Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

AARDAPPELTEELT IN SOEST

Uit Neerlands Volksleven, 1980 nummer 1 en 2
Auteur: E. Heupers

Pas in de tweede helft van de 18de eeuw komt de aardappel bij de gewone man op tafel. Evenwel niet bij maaltijden aan oude gebruiken gebonden, bijvoorbeeld na begrafenissen en op de teerdagen der gilden, zoals het Sint Aechten schutters of Groot Gaesbeecker Gilde van Soest [1]. Pas langzamerhand werden de aardappelen naast rogge en boekweit algemeen
verbouwd in Soest op de Eng, het aloude landbouwgebied.
In de vorige eeuw was de landbouw nog overwegend gericht op de behoeften van het boerengezin; aardappelen waren naast rogge en boekweit het hoofdvoedsel. De aardappel is op den duur een goedkoop volksvoedsel geworden.
De verbouw van aardappelen vereiste destijds een intensievere bewerking van de bodem dan na de invoering van de kunstmest en een veranderde pootmethode. Te Soest hield men zich lang aan het oude en vertrouwde. Ook de toepassing van kunstmest kwam te Soest maar traag op gang. Er werd in de tijd vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) onder de
boeren weinig gelezen en landbouwvoorlichting bestond vrijwel niet. Men raadpleegde alleen de Enkhuizer Almanak, omdat die het weer voorspelde,en eventueel de Utrechtsche Volks-Almanak, om op de hoogte te blijven van de data van jaarmarkten.
Nadat de akker was gemest, geploegd en geëgd, plantte men de pootaardappelen in een kuiltje. Vroeger was het zó dat men de aardappelakker niet in zijn geheel bemestte, maar in ieder kuiltje een portie stalmest strooide. Dit was echter in het laatst van de 19de eeuw reeds een verouderde methode. Het pootgoed was vooraf zorgvuldig uitgezocht. De pootaardappelen mochten vooral niet te groot zijn, ze moesten mooi rond en ook niet te klein zijn. Het liefst betrok men pootaardappelen uit een andere streek. Men verkoos ze boven de door eigen teelt verkregen pootaardappelen, die men soms ruilde en verkocht. Om het jaar, doch ten minste om de twee jaar, kochten de boeren andere pootaardappelen. Dit
zou de kwaliteit en de kwantiteit van de aardappelen bevorderen, evenals het elk jaar verwisselen van akker. Men deed dit ook om ziekte in het gewas te voorkomen. Wanneer twee jaar op dezelfde akker aardappelen werden verbouwd zou zowel de kwaliteit als de opbrengst achteruit gaan. Het andere jaar verbouwde men dan rogge, boekweit of haver.
Het aardappelenpoten was vaak het werk van één of twee daggelders, die de pootaardappelen stuk voor stuk in de vooraf gemaakte kiiiltjes legden, met behulp van een poothout of -stok, een puntige stok. Vele boeren gebruikten een poothout, dat tegelijk twee gaten maakte. Men begon met een eerste rij en zette dan het poothout tussen het eerste en tweede kuiltje. Op die manier kwamen de aardappels in een verband te staan en kon iedere plant gemakkelijk worden aangeaard. Pas later ging men er toe over de aardappelen in de  ploegvoor te leggen en hoefde niet iedere struik meer te worden aangeaard. Groeiden de aardappelplanten voorspoedig en kwamen ze gelijktijdig overal boven de grond, dan werd de grond rondom de struiken een paar maal met de hak gehakt. Het onkruid werd verwijderd en de planten werden aangeaard, om ze meer stevigheid te geven. De hak was een kleine schop met een naar de steel gebogen blad.

Omstreeks de eeuwwisseling teelde men andere soorten aardappelen dan tegenwoordig. Sommige soorten waren alleen geschikt als veevoeder, o.a. de Amerikanen, of zoals ze in Soest werden genoemd; de `Amerikaonders', zeer dikke ronde aardappelen, maar van binnen veelal hol, waardoor ze ongeschikt waren voor menselijke consumptie. Ze verdwenen
spoedig van de akkers. Verder kende men in de 19de eeuw: Keulse ballen, Harderwijker roosjes, een bijzonder smakelijke aardappel die het op de zandgrond uitstekend deed. Dan had men nog 'waarkers' en 'boerenjongens', dikke ronde aardappels, geelachtig van kleur. `Muuzen' of muizen waren eveneens zeer gewild, hoewel het een klein soort was.
De oogst was in goede jaren soms overvloedig. De `waarkers' (een andere naam had men er niet voor!) waren een tijdlang zeer in trek. Allengs werd de opbrengst — door onbekende oorzaak — minder en minder en kregen de 'muizen' de voorkeur, die het jarenlang hebben uitgehouden. De aardappelenoogst was in sommige jaren zeer groot en dan opeens werd deze minder, zonder aanwijsbare oorzaak. Een mand per roe of roede was vroeger een zeer voordelige opbrengst. Een schep(mand) is 0.1 hl; de roe is 14m2.

Van eind september tot ongeveer oktober begon, het aardappelensteken, het uit de grond halen van de aardappelknollen. 
In de vroege morgen begon men met 'een stuk uit te zetten', een groot aantal struiken werd met de 'griep' (greep) uit de grond gestoken en aan een `zweer gelegd, een lange regel, waardoor ze door zon en wind konden worden gedroogd. Men begon met het pootgoed uit te zoeken, dat in een mand werd verzameld. Dat zou het volgend jaar worden gepoot. Tegen
het vallen van de avond werden de uitgestoken aardappelen in manden bijeengeraapt en daarna overgestort in zakken, die op de wagen geladen naar de boerderij werden gebracht. Om acht uur 's morgens werd er koffie op het aardappelland gebracht. Iedereen kreeg een kop koffie met een bal, een steek of een zuurtje. Men nam het snoepgoed in de mond en
spoelde het in de hete koffie. Dan at men ook de meegebrachte boterhammen. Na deze korte rustpoos werd er stug doorgewerkt tot twaalf uur 's middags, dan was het schafttijd. Men ging niet naar huis. Er werd op het land gegeten: pannekoeken of een flinke pan rijst (met boter en suiker). De pannekoeken werden door de boerin of de meid in een schaal waarom een doek was gewikkeld naar het land gebracht: ze golden als een bijzondere tractatie. Het was bovendien een krachtvoedsel: `Ze stingen in je maog; daor kon je op waarken'. Na schafttijd werd er weer doorgewerkt, tot de schemering inviel.
Plaatselijk was er nog verschil in het rooien van de aardappelen. In Leusden onder Amersfoort was het gewoonte, dat 'voor de voet' werd weggerooid. Struik voor struik werd uitgestoken en uitgeschud en de aardappelen werden in manden gedaan. Grote en kleine aardappelen direct afzonderlijk. De krielaardappeltjes, de allerkleinste, werden in een
emmer gedaan. Daarna stortte men de aardappelknollen over in zakken en ten slotte werden ze, om te drogen, op de deel uitgespreid.
De krielaardappelen werden veelal met behulp van een oude klomp in een emmer met water schoongewassen en van het zand ontdaan, want ze werden als iets speciaals beschouwd, in vet of boter gebakken. Maar één- of tweemaal per jaar kon erop worden getracteerd, alleen tijdens het rooien:dan waren ze nog vers en het lekkerst.
Het aardappelloof werd als strooing in het koehok gebruikt. Het was hier niet de gewoonte het loof te verbranden. Soms gebeurde het wel eens, als kinderen een paar aardappelen poften en deze, na ze van de schil te hebben ontdaan, nog lekker warm opaten.
Aan de struiken vormden zich wel eens groene zaadbollen: `poepappels', waarmee zich de jongens vermaakten door ze op een stokje te steken en dan te proberen wie zo'n `poepapper het verst of het hoogst in de lucht kon gooien.
Midden oktober moesten de aardappelen uit de grond zijn. Een boer die bijvoorbeeld op 18 oktober aardappelen rooide of nog moest rooien, werd voor luiaard uitgekreten.


Een groot deel van de aardappelenoogst werd voor eigen gebruik aangewend, vooral als de boer een groot gezin had en er bovendien nog een knecht en meid op na hield. De aardappelen werden opgeslagen in de kelder, die goed droog moest zijn om schimmelen en rotten te voorkomen. De kelder moest ook vorstvrij zijn. Was dit niet het geval, dan werden de aardappelen opgeslagen in een aardappelkuil, een met stro en aarde bedekte kuil. Al naar behoefte werd er een mandvol of meer uit de kuil gehaald, die daarna weer zorgvuldig werd toegedekt.
De rest van de oogst werd verkocht op de markt of aan particulieren. Ook ventte men wel met aardappelen langs de huizen, want ook de 'burger' deed in die dagen graag een wintervoorraad aardappelen op. Ze werden verkocht per mudzak, dat wil zeggen per mud (de inhoudsmaat voor droge waren, thans 1 hl). Ook werden ze verkocht per schepelmand (1/4 van een Amsterdams mud, 0.1 hl of 1 deciliter). Misgewas en vooral de gevreesde aardappelziekte (phytopthora infectans), een virusziekte, teisterde soms het gewas en dreef de prijzen op, zodat er honger en armoede werd geleden onder het volk. Maar de Soester boeren profiteerden hiervan slechts weinig. Ze verkochten immers maar een betrekkelijk klein deel van de oogst. In de vorige eeuw heeft de aardappelziekte dikwijls zulke verwoestingen aangericht, dat er een groot tekort ontstond en er zelfs hongersnood dreigde [2]. De planten verdorden dan binnen enkele dagen en de knollen verrotten in de grond. De ergste epidemieën vielen voor in het tijdperk 1813-1850, vooral berucht is het jaar 1845.
Voor zover bekend is er te Soest nooit een ernstig tekort aan voedsel geweest, daar er naast aardappelen nog altijd veel rogge en boekweit werd verbouwd en de boer een groot deel van de oogst voor zichzelf hield. 

NOTEN
[1] K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België, 's-Gravenhage/Batavia, 1949, blz. 2.
[2] Dr. Z. W. Sneller e.a., Geschiedenis van den Nederlandschen Landbouw. Groningen/Batavia, 1943, blz. 249.
 

P.S.
Er is nog een handschrift van zo'n 200 getikte bladzijden over Soest in de vorige eeuw, in hoofdzaak door wijlen onze medewerker samengesteld, dat met enige retouchering en bekorting zeer wel het licht zou kunnen zien. Het bovenstaande hoofdstuk is hieraan ontleend. (Red. Neerlands Volksleven.)

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto