oude gebruiken herleefden. Gezamenlijk trokken de gildebroeders en -zusters naar de Gildsboom op de Brink, de huidige Lange Brinkweg. De boom, een nog jonge spruit, heeft illustere voorgangers, die ruimte moesten maken voor het verkeer en telkens door een nieuwe lindeboom werden vervangen. 
Waarom een lindeboom? In heidense tijden was de lindeboom gewijd aan Freya, de Moedergodin, die tevens de Godin was van dood en wedergeboorte [3]. En onder de lindeboom werd ook recht gesproken.

Ondanks de christelijke kerk is deze verering blijven voortleven. In het Oude Testament staat reeds geschreven, dat de priesters van Jahwe de heilige bomen moesten omhakken,  omdat de verering daarvan een gruwel was in het oog van Jahwe.
Nadat men tijdens de feesten 's morgens in de kerk de H. Mis ter intentie van alle overleden en nog levende gildebroeders heeft bijgewoond, trekt men gezamenlijk, arm in arm met de trommelslager en de vaandeldrager voorop, naar de gildeboom.
Men danst een paar keer in een kring om de boom, al zingend „Babiloontje, vol van verstande", een gildelied dat vroeger alleen bij die gelegenheid werd gezongen. Na afloop van de dans werden de aanwezigen getrakteerd op wijn.
 

1724 nog betaelt Aen buyte Verteringe int gilt f 13-0-0
1811 Aan wijn na de boom f 10.16-0


Had men met volle teugen genoten van het druivenat, dan vormde zich nogmaals een kring om de boom en hand in hand maakte men voor de laatste keer een rondedans, onder het zingen van „Babiloontje". 
Het middelpunt van de feestviering was het gaan naar de boom na de kerkgang!
Na de laatste rondedans trok men in optocht naar de herberg waar het feest werd voortgezet. Vier dagen lang eten, drinken, dansen, vrolijk zijn en... vrijen, want dat behoorde er ook bij.

HET LIED BABILOONTJE
Babiloontje of Babyloontje, is het lij flied van de broeders en zusters van het Grote Gild, ook nu nog tijdens de teerdagen eindeloos herhaald. Verstomt het gezang een ogenblik, dan wordt het opnieuw ingezet, en iedereen valt weer in. 
Volgens hoogbejaarde gilde!eden, bestaat er maar één koeplet van. In de oude gildeboeken komt het niet voor [4].
Aangenomen mag worden dat het door mondelinge overlevering is blijven voortbestaan, evenals de melodie.
Jan ter Gouw geeft in De Volksvermaken [5], de volgende versie van dit gildelied:

Een Babiloontje, vol van verstande,
Eer de schoone maan onderging.

Daar is mijn vinger en daar is mijn hande, [om de kring te sluiten tot den dans.)
'k Wou dat ik bij mijn lief je sting! [stond.)
Waar zal ze wezen? Waar zal ze zijn,
Waar zal ze wezen, de liefste mijn? [namelijk: Thisbe.)

Dr. Elise v. d. Ven-ten Bensel en D. J. van der Ven, in De volksdans van Nederland geven tekst en melodie aldus [6]:

Een Babyloontje vol van verstande,
Voor er de zon en de maan onderging.
Hier is mijn vinger, daar is mijn duim,
Vingerling en duimeling.
'k Wou, dat ik bij mijn liefje sting.
Waar zal zij wezen, die schoonste uitgelezen.
Waar zal zij zijn, die allerliefste mijn?



Tegenwoordig wordt het als volgt gezongen door de Soester Boerendansgroep:
Babyloontje, vol van verstand.
Voor er de zon en de maw onder ging.
Hier is mijn vinger, daar is mijn duim.
Vingerling en duimeling.
'k Wou dat ik bij mijn liefje sting.
Waar zal zij wezen, die schoonste uitgelezen,
Waar zal zij zijn, die allerliefste mijn?


Jan ter Gouw vermeldt dat het Sint Aegten schutters- of Gaasbeeckergilde ook wel Babiloniëngilde wordt genoemd. Hij tracht het wonderlijk feestgezang te verklaren door het in verband te brengen met het bekende rederij kersspel uit de zestiende en zeventiende eeuw: Piramus en Thisbe.
Het gaan naar de boom, waarbij het lied wordt gezongen, is dan de vertoning van een sproke, verhalende van Babiloniën en „de schone maan". 
De auteurs van De volksdans in Nederland menen evenwel: Babyions heten in Rusland en Lapland ook Trojaburgen en Duitsland kent Babelsbergen, Babylonen en Babelstorens, heuvels waaromheen aarden wallen spiraalvormig zijn aangelegd. 
Wanneer men in de Soester gildeboom — zo gaan zij verder — de Meiboom [7] ziet, verder denkt aan het aanbieden van vinger en duim en dit alles verbindt met de traditionele rondedans, dan is „Babiloontje" een (de groeikracht bevorderende) kettingdans. Dit wordt bevestigd door het voorkomen van ,,In Babilone" als nummer 40 in het eerste deel van Oud Hollandsche Boeren Lieties en Contradansen (1702).

PYRAMUS EN THISBE
Wie waren Pyramus en Thisbe? Een jongen en een meisje in het klassieke verhaal van Ovidius, dat door rederijkerskamers veelvuldig is opgevoerd8). Hoe geliefd het was blijkt uit het intermezzo in Shakespeares Midzomernachtsdroom., 
Piramus en Thisbe woonden met hun ouders in Babylonië en hun huizen grensden aan elkaar. Als kinderen speelden zij met elkaar en op latere leeftijd werden zij hartstochtelijk verliefd. De ouders hadden de omgang tussen de kinderen verboden. Piramus en Thisbe hadden nog maar weinig gelegenheid elkaar te ontmoeten. Zij ontdekten een spleet in de muur tussen hun woningen en daardoor praatten zij heimelijk met elkaar. In alle stilte spreken zij af, dat zij elkaar zullen ontmoeten bij het graf van Ninos nabij de daar gelegen bron waar de moerbeiboom staat. Vroeg in de morgen, bij het rijzen van de zon, zullen zij daar zijn. 
Wanneer de zon opkomt is Thisbe als eerste op de afgesproken plaats. Nauwelijks is zij daar of er verschijnt een leeuw met bebloede muil, die zojuist een prooidier heeft verslonden en zijn dorst komt lessen.
Thisbe schrikt hevig en vlucht. Zij loopt het bos in en verliest daarbij haar hoofddoek.
De leeuw met zijn nog van bloed druipende bek verscheurt het kledingstuk, dat bebloed en wel bij de bron blijft liggen.
Kort daarna verschijnt Piramus en hij ziet de met bloed doordrenkte hoofddoek van zijn Thisbe. Denkende dat zijn geliefde door een roofdier is verslonden, stort hij zich, door smart overstelpt, in zijn zwaard.
Intussen keert Thisbe terug naar de afgesproken plaats. Daar ziet zij Piramus dood neer liggen, naast haar bebloede hoofddoek. Ook zij verkiest de dood en zij stort zich in het zwaard van Piramus, stervend over hem heen vallend.

BABILOONTJE ALS STRAATLIED?
In het rederijkersspel Piramus en Thisbe komt een lied „Babiloontje" niet voor. 
Volgens J. ter Gouw is echter het verband onmiskenbaar. Uit de tekst valt op te  maken dat het dramatisch gebeuren zich in de vroege morgen in Babylonië heeft afgespeeld: „Eer de schoone maan onderging". De slotregels van het lied wijzen erop, dat Thisbe niet op de afgesproken plaats is verschenen: „Waar zal zij zijn, die allerliefste mijn?" Hij is verder van mening, dat in de middeleeuwen tijdens het pinksterfeest het spel van Piramus en Thisbe door rondtrekkende speellieden zal zijn opgevoerd. Het bewogen drama met zijn tragisch slot werd de mensen voorgehouden als een voorbeeld, waartoe zinnelijke liefde kan leiden.
Dr. Elise van der Ven-ten Bensel en D. J. van der Ven zijn zonder meer de mening toegedaan, dat het Soester Babiloontje een cultusdans is. Zij betrekken hierin het gaan-naar-de-boom en het dansen eromheen en zien in de boom een meiboom. Zonne- en boomverering stellen zij op de voorgrond. Overtuigend is hun hypothese geenszins en het verband met juist dat lied lijkt vrijwel onverklaard, al lijkt een vroeger cultisch element (schrijden, boom, rondedans) wel aan te nemen.
Het lied is mogelijk door liedjeszangers of rederijkers naar Soest gebracht, waar het aan een hoogtepunt van het jaar gekoppeld werd. Zoals in Groninger Sintmaartenliedjes regels bleven hangen uit het spektakeistuk Aran en Titus van Jan Vos (1641), tot in de achttiende eeuw gedrukt en geliefd op de kermis [9].
Het zijn allemaal voorbeelden van wat eens door Naumann „gesunkenes Kulturgut" werd genoemd. Een straatlied over Pyramus en Thisbe ziet men o.a. in Het weesmeisje op het kerkhof, een handzaam boekje van Wolter Jan Dekker.
Deze mening wordt gedeeld door Gerard van de Schepop, muzikoloog en koordirigent, die het lied, zoals het nu nog wordt gezongen door de Soester Boerendansgroep
op noten heeft gesteld:

Dat speellieden en liedjeszangers door Soest trokken is bekend. In oude rekeningen treft men meermalen aan dat aan „varende luyden" en „passanten" door de plaatselijke overheid onderstand werd verstrekt. 
„Babyloontje" is in Soest maar een flard, een brokstuk. Een groter geheel, vrijelijk teruggaande op de klassieke sage, vindt men in Florimond van Duyse, Het Oude Nederlandsche lied I, nr. 44. Maar het verband is wel erg los en er is geen regel in, die het Soester eindprodukt motiveert. Wellicht leven latere redakties („Komt hier, gij jongmans van moede kloek» en „Ik zugt om een godin"), die nauw bij Ovidius aansluiten, in het Soester danslied voort — net zo'n saamgedrongen fragment als het rommelpotlied naar aanleiding van „Het  Koopmanszoontje", dat elders in dit balladenummer van Neerlands Volksleven wordt besproken. Ook is het niet uitgesloten, dat regels uit een toneelstuk in het Soester „Babyloontje" worden voortgezet, gezien een soortgelijk „sukses" van het befaamde Aran en Titus bovenvermeld.

NOTEN
[1] E. Heupers, De Gilden van Soest. Soest 1960, bladz. 95.
[2] Ibidem, bladz. 56.
[3] F. E. Farwerck, Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden, Deventer 1970, bladz. 388.
[4] De gildeboeken van het Sint Aegten schutters- of Groot Gaesbeeckergilde.
Beginnende in het jaar 1682 tot 1782 en vervolgens tot 1907.
[5] J. ter Gouw, De Volksvermaken, Haarlem 1871, bladz. 514 en 515.
[6] Dr. Elise van der Ven-ten Bensel en D. J. van der Ven, De volksdans in Nederland, Naarden 1942, bladz. 66.
[7] De Meiboom is een omstreeks 1 mei op het dorpsplein opgerichte boom, die.met linten en kransen versierd, het middelpunt vormt van allerlei volksvermaken.
[8] Dr. G. A. van Es, Piramus en Thisbe, Zwolle 1965.
[9] Dr. Tj. W. R. de Haan, Folklore der Lage Landen, Amsterdam-Brussel 1967, blz. 263.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto